Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:163

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
20/00353
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1123
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:242
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Moord in Molenschot in 2015 door ander meermalen met vuurwapen door het hoofd te schieten, art. 289 Sr. 1. Overschrijding redelijke termijn in h.b. 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR: Op redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: ’s Hofs uitgangspunt dat zaak in h.b. binnen 2 jaar behoorde te zijn afgerond, getuigt van onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat verdachte t.t.v. instellen h.b. was gedetineerd i.v.m. de zaak. Voorts heeft hof volstaan met enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6.1 EVRM en geen aanleiding gezien om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden op de grond dat wanneer strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu deze omstandigheid geen bijzondere omstandigheid oplevert die rechtvaardigt dat wordt volstaan met enkele vaststelling dat redelijke termijn is overschreden en redelijke termijn in h.b. met (afgerond) 14 maanden is overschreden. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf te verminderen.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 763 dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar. HR zal ‘s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen en zelf duur van gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0014
RvdW 2021/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00353

Datum 2 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 januari 2020, nummer 20-002284-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en voor zover het hof bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer gijzeling heeft toegepast voor de duur van 763 dagen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen aanleiding geeft tot strafvermindering.

3.2

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 30 tot en met 34.

3.3

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. Aangenomen moet worden dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 22 jaren.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 763 dagen gijzeling.

4.2

Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar.

4.3

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer;

- vermindert de duur van deze gevangenisstraf in die zin dat deze 21 jaren en 6 maanden beloopt;

- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv de gijzeling op 763 dagen heeft bepaald, dient te worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van één jaar;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2021.