Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2021
Datum publicatie
29-10-2021
Zaaknummer
20/01633
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:242, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:698, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Zuivere aanvaarding van de nalatenschap door gedragingen van de erfgenaam? Art. 4:192 lid 1 (oud) BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2894
ERF-Updates.nl 2021-0321
RvdW 2021/1042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01633

Datum 29 oktober 2021

ARREST

In de zaak van

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

hierna: [eiseres],

advocaat: R.T. Wiegerink,

tegen

1. [verweerster 1],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: [verweerster 1],

niet verschenen,

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder 2],

advocaat: K. Aantjes.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/03/232352 / HA ZA 17-116 van de rechtbank Limburg van 10 mei 2017 en 20 september 2017;

  2. het arrest in de zaak 200.236.200/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 februari 2020.

[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder 2] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

[verweerster 1] heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor [verweerder 2] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging en verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de vraag of gedragingen van een van de erfgenamen moeten worden aangemerkt als daden van zuivere aanvaarding in de zin van art. 4:192 lid 1 (oud) BW.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader en moeder van [eiseres], [verweerster 1] en [verweerder 2] waren met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

(ii) Op 17 maart 2001 is vader overleden. Vader had over zijn nalatenschap beschikt door een ouderlijke boedelverdeling overeenkomstig art. 1167 BW (oud). Erfgenamen zijn moeder, [verweerster 1], [eiseres] en [verweerder 2]. Zij zijn ieder voor een kwart gerechtigd tot de nalatenschap.

(iii) Op 18 juli 2014 is moeder overleden. Zij heeft bij uiterste wil van 17 december 2009 over haar nalatenschap beschikt. [verweerster 1] en [verweerder 2] zijn tot haar enige erfgenamen benoemd.

(iv) [verweerder 2] heeft de kamer van moeder in het verzorgingstehuis ontruimd en de inboedel afgevoerd. [verweerder 2] heeft voorts in opdracht van moeder en ten laste van haar bankrekening een doos gebak van € 31,15 gegeven aan het personeel van het verzorgingstehuis en cadeaubonnen ter waarde van € 150,-- aan de alfahulp die moeder verzorgde.

(v) [verweerster 1] en [verweerder 2] hebben op 5 augustus 2014 een verklaring afgelegd strekkende tot beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap. [eiseres] heeft een beroep gedaan op haar legitieme portie inzake de nalatenschap van moeder.

2.3

[eiseres] vordert in deze procedure, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, te verklaren voor recht dat [verweerder 2] de nalatenschap van moeder zuiver heeft aanvaard en dat [verweerder 2] derhalve aansprakelijk is voor alle schulden van moeder respectievelijk de boedel van haar nalatenschap en in ieder geval voor de vordering van [eiseres] op moeder c.q. die nalatenschap ter zake van het haar toekomende erfdeel betreffende de nalatenschap van vader, alsmede voor de voldoening van de aan haar toekomende legitieme portie. [eiseres] vordert tevens [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van dat erfdeel en die legitieme portie.

2.4

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

2.5

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.1 Het hof heeft daartoe het volgende overwogen.

(a) Volgens [eiseres] is niet gesteld of gebleken dat de verwijderde inboedel geen waarde vertegenwoordigde, er is zelfs geen beschrijving van die inboedel opgesteld of overgelegd. [eiseres] stelt voorts dat [verweerder 2] delen van de inboedel aan anderen te koop heeft aangeboden en dat [verweerder 2] door moeder nagelaten sieraden aan [verweerster 1] heeft aangeboden. [eiseres] heeft verwezen naar verklaringen van een zoon van [verweerster 1] inhoudende dat [verweerder 2] aan hem een zo goed als nieuwe televisie van moeder heeft aangeboden en een verklaring van [verweerster 1] dat [verweerder 2] de trouwringen die moeder droeg aan [verweerster 1] heeft aangeboden (rov. 3.5.3).

(b) [verweerder 2] heeft de verklaringen van de zoon van [verweerster 1] en van [verweerster 1] betwist. Volgens [verweerder 2] heeft hij nooit een televisie aan de zoon van [verweerster 1] aangeboden en was de televisie van moeder stuk. De trouwringen waren er niet, vader had zijn trouwring ruim tien jaar voor zijn overlijden verloren. [verweerder 2] heeft zich beroepen op een brief van de boedelnotaris inhoudende dat [verweerder 2] met de gedwongen ontruiming van de kamer in het verzorgingstehuis heeft gehandeld in het kader van beheer ten behoeve van de boedel en dat uit zijn handelingen niet moet worden geconcludeerd dat hij de nalatenschap heeft aanvaard (rov. 3.5.4).

