Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:156

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
19/02897
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2616
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1048
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen van geldbedragen van in totaal € 212.790, die verdachte heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, art. 420bis.1.b Sr. Zijn geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2352 m.b.t. bewijs van bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Hof heeft geoordeeld dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over herkomst van geldbedragen heeft gegeven. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat verdachte, ondanks door hem gedane toezeggingen, betreffende bankafschriften en kwitanties niet heeft overgelegd en niet heeft verzocht kwitanties aan dossier toe te voegen. Aldus heeft hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu die omstandigheden niet afdoen aan de door verdachte gegeven verklaring omtrent verkoop van motoren door A, waarna verdachte aflossingen van A zou hebben ontvangen, en inkomsten uit erfenis alsmede mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Dat wordt niet anders doordat bewaartermijnen van bank “mogelijk” zijn verstreken. Mede gelet op hetgeen hof in zijn overwegingen overigens heeft vastgesteld, is bewezenverklaring v.zv. inhoudend dat geldbedrag “afkomstig was uit enig misdrijf”, niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat ambtshalve in op vraag naar ontvankelijkheid van cassatieberoep i.v.m. ontbreken van schriftelijke bijzondere volmacht van advocaat aan griffiemedewerker. Samenhang met 19/02879 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0021 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJB 2021/512
RvdW 2021/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02897

Datum 2 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juni 2019, nummer 20-001096-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben A.B.E. van Kan en A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman Van Kan heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen het bewezenverklaarde witwassen van geldbedragen van in totaal € 212.790, die de verdachte heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 1 januari 2007 tot en 31 december 2010 in Nederland in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

2.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd met dien verstande dat het de laatste alinea van de bewijsoverwegingen van de rechtbank heeft vervangen door een eigen overweging. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof aldus het volgende overwogen:

“Inleiding

In de periode van 15 november 2007 tot en met 8 juni 2010 werden door de Financial Intelligence Unit Nederland aan de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland ten name van verdachte 11 verdachte transacties gemeld. Dit betroffen 9 contante stortingen, een money transfer en een girale overboeking.

Onverklaarde gelden

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte contante geldbedragen op zijn rekeningen heeft gestort. Dit betreft zowel de zakelijke bankrekening van verdachte als diverse privérekeningen van verdachte.

De zakelijke bankrekening

Op de zakelijke bankrekening ten name van [A] is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010, in totaal € 206.440,- contant gestort. Verdachte is vanaf 1 april 1981 directeur grootaandeelhouder van de onderneming [A]

Aan de hand van de omschrijvingen kunnen de tientallen contante stortingen worden onderverdeeld in 3 categorieën:

Omschrijving: Totaalbedrag:

Storting € 129.040,-

Storting huur € 16.000,-

Storting m.b.t. Harley € 61,400,-

Totaal € 206.440,-

De privérekeningen

Op de privérekeningen van verdachte is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010, in totaal € 20.350,- contant gestort.

De Money Transfer

Tot slot heeft verdachte op 24 december 2009 een Money Transfer verricht van € 2.000,-. Verdachte heeft € 2.000,- contant aangeboden met het doel dit bedrag over te maken naar een bankrekening ten name van zichzelf, [verdachte] , in de Verenigde Staten.

Tussenconclusie:

Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode in totaal (€ 206.440,- + € 20.350,- + € 2.000,- =) € 228.790,- aan contant geld op zijn zakelijke en zijn privérekeningen gestort.

Van verdachte zijn in de ten laste gelegde periode geen legale inkomstenbronnen bekend. Uit onderzoek door de FIOD is naar voren gekomen dat ten aanzien van verdachte bij de Belastingdienst over de jaren 2007 tot en met 2009 geen aan loonheffing onderworpen inkomsten bekend zijn. De spaartegoeden van verdachte waren in diezelfde jaren nihil dan wel negatief. Evenmin zijn bij de Belastingdienst met betrekking tot de onderneming [A] over de jaren 2007 tot en met 2009 omzetgegevens bekend. Sterker nog: volgens de accountant van verdachte was [A] een stilliggende vennootschap waarin geen activiteiten werden ontplooid. Dat laatste werd door verdachte ter zitting bevestigd.

