Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1624

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-11-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
18/04784
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:755
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:5442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben busjes pepperspray (art. 26.1 WWM) en valsheid in geschrift m.b.t. uitkeringsformulieren en salarisspecificatie (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht t.a.v. voorhanden hebben busjes pepperspray. Zijn busjes pepperspray bestemd voor het treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof? 2. Schending nemo tenetur-beginsel door aan bewezenverklaring van valsheid in geschrift mede ten grondslag te leggen dat verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit strafbare feiten? 3. Specialiteit in de zin van art. 55.2 Sr. Moet art. 227b Sr worden aangemerkt als bijzondere strafbepaling t.o.v. art. 225.1 Sr?

Ad 1. Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof a.b.i. art. 2.1.II.6 WWM zijn voorwerpen die naar hun aard bestemd zijn voor het treffen van personen met een dergelijke stof (vgl. t.a.v. art. 2.1.II.7 WWM, HR:2009:BG7763). Opvatting dat uitsluitend sprake kan zijn van een voorwerp a.b.i. art. 2.1.II.6 WWM als is vastgesteld dat het tlgd. voorwerp een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof bevat, is onjuist. Het gaat er immers om of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een dergelijke stof. De enkele omstandigheid dat een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat die bestemming ontbreekt. In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering volgt dat op elk van de aangetroffen busjes was vermeld dat het “pepperspray/(Oleoresin) Capsicum” betrof, en verdachte en zijn vrouw ieder hebben verklaard dat zij ter bescherming deze busjes pepperspray voorhanden hadden, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Dat op een van de op 16-12-2011 aangetroffen busjes als houdbaarheidsdatum 31-12-2010 is vermeld, doet daaraan niet af.

Ad 2. Blijkens de bewijsvoering heeft verdachte, toen hij aanspraak maakte op een uitkering ex WWB, in de daarbij vereiste “inkomensverklaring WWB” telkens op de vraag of hij inkomsten genoot als antwoord “Neen” opgegeven, terwijl verdachte op dat moment wel inkomsten genoot, zodat de gegeven antwoorden in strijd met de waarheid waren. De enkele omstandigheid dat hof in de bewijsvoering daarbij tot uitdrukking heeft gebracht dat die inkomsten mede “inkomsten uit criminele activiteiten en het witwassen van gelden” betroffen, brengt niet met zich dat het recht van verdachte om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis is ontdaan.

Ad 3. Opvatting dat strafbepaling van art. 227b Sr zich t.o.v. art. 225.1 Sr, waarop het tlgd. is toegesneden, verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling, in die zin dat in een geval als het onderhavige uitsluitend art. 227b Sr mag worden toegepast, is onjuist. Art. 227b Sr bevat niet alle bestanddelen van art. 225.1 Sr, terwijl wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten bevat voor opvatting dat art. 227b Sr niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55.2 Sr.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0342
RvdW 2021/1082
NJ 2021/391 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04784

Datum 2 november 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2018, nummer 20/002677-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen, en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring onder 2 ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat de verdachte zes busjes “pepperspray (...) zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof” voorhanden heeft gehad.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 16 december 2011 te [plaats] 6 busjes pepperspray (merk ProTect en/of Life Guard KKS), zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal terechtzitting van het gerechtshof d.d. 12 oktober 2018, inhoudende als verklaring van de verdachte:

(p. 2)

De ten laste gelegde busjes pepperspray heb ik op 16 december 2011 te [plaats] voorhanden gehad.

2. Het ambtsedig proces-verbaal doorzoeking woning d.d. 16 december 2011 (pagina’s 30 tot en met 32 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op 16 december 2011 werd op het adres [a-straat 1] in [plaats] een zoeking gedaan op grond van de Wet wapens en munitie. Op het adres [a-straat 1] in [plaats] staan ingeschreven:

[verdachte], [geboortedatum]-1967

[betrokkene 1], [geboortedatum]-1975

en drie kinderen.

In de woning werden de volgende goederen aangetroffen en in beslaggenomen:

- Op een fotolijst in de hal, naast de voordeur, lag bovenop een busje pepperspray.

- Bovenop de kledingkast in de slaapkamer van de bewoners [verdachte] en [betrokkene 1] lagen in een doos twee busjes pepperspray, merk (het hof begrijpt mede in combinatie gezien met de foto op p. 57) Pro tect.