(c) In het licht van hetgeen [verweerder 2] heeft aangevoerd en de omstandigheid dat in de ontwerp-rekening en verantwoording die op 30 juli 2015 is opgesteld door de boedelnotaris de waarde van de inboedel is geschat op € 0,-- en geen melding wordt gemaakt van een televisie of sieraden, lag het op de weg van [eiseres] om haar stelling dat [verweerder 2] met het leeghalen van de kamer van moeder en het verwijderen van de inboedel de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, nader te onderbouwen. De verklaringen van [verweerster 1] en haar zoon zijn daartoe niet voldoende. Ook is niet voldoende dat, zoals [eiseres] heeft gesteld, de inboedel door [verweerder 2] deels is afgegeven aan een kringloopwinkel en deels is gedeponeerd bij een milieudepot. Dat [verweerder 2] een deel van de inboedel voor zich heeft behouden anders dan ter opslag, heeft [eiseres] niet onderbouwd. Nu [eiseres] haar stelling niet voldoende heeft onderbouwd, is bewijslevering niet aan de orde (rov. 3.5.5).

(d) Dat [verweerder 2] heeft beschikt over de bankrekening van moeder door ten laste daarvan het gebak voor het personeel van het verzorgingstehuis en de cadeaubonnen voor de alfahulp te betalen, geldt niet als daad van zuivere aanvaarding. [eiseres] heeft niet betwist dat [verweerder 2] in opdracht van moeder gebak heeft geleverd voor het verzorgend personeel van het verzorgingstehuis en de alfahulp voor € 150,-- cadeaubonnen heeft gegeven (rov. 3.5.5).

3 Beoordeling van het middel

3.1.1 Onderdeel 1.4 van het middel acht het hiervoor in 2.5 onder (d) weergegeven oordeel van het hof onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat een erfgenaam een bij leven gegeven opdracht van de erflater kan uitvoeren na overlijden van de erflater, zonder dat dit zuivere aanvaarding oplevert.

3.1.2 Een erfgenaam die de nalatenschap niet verwerpt kan deze zuiver aanvaarden of aanvaarden ‘onder het voorrecht van boedelbeschrijving’ (hierna: beneficiaire aanvaarding) (art. 4:190 lid 1 BW). De erfgenaam die zuiver aanvaardt, is verplicht de schulden van de nalatenschap voor zover ze op hem rusten, ten laste van zijn overig vermogen te voldoen (art. 4:184 lid 2, onder a, BW). Beneficiaire aanvaarding heeft tot gevolg dat de erfgenaam niet met zijn gehele vermogen voor de schulden van de nalatenschap aansprakelijk is en dat de nalatenschap als afgescheiden vermogen moet worden vereffend (art. 4:202 lid 1 BW). De keuze kan uitdrukkelijk worden gedaan door het afleggen van een verklaring (art. 4:191 lid 1 BW). Zuivere aanvaarding van de nalatenschap kan ook worden afgeleid uit gedragingen van de erfgenaam met betrekking tot de nalatenschap (art. 4:192 lid 1 BW). Als de nalatenschap door gedragingen zuiver is aanvaard, sorteert een later afgelegde verklaring strekkende tot beneficiaire aanvaarding geen effect (art. 4:190 lid 4 BW), behoudens het in art. 4:194 lid 2 BW genoemde geval.

3.1.3 In dit geval is art. 4:192 lid 1 (oud) BW van toepassing zoals het luidde van 1 januari 2003 tot 1 september 2016:

“Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.”

