Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1407

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
20/00658
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:149, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:300, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht, procesrecht. Uitkoopprocedure (art. 2:92a BW). Verstekarrest tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders; verzettermijn voor in het buitenland wonende aandeelhouders. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Welke partij dient op te roepen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2613
RvdW 2021/950
OR-Updates.nl 2021-0365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/00658

Datum 1 oktober 2021

ARREST

In de zaak van

FORTBET HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Limassol, Cyprus,

EISERES tot cassatie,

hierna: Fortbet,

advocaten: F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim,

tegen

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,

3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,

4. [verweerder 4],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,

5. [verweerder 5],
wonende te [woonplaats], Tsjechië,

6. [verweerder 6],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

7. [verweerder 7],

wonende [woonplaats], Tsjechië,

8. [verweerder 8],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

9. [verweerder 9],

wonende te [woonplaats], Slowakije,

10. [verweerder 10]

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

11. [verweerder 11],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

12. [verweerder 12],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

13. [verweerder 13],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

14. [verweerder 14],

wondende te [woonplaats], Tsjechië,

15. [verweerder 15],

wonende te [woonplaats], Tsjechië

16. [verweerder 16],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

17. [verweerder 17],

wonende te [woonplaats], Tsjechië

18. [verweerder 18],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

19. [verweerder 19],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

20. [verweerder 20],

wonende [woonplaats], Tsjechië,

21. [verweerder 21],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

22. [verweerder 22],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

23. [verweerder 23],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

24. [verweerder 24],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

25. [verweerder 25],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

26. [verweerder 26],

wonende te [woonplaats], Tsjechië

27. [verweerder 27],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

28. [verweerder 28],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

29. [verweerder 29],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

30. [verweerder 30],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

31. [verweerder 31],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

32. [verweerder 32],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

33. [verweerder 33],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

34. [verweerder 34],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

35. [verweerder 35],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

36. [verweerder 36],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

37. [verweerder 37],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

38. [verweerder 38],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

39. [verweerder 39],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

40. [verweerder 40],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

41. [verweerder 41],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

42. [verweerder 42],

wonende te [woonplaats], Slowakije,

43. [verweerder 43],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

44. [verweerder 44],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

45. [verweerder 45],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

46. [verweerder 46],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

47. [verweerder 47],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

48. [verweerder 48],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

49. [verweerder 49],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

50. [verweerder 50],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

51. [verweerder 51],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

52. [verweerder 52],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

53. [verweerder 53],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

54. [verweerder 54],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

55. [verweerder 55],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

56. [verweerder 56],

wonende te [woonplaats], Slowakije,

57. [verweerder 57],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

58. [verweerder 58],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

59. [verweerder 59],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

60. [verweerder 60],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

61. [verweerder 61],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

62. [verweerder 62],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

63. [verweerder 63],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

64. [verweerder 64],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

65. [verweerder 65],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

66. [verweerder 66],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

67. [verweerder 67],

wonende te [woonplaats], Tsjechië,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: [verweerders],

advocaten: I.M.A. Lintel en T.T. van Zanten.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het verstekarrest in de zaak 200.242.018/01 OK van 30 oktober 2018, zoals verbeterd bij arrest van 1 november 2018, en het arrest in de verzetprocedure met nummer 200.242.018/02 OK van 14 januari 2020 van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.

Fortbet heeft tegen het arrest van 14 januari 2020 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing.

De advocaten van Fortbet hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Fortuna Entertainment Group N.V. (hierna: Fortuna) drijft een onderneming die zich bezighoudt met kansspelen in Centraal- en Oost-Europa.

(ii) Fortbet houdt aandelen in Fortuna. Fortbet heeft in 2017 en 2018 twee openbare biedingen uitgebracht op alle aandelen in Fortuna.

(iii) Bij verstekarrest van de ondernemingskamer van 30 oktober 2018, verbeterd bij arrest van 1 november 2018, gewezen tussen Fortbet als eiseres en de gezamenlijke andere aandeelhouders in het kapitaal van Fortuna als gedaagden (hierna: het verstekarrest) heeft de ondernemingskamer (voor zover in cassatie van belang):

- de gezamenlijke andere aandeelhouders veroordeeld het onbezwaarde recht op de door elk van hen gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van Fortuna aan Fortbet over te dragen;

- de prijs van de over te dragen aandelen vastgesteld per 9 maart 2018 en wel op € 7,83 per aandeel; en

- Fortbet veroordeeld de vastgestelde prijs, met rente zoals vermeld, te betalen aan de gezamenlijke andere aandeelhouders of aan degene(n) aan wie de aandelen zullen toebehoren tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen.