- In de kast stond een handtas, met hierin twee bussen pepperspray, merk (het hof begrijpt mede in combinatie gezien met de foto op p. 57) Pro tect.

- In de slaapkamer van zoon [betrokkene 2] een busje pepperspray, merk Life-Guard.

3. Het ambtsedig proces-verbaal onderzoek met betrekking tot de Wet wapens en munitie d.d. 23 januari 2012 (pagina’s 54 tot en met 63 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

(pagina 54)

Mij werd als materiedeskundige werkzaam bij het Regionaal Bureau Wapens en Munitie een onderzoek ingesteld naar diversen voorwerpen met betrekking tot de Wet wapens en munitie. De wapens waren op 16 december 2011 aangetroffen en in beslaggenomen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats].

In het onderzoek werd als verdachte aangemerkt:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats].

(pagina 57)

3. omschrijving goednummer 196665 en 196640

De voorwerpen betreffen vier spuitbusjes, met onder andere als opschrift: ProTect, Pfeffer-Spray, “enthalt 3% Reizstoff Capsicum”.

Door mij werd met de busjes geschud waarbij mij bleek dat het busje (het hof begrijpt: de busjes) kennelijk deels gevuld was (hof: waren). De voornoemde peppersprays werden aangetroffen in de slaapkamer van verdachte [verdachte].

Gezien het bovenstaande en het feit dat de werkzame stof in zogenaamde pepperspray “Oleoresin Capsicum” betreft, kan worden gesteld dat genoemd busje vermoedelijk een voorwerp is, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof.

Het genoemde voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

(pagina 58)

4. omschrijving goednummer 196657 en 196655

De voorwerpen betreffen twee spuitbusjes. Op de verpakking staat onder meer vermeld Life-Guard KKS, Pfeffer-spray. Op de busjes stond onder andere vermeld Inhalt: 10% Oleoresin Capsicum.

Door mij werd met de busjes geschud waarbij mij bleek dat het busje (het hof begrijpt: de busjes) kennelijk deels gevuld was (hof: waren).

De voornoemde peppersprays werden aangetroffen: één in de slaapkamer van [betrokkene 2] en één in de hal bij de voordeur.

Gezien het bovenstaande en het feit dat de werkzame stof in zogenaamde pepperspray “Oleoresin Capsicum” betreft, kan worden gesteld dat genoemd busje vermoedelijk een voorwerp is, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof.

Het genoemde voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 augustus 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(p. 3)

Ik had wel busjes pepperspray. Ik had ze uit zelfbescherming omdat er in het verleden iets is gebeurd.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2011 (pagina’s 71 tot en met 76 van het politiedossier A), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1]:

(pagina 75)

De pepperspray heb ik van mijn man gekregen zodat ik mijn kinderen kan beschermen.”

2.2.3.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de bij verdachte aangetroffen busjes daadwerkelijk pepperspray bevatten. Bovendien was van twee busjes de houdbaarheidsdatum verstreken op het moment dat deze door de politie werden aangetroffen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het politiedossier met registratienummer PL 1950-2011087811 bevindt zich op p. 54 e.v. een proces-verbaal ‘onderzoek voorwerp met betrekking tot de Wet Wapens en Munitie’ van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie dat is opgesteld door verbalisant [verbalisant 2], materiedeskundige.

In dat proces-verbaal is op p. 59 gerelateerd dat op het busje met goednummer 196658 is vermeld dat er CS-gas in zou zitten. Uit openbare bronnen op internet volgt dat CS-gas een andere benaming is voor een traangas (met als werkzame bestanddeel ortho-chloorbenzylideenmalononitril) niet zijnde pepperspray. Gelet op de tekst van de tenlastelegging (het voorhanden hebben van busjes pepperspray) dient verdachte in zoverre dan ook te worden vrijgesproken. Het verweer ten aanzien van de houdbaarheidsdatum van het desbetreffende busje behoeft dan ook geen bespreking.

Van de overige zes aangetroffen busjes is in het proces-verbaal gerelateerd dat:

- op elk busje (in het Duits) was vermeld dat er pepperspray/(Oleoresin) Capsicum inzat;

- elk busje in ieder geval deels was gevuld;

- pepperspray een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof betreft;

- elk busje dient te worden aangemerkt als een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.