Verdachte is eigenaar van het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zijn onderneming, [A] was in dat pand gevestigd. In dit pand werden op 14 december 2010 een ontmantelde hennepplantage en zakken met hennepresten aangetroffen. Door de verbalisanten wordt gerelateerd dat ook in 2001 en 2003 in hetzelfde pand hennepplantages werden aangetroffen. In 2006 werd een niet in werking zijnde hennepplantage aangetroffen.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd voor de illegale herkomst van de geldbedragen. Wel is in deze zaak sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van illegale inkomsten. Niet alleen omdat van verdachte geen legale inkomstenbronnen bekend zijn, terwijl hij wel grote geldbedragen contant heeft gestort, maar ook omdat in het bedrijfspand van verdachte aan de [a-straat 1] in [plaats] op meerdere momenten (resten van) een hennepplantage werd aangetroffen. Dit betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare verklaring geeft voor de legale herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven.

De verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van de geldbedragen

Op de zitting van 8 maart 2017 heeft verdachte - kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij legale inkomsten heeft gehad, te weten:

1. inkomsten uit twee hypothecaire geldleningen;

2. inkomsten uit de verhuur van zijn bedrijfspand aan de [a-straat 1] in [plaats] ;

3. ongeveer € 220.000,- uit een erfenis;

4. inkomsten uit de verkoop van motoren.

Inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand

Uit de stukken kan worden afgeleid dat verdachte inkomsten uit de verhuur van een pand heeft gehad. Dit blijkt uit de zich in het dossier bevindende huurovereenkomst, de verklaring die de huurder - [betrokkene 1] - daarover heeft afgelegd en de contante stortingen ad in totaal € 16.000,- op de bankrekening van verdachte met als omschrijving “huur”. Deze huurinkomsten zijn dan ook niet meegenomen in het totaalbedrag dat verdachte volgens het openbaar ministerie heeft witgewassen. Immers, de verhuuropbrengsten ad € 16.000,- zijn van het totaalbedrag van € 228.790,- afgetrokken, zodat een totaalbedrag van (€ 228.790,- -/- € 16.000,- =) € 212.790,- resteert.

Dat verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 79.200,- aan huurinkomsten heeft gehad, zoals de verdediging heeft bepleit, is niet aannemelijk geworden. Enerzijds kan dit niet uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften worden afgeleid, omdat de contante stortingen met als omschrijving “huur” beperkt zijn tot een bedrag van € 16.000,-. Anderzijds heeft verdachte de kwitanties die zijn verhaal, dat er meer stortingen bij zijn die betrekking hebben op huur, zouden kunnen onderbouwen, niet overgelegd. Evenmin is door de verdediging verzocht deze kwitanties, die zich volgens verdachte in een opslagloods bevinden waartoe hij geen toegang heeft omdat hij de huur al enige tijd niet heeft betaald, aan het dossier toe te voegen.

Inkomsten uit hypothecaire geldleningen en uit een erfenis

Op 8 juni 2010 vond een girale overboeking van € 123.650,- plaats op de privérekening van verdachte. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in 2010 een bedrag van € 135.000,- aan verdachte heeft geleend met als onderpand het bedrijfspand aan de [a-straat 1] in [plaats] . Dit blijkt ook uit een zich in het dossier bevindende hypotheekakte d.d. 4 juni 2010. Los van de vraag of verdachte over het gehele bedrag heeft kunnen beschikken, stelt de rechtbank vast dat deze girale overboeking niet is meegenomen in het totaalbedrag dat verdachte volgens het openbaar ministerie heeft witgewassen. Deze girale overboeking was enkel - na de contante stortingen en de Money Transfer die de jaren daarvoor al hadden plaatsgevonden - reden een onderzoek in te stellen.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat verdachte in 2008 een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 165.000,- heeft afgesloten met als onderpand het pand aan de [b-straat 1] in [plaats] . Na aftrek van de aflossingskosten, rente en BTW (19%) kon verdachte over een bedrag van € 39.434,97 beschikken. Tevens heeft verdachte in 2005 een winst gehad van € 134.585,- na de verkoop van een appartement dat hij heeft geërfd. Verdachte moet over dit bedrag nog € 81.390,63 aan belasting betalen. Dit heeft hij tot op heden niet gedaan.

Deze legale gelden zijn echter geen verklaring voor de vele contante stortingen op de bankrekening van verdachte. Deze gelden worden namelijk, normaal gesproken, via de notaris (giraal) overgemaakt op een bankrekening. Volgens verdachte zijn deze stortingen inderdaad giraal aan hem overgemaakt. Dat verdachte de erfenis op een Finse bankrekening heeft laten storten en geld van die rekening heeft opgenomen dan wel in Finland is gaan opnemen, is onaannemelijk zonder nadere onderbouwing. Kort en goed: dat de contante stortingen (deels) afkomstig zouden zijn uit inkomsten uit een hypothecaire geldlening of de verkoopwinst waarover verdachte kon beschikken, is niet te verifiëren.

