Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1673

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2021
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
21/00372
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2021:682, Meerdere afhandelingswijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:927, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Faillissement. Toepassing art. 69 Rv. Geslaagd hoger beroep tegen verbetering datum beschikking rechtbank (art. 31 Rv). Ontvankelijkheid cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/3031
INS-Updates.nl 2021-0324
RvdW 2021/1108
NJ 2021/364
JBPr 2022/18 met annotatie van Harryvan, G.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00372

Datum 12 november 2021

ARREST

In de zaak van

[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: [verzoekster],

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

BLOSAN VASTGOED .B.V.,
gevestigd te Oosterbeek,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Blosan,

advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak 377521 / FTRK 20/961 van de rechtbank Gelderland van 4 november 2020 en het herstelvonnis in die zaak van 30 november 2020;

  2. de beschikking in de zaken 200.285.694 en 200.287.641 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2021.

[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Blosan heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep, althans tot verwerping daarvan.

[verzoekster] heeft verzocht het beroep op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.

Het cassatierekest en het verweerschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen rov. 3.1 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2021 met zaaknummer 200.287.641 en voor het overige tot verwerping.

De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak heeft Blosan verzocht [verzoekster] failliet te verklaren. Bij beschikking, gedateerd 4 november 2020, heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Bij herstelvonnis van 30 november 2020 heeft de rechtbank op telefonisch verzoek van de advocaat van [verzoekster] op de voet van art. 31 Rv de beschikking aldus verbeterd dat zowel de datum van de mondelinge behandeling, als de datum van de beschikking is gewijzigd in 3 november 2020. De rechtbank heeft Blosan daarover niet gehoord.

2.2

Blosan heeft hoger beroep ingesteld tegen zowel de beschikking als het herstelvonnis, wat betreft het herstelvonnis onder het aanvoeren van een doorbrekingsgrond. In het hoger beroep tegen het herstelvonnis heeft het hof de appeldagvaarding op de voet van art. 69 Rv aangemerkt als beroepschrift en dit beroep ontvankelijk geoordeeld en gegrond bevonden wat betreft de datum van de beschikking, met als uitkomst dat het hof ervan uitgaat dat de beschikking op 4 november 2020 is gegeven. Het hof heeft het op 12 november 2020 ingestelde hoger beroep tegen de beschikking daarom ontvankelijk geacht en [verzoekster] alsnog failliet verklaard.1

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2.1-I van het middel is gericht tegen de beslissing de appeldagvaarding tegen het herstelvonnis aan te merken als een beroepschrift. Het betoogt dat het hof dit niet had mogen doen zonder een bevel te geven als bedoeld in art. 69 lid 1 Rv.

3.1.2

Art. 69 lid 5 Rv bepaalt dat tegen een beslissing ingevolge de leden 1-4 van deze bepaling geen hogere voorziening openstaat. [verzoekster] heeft in dit verband geen doorbrekingsgrond aangevoerd. Zij is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.

3.2.1

Onderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat wat betreft de datum van de beschikking geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, zodat de datum van de beschikking ten onrechte is gewijzigd in 3 november 2020.

3.2.2

Ingevolge art. 31 lid 4 Rv staat tegen een beslissing op de voet van art. 31 Rv geen voorziening open. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof art. 31 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Wat het ter onderbouwing daarvan aanvoert komt echter erop neer dat het hof art. 31 Rv wel heeft toegepast, maar onjuist. De gestelde doorbrekingsgrond doet zich dus niet voor.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart [verzoekster] met betrekking tot onderdeel 2.1-I niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 12 november 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:687.