(iv) Fortbet heeft op 2 november 2018 het verstekarrest overeenkomstig het bepaalde in art. 54 lid 4 Rv bij exploot, gericht aan de gezamenlijke andere aandeelhouders in Fortuna, doen betekenen aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag.

(v) Fortbet heeft op 3 november 2018 door middel van een advertentie in Het Financieele Dagblad een aankondiging van consignatie bekendgemaakt en heeft daarbij de prijs, met rente, van € 7,94 per aandeel betaalbaar gesteld per 16 november 2018. De advertentie bevat de aanzegging dat de prijs met rente voor alle aandelen in Fortuna die niet uiterlijk op 16 november 2018 aan Fortbet zijn overgedragen op 19 november 2018 zal worden geconsigneerd overeenkomstig art. 2:92a lid 8 BW.

(vi) Op 7 november 2018 is een uittreksel van het hiervoor in (iv) genoemde exploot bekendgemaakt in de Staatscourant, met vermelding waar afschriften van het exploot en het arrest kunnen worden verkregen. Hierin staat dezelfde aanzegging van consignatie als hiervoor in (v) is vermeld.

(vii) Op 19 november 2018 hield Fortbet 50.222.636 van de 52.000.000 aandelen in het geplaatste kapitaal van Fortuna. Op die datum heeft Fortbet een bedrag van € 14.112.270,16 gestort in de consignatiekas.

(viii) Op 9 januari 2019 is in opdracht van [verweerders] een rapport uitgebracht met een indicatieve waardering van Fortuna per 9 maart 2018 en 20 juni 2018. In dit rapport wordt de waarde van een aandeel Fortuna per 9 maart 2018 berekend op een bedrag tussen € 11,26 en € 14,08.

2.2

[verweerders] hebben bij exploot van 10 januari 2019 verzet ingesteld tegen het verstekarrest en, samengevat, gevorderd dat de ondernemingskamer hen zal ontheffen van de tegen hen uitgesproken veroordelingen en Fortbet alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans de prijs van de over te dragen aandelen in Fortuna en de peildatum zal vaststellen op € 13,30 per aandeel (peildatum 20 juni 2018), althans € 12,96 per aandeel (peildatum 9 maart 2018), althans op een zodanige prijs en peildatum als de ondernemingskamer juist acht. Subsidiair en meer subsidiair hebben [verweerders] gevorderd dat de ondernemingskamer een of drie onafhankelijke deskundigen zal benoemen om zowel de prijs van de over te dragen aandelen in Fortuna als de peildatum te bepalen respectievelijk [verweerders] zal compenseren voor het financiële verlies als gevolg van uitkoop tegen een te lage prijs.

2.3

Fortbet heeft onder meer betoogd dat [verweerders] zich niet tijdig hebben verzet tegen het verstekarrest en daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Fortbet heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat de verzettermijn op de voet van art. 143 lid 3 Rv is aangevangen vanaf de consignatie die op 19 november 2018 heeft plaatsgevonden, aangezien het verstekarrest op die datum ten uitvoer is gelegd. De ondernemingskamer heeft het beroep van Fortbet op niet-ontvankelijkheid verworpen en heeft in dat kader, onder meer, als volgt overwogen:

“3.5 Ondanks het vorenstaande is de Ondernemingskamer van oordeel dat op 19 november 2018 de verzettermijn nog niet is gaan lopen, omdat consignatie met het beoogde rechtsgevolg - tenuitvoerlegging van de veroordeling tot overdracht van de aandelen - in de regel niet kan plaatsvinden dan na aan de betrokken aandeelhouders een redelijke termijn te hebben gegund om vrijwillig aan de veroordeling te voldoen (…); daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Van een (grond voor het maken van een) uitzondering op die regel is evenmin gebleken. (…) Gesteld noch gebleken is dat Fortbet anderszins moeite heeft gedaan om hen, met inachtneming van een redelijke termijn, van de consignatie in kennis te stellen, zoals een bericht daarvan in een internationale of buitenlandse krant dan wel een mededeling aan CSDP. Nu de verzettermijn nog niet was gaan lopen op de dag van consignatie en ook niet anderszins, zijn [verweerders] ontvankelijk in hun verzet tegen het herstelde verstekarrest.