Uit de verklaringen over de aangetroffen pepperspray van verdachte (‘Ik had wel busjes pepperspray (...) Ik had ze uit zelfbescherming omdat er in het verleden iets is gebeurd’; proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op 14 augustus 2014, p. 3) en de vrouw van verdachte (‘Die [pepperspray] heb ik van mijn man gekregen. Zodat ik mijn kinderen kan beschermen’; p. 75 van genoemd politiedossier), leidt het hof af dat verdachte en zijn vrouw er van uitgingen dat de busjes daadwerkelijk werkzame pepperspray bevatten.

Dat op één van de zes busjes als houdbaarheidsdatum stond vermeld 31-12-2010 maakt niet dat ten tijde van het aantreffen van dat busje op 16 december 2011 niet meer sprake was van pepperspray met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende werking.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het (...) tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen zoals hiervoor onder Bewezenverklaring vermeld.”

2.3

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 26 lid 1 in verbinding met artikel 2 lid 1, categorie II onder 6°, van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende uitdrukking ‘voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof’ is gebruikt in de betekenis die deze uitdrukking heeft in artikel 2 lid 1, categorie II onder 6°, WWM, namelijk dat de voorwerpen naar hun aard bestemd zijn voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof (vgl. ten aanzien van artikel 2 lid 1, categorie II onder 7°, WWM HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7763).

2.4

Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat uitsluitend sprake kan zijn van een voorwerp als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 6°, WWM als is vastgesteld dat het tenlastegelegde voorwerp een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof bevat, faalt het, omdat die opvatting onjuist is. Het gaat er immers om of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. De enkele omstandigheid dat een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat die bestemming ontbreekt.

2.5

In aanmerking genomen dat uit de hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsvoering volgt dat op elk van de aangetroffen busjes was vermeld dat het “pepperspray/(Oleoresin) Capsicum” betrof, en de verdachte en zijn vrouw ieder hebben verklaard dat zij ter bescherming deze busjes pepperspray voorhanden hadden, is de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte zes “busjes pepperspray (...) zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof” voorhanden heeft gehad, toereikend gemotiveerd. Dat op een van de op 16 december 2011 aangetroffen busjes als houdbaarheidsdatum 31 december 2010 is vermeld, doet daaraan niet af.

2.6

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt allereerst dat het hof het onder meer in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vervatte nemo tenetur-beginsel heeft geschonden door aan de bewezenverklaring onder 9 mede ten grondslag te leggen dat de verdachte ten onrechte geen melding heeft gemaakt van inkomsten uit strafbare feiten.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 9 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 september 2014 te [plaats] meermalen uitkeringsformulieren WWB en eenmaal een salarisspecificatie, – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte telkens valselijk informatie in betreffende documenten opgenomen die in strijd zijn met de waarheid en/of bewust bepaalde informatie omtrent zijn, verdachtes, inkomsten en/of vermogen niet heeft vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”

3.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:

“Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2014 (pagina’s 1-12 van het politiedossier E, met bijlagen), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

(p. 1)

Verdachte 1:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboren: te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967

Verdachte 2:

Naam: [betrokkene 1]

Voornaam: [betrokkene 1]

Geboren: te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975

(p. 3)

De jaren 2006 en 2007 hebben betrekking op de periode dat de verdachten een uitkering ontvingen naar de norm gehuwden.

(p. 8)

Inkomstenverklaringen WWB

Deze formulieren zijn bestemd om tot bewijs te dienen, dat geen andere werkzaamheden werden verricht en geen andere inkomsten werden genoten, dan die welke eventueel werden opgegeven op genoemde formulieren. Uit die formulieren blijkt dat zich geen wijzigingen en/of omstandigheden hebben voorgedaan, welke eventueel van invloed kunnen zijn op het uit te keren bedrag, immers wordt de grootte en/of het recht op uitkering bepaald aan de hand van de gegevens, welke vermeld staan op die formulieren.

(p. 9)

Uitkering verdachte [verdachte] en verdachte [betrokkene 1]

Voor wat betreft de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 kan het volgende gesteld worden:

Ten tijde van de aanvraag op 14 juni 2004 heeft verdachte [verdachte] en/of verdachte [betrokkene 1] geen vermogen opgegeven.

Verdachte [verdachte] verklaart dat hij op 8 en 9 januari 2006 in het Holland Casino te Breda een bedrag van € 45.000,00 of € 46.000,00 gewonnen heeft.

Op 1 januari 2006 gold een vrij te laten bescheiden eigen vermogen van € 10.360,00. Het vrij te laten bescheiden eigen vermogen is hiermede met € 45.000,00 -/- € 10.360,00 = € 34.640,00 overschreden.