Inkomsten uit de verkoop van motoren

De verklaring van verdachte dat een groot deel van de contante stortingen betrekking had op de verkoop van motoren, heeft verdachte, ondanks herhaalde toezeggingen daartoe, op geen enkele wijze onderbouwd. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren aangegeven over stukken te beschikken die zijn verhaal kunnen onderbouwen. Deze stukken heeft hij echter, ondanks meerdere gelegenheden daartoe, tot op heden niet overgelegd. Sterker nog: ook nadat het gerechtshof de zaak heeft terugverwezen, heeft verdachte geen stukken overgelegd die zijn inkomsten uit de verkoop van motoren zou kunnen onderbouwen. Op zitting heeft hij slechts aangegeven dat deze stukken zich in dezelfde opslagruimte bevinden als de kwitanties van de huurinkomsten.

Het hof stelt vast dat in de ten laste gelegde periode van de verdachte geen legale inkomsten bekend waren, terwijl hij wel grote bedragen contant heeft gestort op meerdere bankrekeningen. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat daar tegenover ook grote contante opnames stonden, maar deze stellingen zijn niet concreet of onderbouwd en dus niet verifieerbaar gebleken, terwijl van verdachte mag worden verwacht dat hij in de gegeven omstandigheden een concrete, min of meer verifieerbare verklaring geeft voor de legale herkomst van de gestorte contante gelden, die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer ter zijde kan worden geschoven. Ondanks meerdere toezeggingen van verdachte in dit verband, om de herkomst van de gelden door middel van onder meer kwitanties en/of bankafschriften aan te tonen, heeft verdachte dit nagelaten en is geen sprake van een begin van aannemelijkheid van enige legale herkomst van de gelden. Dat het gaat om contante opnames van een bepaalde ING-rekening is in een zodanig late fase van de procedure aangevoerd dat dat op zichzelf niet geldt als verifieerbaar gegeven nu voorgeschreven bewaartermijnen mogelijk al verstreken zijn. Het hof acht derhalve bewezen dat sprake is van witwassen.”

2.2.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 mei 2019 houdt het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:

De rechtbank heeft de contante stortingen die zijn gedaan opgeteld. Dat zijn er behoorlijk veel. Er is geld gestort op de rekening van [A] en op een aantal andere bankrekeningen. Er is een bedrag van € 206.440,- gestort op de rekening van [A] en een bedrag van € 2.000,- op een bankrekening in de USA.

De verdachte verklaart als volgt:

Het bedrag van € 2.000,- was voor mijn zoon. U zegt mij dat het geld gestort zou zijn op een bankrekening die op mijn naam stond. Mijn zoon heet [betrokkene 3] . Het geld was voor hem. U vraagt mij waarom het geld niet giraal is overgemaakt maar contant is gestort.

Ik heb een gebouw gehad in [plaats] op de [a-straat 1] . Dat gebouw heb ik verhuurd aan [betrokkene 1] . Hij had een bedrijf genaamd: [B] .

Mijn zoon heeft indertijd de huurovereenkomst gesloten met [betrokkene 1] . Dat is gebeurd met tussenkomst van een makelaar. De huurder had echter betalingsproblemen. Hij betaalde maanden niet, maar uiteindelijk zijn alle huurpenningen betaald.

De huurder beschikte verder over Harley Davidson motoren die hij ombouwde naar choppers. Ik heb geld aan [betrokkene 1] geleend en als hij dan een motor had verkocht kreeg ik het terug. Wat mij het meest verbaast is dat de bankafschriften in het dossier niet volledig zijn en dat er geen enkele storting op die bankafschriften te zien is afkomstig uit Finland. Daarnaast volgt uit het dossier ook niet dat ik geld van de rekening heb afgehaald, terwijl dat wel is gebeurd. Het overzicht is niet compleet.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij alle huurpenningen heeft betaald, maar dat hij geen extra geld kreeg van mij. Helaas heb ik op dit moment helemaal geen geld. De bewijsstukken die mijn betoog kunnen onderbouwen liggen bij [C] , maar ik moet aan hen eerst € 3.000,- betalen voor ik toegang krijg tot die stukken en dat geld heb ik niet. Ik heb ook geen geld voor een advocaat op dit moment dus ik kan de bewijsstukken niet aanleveren.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij dat al vaker heeft verklaard, ook in eerste aanleg.