3.6

Ook indien, in afwijking van het bovenstaande, geoordeeld moet worden dat de verzettermijn is aangevangen op de dag dat Fortbet bij wijze van tenuitvoerlegging van het verstekarrest de uitkoopprijs in de consignatiekas heeft gestort, zijnde 19 november 2018, zijn [verweerders] ontvankelijk in hun verzet. Ingevolge artikel 143 lid 2 Rv bedraagt de verzettermijn acht weken indien de oorspronkelijke gedaagde geen bekende woonplaats of verblijf in Nederland heeft en zijn woonplaats of werkelijke verblijf buiten Nederland bekend is. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de verzettermijn acht weken is indien, zoals in dit geval, gedaagden door eiser[es] als onbekende aandeelhouders en dus niet bij naam waren gedagvaard, gedaagden buiten Nederland wonen en de tenuitvoerlegging in Nederland heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat indien de verzettermijn met de tenuitvoerlegging door consignatie op 19 november 2018 is aangevangen, het verzet bij exploot van 10 januari 2019 tijdig is gedaan.

3.7

Indien, anders dan hierboven is overwogen de verzettermijn reeds was verstreken op 10 januari 2019, zijn [verweerders] niettemin ontvankelijk in hun verzet. Onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn dient immers achterwege te blijven indien die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM en wel in het bijzonder in een situatie waarin een bij verstek veroordeelde pas in het stadium van tenuitvoerlegging met het veroordelend vonnis bekend raakt (HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341). Hetzelfde geldt als hij na de tenuitvoerlegging met het vonnis bekend raakt. (…).”

2.4

De ondernemingskamer heeft (in rov. 5.6) voorts, onder meer, overwogen dat de door [verweerders] in het kader van de uitkoopprijs verstrekte informatie twijfel heeft doen rijzen over de bij het verstekarrest vastgestelde uitkoopprijs van € 7,83 per aandeel. Om die reden acht de ondernemingskamer het nodig dat een deskundige wordt benoemd om onderzoek te doen naar de prijs van de aandelen in het kapitaal van Fortuna per 9 maart 2018. In dat kader heeft de ondernemingskamer verder als volgt overwogen:

“5.10 Het wettelijk uitgangspunt van de uitkoopprocedure is dat de uitkoper alle uit te kopen aandeelhouders in dezelfde procedure dagvaardt. Aldus wordt bewerkstelligd dat in één procedure (bij toewijzing van de vordering) voor alle uit te kopen aandeelhouders dezelfde uitkoopprijs wordt vastgesteld. De rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders is derhalve processueel ondeelbaar, hetgeen inhoudt dat de in deze verzetprocedure vast te stellen uitkoopprijs ook voor de overige andere aandeelhouders van Fortuna zal gelden. Dit vereist dat de overige aandeelhouders alsnog in de onderhavige verzetprocedure opgeroepen dienen te worden. De Ondernemingskamer zal daarom bepalen dat Fortbet de overige andere aandeelhouders op de voet van artikel 118 Rv oproept als partijen in het geding tegen de in het dictum te noemen roldatum en zal de benoeming van de deskundige aanhouden tot die datum.”

2.5

De ondernemingskamer heeft de benoeming van de deskundige aangehouden totdat de overige aandeelhouders door Fortbet zijn opgeroepen. Bij brief van 11 februari 2020 heeft de ondernemingskamer aan Fortbet verlof verleend om tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen de bestreden tussenuitspraak.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel keert zich het oordeel van de ondernemingskamer (in rov. 3.6) dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat de verzettermijn acht weken is indien, zoals in dit geval, gedaagden zijn gedagvaard als onbekende aandeelhouders en dus niet bij naam, gedaagden buiten Nederland wonen en de tenuitvoerlegging in Nederland heeft plaatsgevonden. Het onderdeel betoogt daartoe, onder meer, dat dit oordeel miskent dat voor toepassing van de achtweken-termijn van art. 143 lid 2 Rv vereist is dat de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, aan welke voorwaarde in dit geval niet is voldaan. Voorts heeft de ondernemingskamer onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van rechtszekerheid, dat mede ten grondslag ligt aan de regeling van art. 143 Rv. Een en ander geldt volgens het onderdeel des te meer indien, met de ondernemingskamer, ervan moet worden uitgegaan dat de rechtsverhouding tussen een uitkopende aandeelhouder en de andere aandeelhouders een processueel ondeelbare rechtsverhouding is, omdat het uiteenlopen van de duur van de verzettermijn zou leiden tot (meer) onzekerheid over het moment dat de verstekuitspraak in kracht van gewijsde gaat.

