Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:158

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
20/02874
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1149, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Art. 6:4 Wvggz. Rechtbank heeft in zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg opgenomen ('insluiten'), waar de officier van justitie niet om had verzocht. Klachten over de toelaatbaarheid hiervan, mede in het licht van art. 23 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0027
NJB 2021/434
RvdW 2021/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02874

Datum 29 januari 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,

hierna: officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/17/173098/BZ 20-459 van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2020.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak is aan de orde of de rechter een zorgmachtiging op de voet van art. 6:4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) mag verlenen voor meer vormen van verplichte zorg dan door de officier van justitie verzocht.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft aan de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de volgende vormen van verplichte zorg, elk voor de duur van zes maanden:

- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

- opnemen in een accommodatie.

(ii) Tijdens de mondelinge behandeling zijn de zorgverantwoordelijke psychiater en betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.

(iii) In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer als verklaring van de zorgverantwoordelijke psychiater vermeld:

Psychiater:

Naar aanleiding van vragen van de rechter wil ik aangeven dat de zorgvorm van insluiten per abuis niet als verplichte vorm van zorg is gevorderd in het verzoekschrift. Dit had wel gemoeten. De zorgvorm van insluiten en toezicht hoort bij elkaar en we willen voor beide de mogelijkheid houden om toe te passen in het geval van opname.”

2.3

De rechtbank heeft een zorgmachtiging voor betrokkene verleend voor de duur van zes maanden tot en met 16 december 2020 voor de verzochte vormen van verplichte zorg, aangevuld met de vorm van verplichte zorg ‘insluiten’. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.17. De rechtbank is verder van oordeel dat naast de in het verzoekschrift gevorderde vormen van verplichte zorg ook het ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden. Dit in aanvulling op het zorgplan en hetgeen door de geneesheer-directeur in de bevindingen is opgenomen. Blijkens het verzoekschrift, het zorgplan en hetgeen door de zorgverantwoordelijke op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is namelijk het uitoefenen van toezicht tijdens een klinische opname noodzakelijk gebleken. Door de zorgverantwoordelijke is op de mondelinge behandeling aangegeven dat deze zorgvorm samenhangt met de zorgvorm insluiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zorg in de vorm van insluiten noodzakelijk is in geval van opname in een accommodatie en zal deze verplichte zorgvorm dan ook toewijzen.

De in het zorgplan genoemde zorg zal naar het oordeel van de rechtbank het ernstig nadeel dan ook niet voldoende kunnen wegnemen. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat er een extra vorm van verplichte zorg dient te worden verleend, te weten insluiten. De rechtbank bepaalt dat het zorgplan dienovereenkomstig dient te worden gewijzigd.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 3 van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank buiten de grenzen van het verzoek van de officier van justitie is getreden door ook ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen. Door zonder navraag bij de officier van justitie op verzoek van de behandelend psychiater een dwingende zorgvorm als ‘insluiten’ toe te voegen, heeft de rechtbank de grondslag van het verzoekschrift verlaten, hetgeen rechtens ontoelaatbaar is en strijdig met het recht van betrokkene op een eerlijk proces ter waarborging van haar rechten op grond van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, en lid 4 EVRM, aldus het onderdeel.

3.2

Op de procedure bij de rechter over de zorgmachtiging zijn op grond van art. 6:1 lid 10 Wvggz in aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit, de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. Uit art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met art. 23 Rv vloeit voort dat het de rechter niet vrijstaat om meer toe te wijzen dan verzocht, tenzij de Wvggz anders bepaalt.1

3.3

Art. 6:4 lid 2 Wvggz bepaalt dat indien de rechter van oordeel is dat aan de criteria voor verplichte zorg is voldaan maar met de in het zorgplan of de medische verklaring opgenomen zorg het ernstig nadeel niet kan worden weggenomen, hij in de zorgmachtiging in afwijking van het zorgplan andere verplichte zorg of doelen van verplichte zorg kan opnemen, alsmede in de zorgmachtiging kan bepalen dat een ander zorgplan moet worden opgesteld. Uit deze bepaling volgt niet dat de rechter in de zorgmachtiging andere vormen van verplichte zorg mag opnemen dan de officier van justitie heeft verzocht. Dat volgt ook niet uit enige andere bepaling van de Wvggz.

Op dit moment is een wetsvoorstel aanhangig waarin een wijziging van art. 6:4 lid 2 Wvggz is voorgesteld.2 Deze wijziging zal ertoe leiden dat de rechter vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging mag opnemen die niet door de officier van justitie zijn verzocht. Gelet op art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 15 lid 1 Grondwet is er geen grond om op deze wetswijziging vooruit te lopen.3

Op grond van art. 23 Rv geldt derhalve dat het de rechter niet vrijstaat om in de zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg op te nemen die niet door de officier van justitie is verzocht.

3.4

In deze zaak heeft de rechtbank op voorstel van de zorgverantwoordelijke psychiater in de zorgmachtiging ‘insluiten’ opgenomen als vorm van verplichte zorg. De officier van justitie heeft niet om deze vorm van verplichte zorg verzocht.

Gelet op het hiervoor in 3.2 en 3.3 overwogene stond het de rechtbank niet vrij om als vorm van verplichte zorg ‘insluiten’ in de zorgmachtiging op te nemen. Dit betekent dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2020;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 29 januari 2021.

1 HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.4.2.

2 Kamerstukken II 2020/21, 35667, nr. 2, p. 3.

3 Vgl. HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1891, rov. 3.1.3, met betrekking tot de wijziging van art. 26 lid 7 (oud) Wzd.