In de loop van de tijd is mijn financiële situatie nog slechter geworden. Ik heb € 60,- per week om te van te leven. Dan blijft er niet veel over. Ik kan mij voorstellen dat de rechtbank en advocaatgeneraal de bewijzen willen hebben die mijn stellingen ondersteunen. Dat begrijp ik, maar ik kan de stukken niet aanleveren omdat ik daar geen geld voor heb. De voorzitter zegt mij dat ook via de bank gegevens kunnen worden opgevraagd en dat dit niet zo duur is. Ik zeg u dat ik daarvoor heb gebeld met bijvoorbeeld Finland. Ik weet niet in welke maanden geld van de erfenis, ad € 196.000,- heb ontvangen. Het opvragen van een bankafschrift kost per maand € 5,-. Het opvragen van de bankafschriften van 5 jaar kost derhalve € 300,-. Ik heb dat geld niet.

De voorzitter deelt mede:

Volgens u zijn er ook contante opnames geweest. U had bij de ING-bank kunnen vragen om dag- of maandafschriften. Dat had u veel eerder kunnen doen. Maar u heeft enkel verwezen naar de stukken die bij [C] liggen.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik had nooit gedacht dat ik in deze situatie terecht zou komen. U zegt mij dat mijn raadsman ook eerder nader onderzoek had kunnen vragen. Ik ben niet juist geïnformeerd door mijn vorige advocaat. Ik wil niet negatief over hem zijn, maar dat is mijn opinie.

De voorzitter deelt mede:

Het gaat erom dat er een aantal contante stortingen gedaan is. U hebt als achterliggend verhaal verklaard dat [betrokkene 1] huurpenningen moest betalen, maar dat hij dat niet op tijd deed. U financierde hem vóór zodat hij de motoren kon ombouwen. Als hij die motoren dan had omgebouwd en verkocht, dan kreeg u de huur terug plus wat u hem extra had gegeven. U had ook in een eerder stadium van deze procedure kunnen verklaren dat u ook contante opnames heeft gedaan, zodat dit onderzocht had kunnen worden.

De verdachte verklaart als volgt:

Dat is een fout van mij en mijn advocaat destijds. U zegt mij dat de stortingen uit huur zouden voortkomen en uit de verkoop van de motoren van [betrokkene 1] en vraagt mij of dat een verklaring vormt voor al die bedragen? Ik zeg u dat dit klopt. Het betreft de huurpenningen en de financiering die ik deed voor [betrokkene 1] . Het lijkt veel te zijn, maar in de veroordeling heeft de rechtbank helemaal geen rekening gehouden met de huurpenningen, enkel voor zover het gaat om een bedrag van € 16.000,-. De huur bedroeg € 2.000,- per maand en als de huur berekend wordt over de periode van 2008 tot en met 2010 dan is dan een ander bedrag dan het bedrag waar justitie vanuit gaat. U vraagt mij of die contante bedragen uit de hennepteelt voortkomen. Nee. Ik vind dat zo raar. Ik word altijd met die vraag geconfronteerd. Ik heb er niets mee te maken. U zegt mij dat het hof vaker mensen treft die zeggen niets met het tenlastegelegde te maken te hebben. Dat geloof ik. U zegt mij dat ik eerder veroordeeld ben wegens overtreding van de Opiumwet. Ik ben veroordeeld ter zake van het plegen van voorbereidingshandelingen. U hoort het vaak, maar ik heb daar echt niets mee te maken.

De voorzitter deelt mede:

Volgens u was het in die zaak zo dat u in de ruimte die u had verhuurd een hennepinstallatie had ontmanteld. Ik kwam in het dossier ook tegen dat hetgeen is verdiend afzonderlijk zou worden ontnomen, maar dat is bij u nooit gebeurd.