3.1.2

Art. 143 leden 2 en 3 Rv luiden als volgt:

“2. Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. De in de eerste volzin bedoelde termijn is acht weken indien de gedaagde ten tijde van de in de eerste volzin bedoelde betekening of daad geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland heeft, maar zijn woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is.

3. Buiten de gevallen bedoeld in het tweede lid vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.”

3.1.3

In de memorie van toelichting bij art. 143 Rv is, onder meer, als volgt overwogen:

“In de tweede volzin van het tweede lid van artikel 2.7.1 [artikel 143] wordt de verzettermijn verdubbeld in gevallen waarin de gedaagde op het aldaar bedoelde moment in het buitenland woonachtig was. Deze bepaling, die nieuw is, is opgenomen mede in verband met het feit dat ingevolge artikel 1.6.11 [artikel 55], tweede lid, in gevallen waarin het Haagse Betekeningsverdrag van toepassing is, een betekening in den vreemde soms in Nederland kan worden aangemerkt als betekening in persoon. Daar dit met name voor de verzettermijn verstrekkende consequenties kan hebben, leek een verdubbeling van die termijn op haar plaats. Die verdubbeling is evengoed op haar plaats ten aanzien van gevallen waarin dat verdrag niet van toepassing is en waarin dus slechts een in het buitenland verrichte daad van bekendheid als aanvangstijdstip voor de verzettermijn kan gelden. (…)

Het derde lid van artikel 2.7.1 [artikel 143] bevat een niet onbelangrijke wijziging in vergelijking met het huidige artikel 81, tweede lid, Rv. Dit laatste artikel maakt het mogelijk dat iemand aan wie een verstekvonnis niet in persoon is betekend, in feite geen verzetmogelijkheid meer heeft indien hij pas van het vonnis kennis neemt wanneer dit tegen hem ten uitvoer is gelegd. Daarom wordt nu voorgesteld de bepaling zo te redigeren dat de verzettermijn (thans van vier weken) in de bedoelde gevallen niet eindigt, maar pas ingaat op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. De huidige bepaling kan onder omstandigheden in strijd komen met het bepaalde in artikel 6 EVRM.”1

3.1.4

In de memorie van toelichting bij art. 55 Rv is, onder meer, als volgt overwogen:

“Het tweede lid is hier nieuw. Het beoogt een oplossing te geven voor het niet meer zeldzame geval dat in Nederland een verstekvonnis wordt gewezen tegen iemand die in een ander land een bekende woon- of werkelijke verblijfplaats heeft. Dat verstekvonnis kan, in verband met te dezer zake geldende rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 december 1977, NJ 1978, 576, en HR 22 juni 1990, NJ 1991, 606) door betekening nooit gezag van gewijsde krijgen, ook niet indien vaststaat dat het stuk wel aan hem is uitgereikt. Die consequentie is in het huidige tijdsgewricht niet aanvaardbaar, daar zij debiteuren de mogelijkheid biedt zich in het buitenland aan executie te onttrekken. (…) De voorwaarde wordt gesteld dat het desbetreffende land is aangesloten bij het Haagse Betekeningsverdrag. In dat geval is de betekening in het andere land met voldoende waarborgen omgeven om, als de betekening daadwerkelijk in persoon heeft plaatsgevonden, ook als betekening in persoon in de zin van het huidige artikel 81 Rv (in dit wetsvoorstel: artikel 2.7.1) te kunnen gelden.”2

