Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1476

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
20/02487
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:694, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:3909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2622
RvdW 2021/992
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02487

Datum 8 oktober 2021

ARREST

In de zaak van

1. [eiseres 1] ,

2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

hierna: [eiseres 1] onderscheidenlijk [eiser 2] , en gezamenlijk: [eisers] ,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

STICHTING HET DRENTSE LANDSCHAP,
gevestigd te Assen,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: het Drentse Landschap,

advocaat: J.C. Zevenberg.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/19/123110/HA ZA 18-103 van de rechtbank Noord-Nederland van 1 mei 2019;

  2. het arrest in de zaak 200.263.634/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 mei 2020.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Het Drentse Landschap heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor het Drentse Landschap toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 mei 2020 en tot verwijzing.

De advocaat van het Drentse Landschap heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Het Drentse Landschap is eigenaar van een perceel grond. [eiseres 1] is eigenares van een aangrenzend perceel. [eiser 2] woont met [eiseres 1] op het aangrenzende perceel.

(ii) Begin 2016 hebben [eisers] bij het Drentse Landschap geklaagd over hinder door wandelaars en fietsers die vanaf het perceel van het Drentse Landschap in hun tuin kwamen en over grof vuil dat volgens hen aan het einde van het zandpad op het perceel van het Drentse Landschap werd gestort.

(iii) Naar aanleiding van het voorgaande heeft het Drentse Landschap eind 2016 een slagboom geplaatst op het pad naast het erf van [eisers]

(iv) Het Drentse Landschap heeft op enig moment aangeboden gezamenlijk een afrastering tussen de beide percelen te plaatsen. Dat is niet uitgevoerd. Later, in het voorjaar van 2017, hebben [eisers] zelf een afrastering geplaatst.

(v) Bij een grensaanwijzing door het Kadaster op 2 augustus 2017 is gebleken dat de afrastering op het perceel van het Drentse Landschap staat.

(vi) Het Drentse Landschap heeft daar op 4 september 2017 bij aangetekende brief tegen geprotesteerd en [eiser 2] gesommeerd de afrastering te verwijderen. De brief is niet afgehaald en retour afzender gezonden.

(vii) Op 13 april 2018 heeft het Drentse Landschap de sommatie herhaald. Die brief heeft [eisers] bereikt, maar aan de sommatie hebben zij geen gevolg gegeven.

2.2

Het Drentse Landschap vordert in conventie, voor zover in cassatie van belang, verwijdering van de afrastering. [eisers] vorderen in reconventie, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het Drentse Landschap te gelasten tot het samen met [eisers] verplaatsen van de afrastering naar de juiste erfgrens.

2.3

De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, [eisers] in conventie onder meer gelast om de afrastering te verwijderen. In reconventie heeft zij onder meer het Drentse Landschap gelast om de oorspronkelijke afspraken na te komen.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het heeft in conventie [eisers] wederom gelast de afrastering te verwijderen, dit maal op straffe van verbeurte van een dwangsom, en in reconventie de vorderingen van [eisers] afgewezen.1

2.5

Het hof heeft daartoe overwogen:

“3.1 De stichting [Het Drentse Landschap] heeft terecht vooropgesteld dat zij wettelijk niet verplicht is mee te werken aan de plaatsing of vervanging van enige afscheiding: zowel het plaatsen van de slagboom op haar eigen terrein als het doen van toezeggingen omtrent het gezamenlijk aanbrengen van een raster op de erfgrens heeft plaatsgehad in het teken van goed nabuurschap. De slagboom heeft de stichting uitsluitend in het belang van [eisers] geplaatst, en zij heeft dat op eigen kosten gedaan. Ook bij het plaatsen van een raster op de erfgrens heeft de stichting geen eigen belang. Bovendien stelt de stichting zich terecht op het standpunt dat het plaatsen van een hek (ruim) over de erfgrens op haar terrein door [eisers] een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrechten oplevert. Die inbreuk alleen al maakt dat de stichting een rechtens te respecteren belang heeft bij haar vordering tot ongedaanmaking van deze onrechtmatige situatie. [eisers] zijn daartoe niet bereid gebleken – niet na sommatie en dagvaarding, en zelfs niet na een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van die strekking. Wat [eiser 2] wel heeft gedaan, is bij herhaling schelden en dreigen dat er klappen gaan vallen op momenten dat hij op deze verplichting werd aangesproken door rayonbeheerder [betrokkene 1] en, later, rentmeester [betrokkene 2]. Dat alles betekent dat er aanleiding bestaat aan de vordering van de stichting nu een dwangsom te verbinden. Die dwangsom zal wel worden gematigd en gemaximeerd. Het betekent ook dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisers] zich nog zouden kunnen beroepen op enige toezegging van een medewerker van de stichting, zo die al bevoegd zou zijn gedaan, om aan het plaatsen van een raster op de erfafscheiding mee te werken. Zowel in de oorspronkelijke conventie en reconventie als in dit hoger beroep zullen [eisers] de proceskosten moeten betalen. Dat betekent dat de grieven 2, 9 en 10 van de stichting doel treffen en die van [eisers] falen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te beslissen over de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen.

3.2

De klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisers] zich nog zouden kunnen beroepen op enige toezegging van een medewerker van het Drentse Landschap om aan het plaatsen van een raster op de erfafscheiding mee te werken. In dit oordeel ligt besloten dat [eisers] , ook als sprake zou zijn van een overeenkomst tussen hen en het Drentse Landschap, geen nakoming van die overeenkomst kunnen vorderen. Het hof kon daarom de vraag of sprake was van een overeenkomst onbesproken laten.

3.3

De onderdelen 3 en 4 keren zich tegen het oordeel van het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisers] zich nog zouden kunnen beroepen op enige toezegging van een medewerker van het Drentse Landschap om aan het plaatsen van een raster op de erfafscheiding mee te werken.

3.4

Onderdeel 4 klaagt dat het hof de in rov. 3.1 van zijn arrest genoemde gedragingen niet als vaststaand had mogen aannemen, althans niet zonder [eisers] nader te horen. Deze klacht faalt. Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt dat het Drentse Landschap in eerste aanleg reeds heeft gesteld dat sprake is geweest van een bedreiging door [eiser 2] . [eiser 2] heeft daarvoor tijdens de comparitie zijn excuses aangeboden. In de dagvaarding in hoger beroep heeft het Drentse Landschap gesteld dat in mei 2017 en op 2 augustus 2018 sprake is geweest van een scheldpartij door [eiser 2] . [eisers] hebben dat bij hun memorie van antwoord niet betwist. Het hof kon derhalve zonder schending van het beginsel van hoor en wederhoor oordelen zoals het heeft gedaan (‘wat [eiser 2] wel heeft gedaan, is bij herhaling schelden en dreigen dat er klappen gaan vallen’). Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het beoogt aan te voeren dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de stelling van het Drentse Landschap, bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, over een incident op 11 augustus 2019. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het op die stelling berust.

3.5

Onderdeel 3 klaagt dat het hof de terughoudendheid heeft miskend waarmee de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden toegepast. Deze klacht faalt eveneens. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting; verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige niet op juistheid worden onderzocht. Het is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Het hof behoefde niet expliciet in zijn overwegingen te betrekken dat alleen [eiseres 1] het perceel in eigendom heeft, nu de vordering van [eisers] was gebaseerd op de stelling dat [eisers] overlast ervoeren en met het Drentse Landschap een overeenkomst hadden gesloten teneinde aan die overlast een einde te maken.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Drentse Landschap begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren M.J. Kroeze, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3909.