De verdachte verklaart als volgt:

Wat zij hebben gevonden was oude troep. U vraagt mij waar ik mijn geld mee verdiende in de jaren die het betreft? Ik leefde van de huur die ik ontving van [betrokkene 1] en zijn financiering en van de erfenis, waarvan een bedrag van € 196.000,- over bleef. Dit laatste staat ook in de stukken. U zegt mij dat [betrokkene 1] heel anders heeft verklaard en vraagt mij hoe dat zou kunnen? Daar kan ik geen antwoord op geven, ik weet het niet. Hij zegt wel dat hij huur heeft betaald. Ik zie [betrokkene 1] niet meer. U zegt mij dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het raar is dat geld in Finland op een rekening is gestort en dat ik het er weer af heb gehaald. Ik zeg u dat het zo niet zit. Ik heb het bedrag van € 196.000,- laten overboeken naar mijn privérekening of naar de rekening van [A] Die laatste rekening gebruikte ik het meest, namelijk in 95% van de gevallen. Ik ging niet naar Finland om geld in mijn achterzak te steken. U vraagt mij of het zo is dat geld naar de rekening van [A] is geboekt en dat ik dat geld van de rekening heb gehaald? Ja, ik heb daar mijn reizen en dagelijkse dingen van betaald. U zegt mij dat daar geen stukken van zijn. Ik vroeg bij de bank in Finland om stukken, maar omdat ik niet meer weet in welke maand dat was, zou ik de gegevens op moeten vragen van 5 jaar en dat kost € 300,-. U vraagt mij of ik dat bedrag, dat relatief gering is vergeleken bij het bedrag dat de rechtbank noemt, niet kan lenen? Je kunt niet lenen in mijn situatie. Dan moetje naar familie of vrienden en dan wil je dat niet lenen.

De jongste raadsheer zegt mij dat ik het bedrag wellicht van mijn dochter, die ter terechtzitting aanwezig is, zou kunnen lenen. Dat zou ik niet doen. Ik ben al blij dat zij mij hier heeft gebracht. Als zij dat niet zou doen, dan zou ik € 48,- moeten betalen om op en neer te reizen.

De voorzitter deelt mede:

De rechtbank bespreekt in haar vonnis twee hypothecaire geldleningen waaruit u geld zou hebben gekregen. Eén bedrag is in de berekening meegenomen, namelijk het geld van [betrokkene 2] . Verder is er nog een lening voor de woning aan de [b-straat ] . Volgens de rechtbank gaan dergelijke transacties altijd giraal en is het niet logisch dat het contant zou gaan. Volgens u ging het ook giraal en nam u het geld daarna op, maar u kunt dat niet aantonen.

De verdachte verklaart als volgt:

Er kwam een bedrag vrij om van te leven, namelijk € 34.000,-. Dat bedrag is naar mijn bankrekening gestuurd. Dat heb ik opgenomen. De transactie van [betrokkene 2] ging van de notaris naar de SNS-bank om af te lossen.

De voorzitter deelt mede:

Dat is niet meegenomen in hele totaalbedrag inderdaad. De contante stortingen zijn alleen meegerekend die als ‘huur’ staan vermeld. De contante stortingen waarbij geen omschrijving stond zijn niet meegeteld. Volgens u kreeg u van [betrokkene 1] huur en inkomsten uit motoren, maar [betrokkene 1] heeft verklaard dat het anders is en u heeft uw verhaal niet onderbouwd.

De verdachte verklaart als volgt:

Het is zeer vervelend, maar ik kan het niet anders maken en het bewijs niet presenteren. U zegt mij dat ik het niet hoef te bewijzen, maar dat mijn verhaal aannemelijk moet worden. Dat kan ik begrijpen, maar ik kan de situatie waarin ik zit niet veranderen. U vraagt mij of ik een bewindvoerder heb en in de WSNP zit? Ik heb een bewindvoerder in Brunssum en sta vrijwillig onder bewind. Die bewindvoerder is benoemd door de rechtbank. U vraagt mij op welke grond die bewindvoerder is benoemd en of dat is omdat ik niet met geld kan omgaan? Ja, het is ook om structuur te krijgen in mijn leven. Op een nadere vraag zeg ik dat ik een AOW-uitkering ontvang en een klein pensioen uit Finland.

De voorzitter deelt mede:

Het hof heeft uitgebreid bestudeerd wat bij de rechtbank is besproken. In hoger beroep zullen niet alle stukken nog eens worden doorgenomen. Als u meent dat stukken verkeerd zijn opgenomen of de rechtbank er niets van heeft begrepen, dan kunt u dat zeggen.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik vind het raar dat niet alle bankafschriften in het dossier aanwezig zijn, maar slechts een paar. Er is geen enkel bankafschrift aanwezig waarop opnames te zien zijn en er zijn ook geen bankafschriften aanwezig waarop betalingen uit Finland te zien zijn. Daarnaast is alleen een bedrag van € 16.000,- opgenomen voor huurpenningen, terwijl [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij alle jaren huurpenningen heeft betaald, maar dat laatste wordt niet geaccepteerd. De jongste raadsheer vraagt mij of het juist is dat ik maandelijks een AOW-uitkering ontvang van € 600,- en een pensioen voor kleine zelfstandigen van € 1.100,- per maand.