3.1.5

Uit de hiervoor in 3.1.4 geciteerde passage blijkt dat de wetgever met de invoering van art. 55 lid 2 Rv heeft beoogd de mogelijkheden te verruimen om in het geval van een in het buitenland wonende gedaagde een verzettermijn te doen aanvangen. Dit wordt bereikt door onder omstandigheden een betekening op de voet van art. 55 Rv aan te merken als een betekening in persoon. Deze verruiming betreft slechts gedaagden met een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland, omdat slechts aan zodanige personen kan worden betekend op de voet van art. 55 Rv. De wetgever heeft, zoals blijkt uit de hiervoor in 3.1.3 geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis, wegens de verstrekkende consequenties die het stelsel van art. 55 lid 2 Rv voor met name de aanvang van de verzettermijn kan hebben, in dergelijke gevallen een verdubbeling van de verzettermijn op haar plaats geacht. Eenzelfde verdubbeling van de verzettermijn is ingevoerd voor de gedaagde met bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf buiten Nederland die een daad van bekendheid verricht. Hieruit blijkt dat de wetgever praktische belemmeringen zag voor in het buitenland wonende gedaagden bij het instellen van het rechtsmiddel van verzet, die rechtvaardigen dat voor hen een langere verzettermijn geldt dan voor gedaagden die in Nederland wonen. Diezelfde praktische belemmeringen doen zich voor bij gedaagden die bij aanvang van de verzettermijn buiten Nederland wonen of verblijven, maar van wie op dat moment de woonplaats of het werkelijk verblijf niet bekend is. Een redelijke wetsuitleg brengt dan ook mee dat ook in het geval van laatstgenoemde gedaagden de verzettermijn acht weken bedraagt. Dit geldt ook indien de verzettermijn is aangevangen door tenuitvoerlegging van het vonnis als bedoeld in art. 143 lid 3 Rv.

3.1.6

De ondernemingskamer heeft derhalve in rov. 3.6 geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat onderdeel 2 tevergeefs is voorgesteld. Nu hetgeen de ondernemingskamer in rov. 3.6 heeft overwogen haar oordeel over de ontvankelijkheid van het verzet zelfstandig kan dragen, behoeven de tegen rov. 3.5 en 3.7 van het verstekarrest gerichte onderdelen 1 en 3 geen behandeling.

3.2.1

Onderdeel 4 betoogt, onder meer, dat de ondernemingskamer (in rov. 5.10) ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders processueel ondeelbaar is, zodat de overige aandeelhouders alsnog in de verzetprocedure opgeroepen dienen te worden. Het onderdeel voert daartoe onder meer aan dat de wetgever niet noodzakelijk heeft geacht dat tegenover alle minderheidsaandeelhouders die worden uitgekocht, dezelfde prijs wordt vastgesteld en dat ieder van de andere aandeelhouders zoveel mogelijk zijn eigen belangen moet kunnen behartigen, op grond waarvan die aandeelhouders de vrije keuze moeten hebben om de in de verstekprocedure vastgestelde prijs te aanvaarden. Voor zover wel sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding, heeft de ondernemingskamer miskend dat deze ondeelbaarheid niet ziet op de vaststelling van de prijs, aldus het onderdeel.

3.2.2

Deze klachten falen. Een vordering als bedoeld in art. 2:92a BW kan slechts worden ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders (art. 2:92a lid 1 BW). Een dergelijke vordering dient tegen alle verweerders te worden afgewezen, indien zich ten aanzien van een van hen een situatie als bedoeld in lid 4 van dat artikel voordoet. Hieruit volgt dat de wetgever het rechtens noodzakelijk heeft geacht dat een beslissing over een vordering op grond van art. 2:92a BW in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen. Dit geldt eveneens voor de vaststelling van de prijs van de over te nemen aandelen, nu deze vaststelling deel uitmaakt van de beslissing van de rechter op de hiervoor bedoelde, uitsluitend tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders in te stellen vordering. De ondernemingskamer heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de uitkoper en de uit te kopen aandeelhouders processueel ondeelbaar is.

3.3.1

Onderdeel 4 betoogt voorts onder meer dat de ondernemingskamer (in rov. 5.10) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te bepalen dat Fortbet – en niet [verweerders] – de overige andere aandeelhouders dient op te roepen op de voet van art. 118 Rv.

3.3.2

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Is overeenkomstig het hiervoor overwogene een partij de gelegenheid gegeven om de niet opgeroepen personen op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken, maar maakt deze niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruik, dan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering respectievelijk het door haar aangewende rechtsmiddel.3

3.3.3

De klacht slaagt. [verweerders] dienen te worden beschouwd als degenen die in de verzetprocedure een beslissing willen uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Nu zij hebben nagelaten om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, had de ondernemingskamer aan hen – en niet aan Fortbet – moeten opdragen de gezamenlijke andere aandeelhouders in het geding op te roepen. In zoverre kan het arrest niet in stand blijven.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.5

Nu [verweerders] het bestreden oordeel over de oproeping niet hebben uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van de ondernemingskamer van 14 januari 2020;

- wijst het geding terug naar de ondernemingskamer ter verdere behandeling en beslissing;

- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

- begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van Fortbet op € 1.013,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerders] op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 oktober 2021.

1 Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 118.

2 Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 73.

3 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, rov. 3.6.1.-3.6.2.