Deze inkomsten uit gokken hebben beide verdachten op geen enkele wijze opgegeven aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats]. Ook niet op de door hen maandelijks ingevulde, ondertekende en ingeleverde "inkomstenverklaring WWB”. Zij hebben bij vraag nummer 9:

“Heeft u in deze periode inkomsten, vermogen of een uitkering anders dan die van Sociale Zaken ontvangen? (bv. Loon, inkomsten als zelfstandige/freelancer, uit kamerverhuur/kostganger, alimentatie/WW, AAW/WAO, ZW, pensioen, AOW, studiebeurs, erfenis, loterij, stagevergoeding, verzekeringsuitkering etc.)”, beiden het vakje “Neen” aangekruist.

Uit de opgestelde kasopstellingen door de financiële recherche van de politie Zeeland West-Brabant blijkt, dat het gezin [verdachte]-[betrokkene 1] in de jaren 2006 en 2007 meer hebben uitgegeven dan dat er besteedbaar was.

Van het hebben van criminele inkomsten en het witwassen van gelden hebben beide verdachten op geen enkele wijze melding gemaakt aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats]. Ook niet op de door hen maandelijks ingevulde, ondertekende en ingeleverde “inkomstenverklaring WWB”.

Door het verzwijgen van de gokwinsten in het Holland Casino te Breda en de criminele inkomsten en witwassen van gelden heeft de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [plaats] het recht op uitkering over de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 niet kunnen vaststellen.

Op grond van artikel 54 lid 3 Wet Werk en Bijstand (Wwb) is het recht op uitkering

met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken.

(p. 11)

PLEEGPLAATS:

Uit het onderzoek blijkt dat de genoemde formulieren zijn ingevuld en ondertekend te [plaats].

FRAUDEPERIODE

Blijkens het voornoemde onderzoek hebben verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] gedurende de periode 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 ingevolge de Wwb vermoedelijk ten onrechte uitkering genoten. Op de gedurende deze periode ingeleverde formulieren, totaal twintig (20) (hof: de betreffende formulieren zijn te vinden op p. 36-44, 46-49 en 51-57 van politiedossier E en zijn opgenomen als bijlage 3 bij deze aanvulling bewijsmiddelen), zag ik, verbalisant, dat geen melding was gemaakt van het vermogen, dat het vrij te laten bescheiden eigen vermogen overschreed en met betrekking tot het verzwijgen van de inkomsten uit het gokken, inkomsten uit criminele activiteiten en het witwassen van gelden.

BEREKENING SCHADEBEDRAG

Door de handelwijze van de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] is voor de gemeente [plaats] over de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 december 2007 een nadeel ontstaan van totaal € 37.342,89 bruto.”

3.3

Blijkens de bewijsvoering heeft de verdachte, toen hij aanspraak maakte op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, in de daarbij vereiste “inkomensverklaring WWB” telkens op de vraag of hij – kort gezegd – inkomsten genoot als antwoord “Neen” opgegeven, terwijl de verdachte op dat moment wel inkomsten genoot, zodat de gegeven antwoorden in strijd met de waarheid waren. Anders dan het cassatiemiddel betoogt, brengt de enkele omstandigheid dat het hof in de bewijsvoering daarbij tot uitdrukking heeft gebracht dat die inkomsten mede “inkomsten uit criminele activiteiten en het witwassen van gelden” betroffen, niet met zich dat het recht van de verdachte om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis is ontdaan.

3.4

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3.5

Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), terwijl ten opzichte van die bepaling artikel 227b Sr als een bijzondere strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr moet worden aangemerkt.

3.6

Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Artikel 55 lid 2 Sr:

“Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”

- Artikel 225 lid 1 Sr:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

- Artikel 227b Sr:

“Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

3.7

De klacht berust op de opvatting dat de strafbepaling van artikel 227b Sr zich ten opzichte van artikel 225 lid 1 Sr, waarop het onder 9 tenlastegelegde is toegesneden, verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling, in die zin dat in een geval als het onderhavige uitsluitend artikel 227b Sr mag worden toegepast. Deze opvatting is onjuist. Artikel 227b Sr bevat niet alle bestanddelen van artikel 225 lid 1 Sr, terwijl de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 64 tot en met 66, geen aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat artikel 227b Sr niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr.

3.8

Ook in zoverre faalt het cassatiemiddel.

4 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden.

5 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 26 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2021.