(...)

De verdachte verklaart als volgt:

Ik ontvang maandelijks € 690,- aan AOW en nog € 120,- huursubsidie en daarnaast nog een klein pensioen van € 176,-. Op een vraag van de advocaat-generaal zeg ik dat mijn bewindvoerder als laatste contact heeft gehad met [C] over de stukken. Uit dat contact bleek dat een bedrag van € 3.000,- betaald moet worden voordat tot afgifte van die de stukken wordt overgegaan. De stukken zijn nog wel aanwezig volgens [C] . De advocaat-generaal vraagt mij of aan [C] is gevraagd of zij uit de administratie alleen de relevante stukken voor deze zaak kunnen selecteren? Als ze de stukken moeten selecteren, dan willen ze dan ten minste de helft van € 3.000,- wordt betaald.

(...)

De verdachte voert het woord tot verdediging:

Ik begrijp de eis en de redenering van de advocaat-generaal, maar het is echt niet waar. Het is jammer dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat het niet juist is wat ik zeg. Het is jammer dat [betrokkene 1] alleen heeft verklaard dat hij enkel huurpenningen heeft betaald en dat hij verder niet heeft meegewerkt aan een verhoor. Ik hoop dat het hof, als ik straf krijg, aan mij een taakstaf oplegt zodat ik iets nuttigs kan doen. Ik vind het raar dat niet de huurpenningen over de volledige verhuurperiode worden meegenomen in de berekening. [betrokkene 1] heeft immers ook verklaard dat hij alle huurpenningen heeft voldaan. De overige delen van de verklaring van [betrokkene 1] worden wel geloofd, maar niet het deel waarin hij zegt dat hij de huurpenningen gedurende de gehele periode van verhuur heeft voldaan.

Volgens de advocaat-generaal wist ik in vanaf 2011 al van deze zaak, maar de zaak werd pas in 2014-2015 bekend voor mij. Eerder wist ik daar niet van. Mijn spullen lagen toen al heel lang bij [C] . Het is juist dat de verhoren al in 2010-2011 plaatsvonden, maar daarna heb ik niets meer van deze zaak gehoord. In de 4 of 5 jaren die daarop volgen is echter wel veel gebeurd.

(...)

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik wil het hof en de advocaat-generaal bedanken voor uw respect. Ik heb verteld hoe de zaak zit.”

2.3.1

Het gaat bij dit cassatiemiddel om het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht). Eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema kan als volgt worden samengevat.

2.3.2

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)

2.4.1

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder verwijzing naar aflossingen van door de verdachte contant opgenomen en aan [betrokkene 1] uitgeleende geldbedragen en onder verwijzing naar een op een bankrekening in Finland gestorte erfenis van € 196.000 die hij naar een Nederlandse rekening heeft overgeboekt en daarvan weer heeft afgehaald, gesteld dat de contante geldstortingen die het tenlastegelegde geldbedrag vormen een legale herkomst hebben. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat de bankafschriften in het dossier incompleet zijn omdat niet de contante opnames blijken en bankafschriften ontbreken waarop betalingen uit Finland te zien zijn. In dat verband heeft hij aangevoerd dat zijn verklaringen zijn te verifiëren door kennisneming van - voor hem niet toegankelijke ‑ stukken die zijn opgeslagen bij [C] .

2.4.2

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen heeft gegeven. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte, ondanks door hem gedane toezeggingen, de betreffende bankafschriften en kwitanties niet heeft overgelegd, en niet heeft verzocht de kwitanties aan het dossier toe te voegen. Aldus heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu die omstandigheden niet afdoen aan de door de verdachte gegeven verklaring omtrent de verkoop van motoren door [betrokkene 1] , waarna de verdachte aflossingen van [betrokkene 1] zou hebben ontvangen, en de inkomsten uit een erfenis, alsmede de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Dat wordt niet anders doordat bewaartermijnen van de bank “mogelijk” zijn verstreken. Mede gelet op hetgeen het hof in zijn overwegingen overigens heeft vastgesteld, is de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat het geldbedrag “afkomstig was uit enig misdrijf”, niet toereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2021.