3.1.4 Zuivere aanvaarding is, ook als deze wordt afgeleid uit gedragingen, een rechtshandeling en vereist dus een op dat rechtsgevolg gerichte wil. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval.2 In de parlementaire geschiedenis van art. 4:192 lid 1 (oud) BW is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wél sprake indien de erfgenaam over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt.3

3.1.5 Uit gedragingen van een erfgenaam mag niet te snel worden afgeleid dat deze de bedoeling heeft de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Dat volgt niet alleen uit de tekst van art. 4:192 lid 1 (oud) BW (‘ondubbelzinnig en zonder voorbehoud’) en de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, maar houdt ook verband met de potentieel verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding voor de desbetreffende erfgenaam en de omstandigheid dat erfgenamen die belast zijn met het regelen van de praktische gevolgen van het overlijden van een naaste op die verstrekkende gevolgen niet steeds bedacht zullen zijn. Terughoudende toepassing van art. 4:192 lid 1 (oud) BW strookt voorts met het motief dat ten grondslag ligt aan de wijziging van deze bepaling per 1 september 2016.4 Uit de parlementaire geschiedenis van die wetswijziging blijkt dat de wetgever het problematisch achtte dat veel onduidelijkheid bestond over de vraag welke handelingen leiden tot zuivere aanvaarding, dat soms te snel werd aangenomen dat sprake is van zuivere aanvaarding door een erfgenaam die daarop niet bedacht is en dat handelingen die erfgenamen kort na het overlijden soms noodgedwongen moeten verrichten (zoals het ontruimen van de woning van de erflater) in de rechtspraak soms zijn aangemerkt als zuivere aanvaarding, terwijl juist van belang is dat erfgenamen een bewuste keuze maken om een nalatenschap al dan niet (zuiver) te aanvaarden.5

3.1.6 In het licht van het bovenstaande geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting het oordeel van het hof dat [verweerder 2], door in opdracht van moeder ten laste van de nalatenschap € 31,15 te besteden aan gebak voor het personeel van het verzorgingstehuis en € 150,-- aan cadeaubonnen voor de alfahulp, zich niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen. Het oordeel is ook zonder nadere motivering begrijpelijk. Onderdeel 1.4 faalt daarom.

3.2.1 De onderdelen 1.1 tot en met 1.3 bestrijden met diverse klachten het hiervoor in 2.5 onder (c) weergegeven oordeel.

3.2.2 Onderdeel 1.1 faalt voor zover het klaagt dat het hof heeft miskend dat het leeghalen van de woning van de erflater en het aanbieden van de inboedel aan een kringloopwinkel een gedraging oplevert waaruit de bedoeling blijkt om de nalatenschap zuiver te aanvaarden, ongeacht de waarde van de inboedel. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.5 is overwogen kan het (doen) afvoeren van (delen van) een inboedel van de erflater zonder reële economische waarde naar een kringloopwinkel of milieudepot niet worden aangemerkt als een daad van zuivere aanvaarding.6

3.2.3 De onderdelen 1.1 tot en met 1.3 klagen voorts dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eiseres] en dat het hof niet had mogen voorbijgaan aan haar bewijsaanbod.

3.2.4 [eiseres] heeft gesteld dat [verweerder 2] heeft beschikt over de televisie en sieraden van moeder, door deze aan te bieden aan respectievelijk de zoon van [verweerster 1] en aan [verweerster 1]. Zij heeft verklaringen van [verweerster 1] en haar zoon overgelegd die steun bieden aan deze stellingen. Het oordeel van het hof dat [eiseres] hiermee deze stelling niet voldoende heeft onderbouwd, is niet begrijpelijk. De verklaring van de boedelnotaris, waar het hof naar verwijst, heeft geen betrekking op de juistheid van de stellingen van [eiseres] over de televisie en sieraden. In aanmerking genomen dat de ontwerp-rekening en verantwoording dateert van meer dan een jaar na het overlijden van moeder, kan het feit dat daarin geen televisie en sieraden zijn opgenomen, evenmin bijdragen aan het oordeel dat [eiseres] haar stelling niet voldoende heeft onderbouwd en dat zij daarom niet wordt toegelaten tot het leveren van het door haar aangeboden getuigenbewijs. De hierop gerichte klachten van de onderdelen 1.1 tot en met 1.3 slagen daarom. De overige klachten van deze onderdelen behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 februari 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 29 oktober 2021.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:698.

2 HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1284 (Koperen Pan), rov. 3.4.2.

3 HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, rov. 3.4.3, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.

4 Wet van 8 juni 2016 tot wijziging van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek om erfgenamen beter te beschermen tegen schulden van de erflater (Wet bescherming erfgenamen tegen schulden), Stb. 2016, 226.

5 Kamerstukken II 2014/15, 34224, nr. 3, p. 1, 5; Kamerstukken II 2015/16, 34224, nr. 5, p. 1.

6 Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34224, nr. 3, p. 10.