Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1359

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2021
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
20/01415
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:126, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:511, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil over verrekening tussen curator van failliete vennootschappen uit een concern en beheermaatschappij (voormalig groepshoofd van het concern). Vraag of schuld uit draagplicht voor groepskredieten geheel verrekend mag worden met vordering op één van de vennootschappen; art. 6:127 BW. Vraag of het gevorderde ook zag op gedeeltelijke verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2536
INS-Updates.nl 2021-0269
RvdW 2021/925
JIN 2021/159 met annotatie van Mengelberg, R.J.G.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01415

Datum 24 september 2021

ARREST

in de zaak van

[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

hierna: [eiseres],

advocaat: F.E. Vermeulen,

tegen

Meertinus Jan UBBENS, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van:

a. [A] B.V.,

b. [B] B.V.,

c. [C] B.V.,

d. [D] B.V.,

e. [E] B.V.,

f. [F] B.V.,

g. [G] B.V.,
wonende te Groningen,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de Curator,

advocaten: J.W.H. van Wijk en G.C. Nieuwland.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/18/150734 / HA ZA 14-244 van de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2017;

  2. het arrest in de zaak 200.224.335/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2020.

[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Curator heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede door J.M. Hummelen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.

Voor de curator heeft J.W.H. van Wijk schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Curator is in mei 2003 door de rechtbank Groningen benoemd tot curator in de toen uitgesproken faillissementen van de vennootschappen, genoemd in de kop van dit arrest onder a. tot en met g. (hierna: de zeven vennootschappen).

(ii) [eiseres] was groepshoofd van het [concern]. Eind 1995 heeft (een zekere, formele) ontvlechting en verzelfstandiging van het [concern] plaatsgevonden, waarbij [eiseres] de aandelen heeft overgedragen aan de nieuw opgerichte [H] B.V. (hierna: [H]). De zeven vennootschappen zijn (klein)dochters van [H]. [H] is eveneens in mei 2003 failliet verklaard, waarbij verweerder in cassatie (de Curator) ook tot curator is benoemd.

(iii) In het kader van de ontvlechting heeft [eiseres] aan [H] uit hoofde van lening bedragen ter beschikking gesteld.

(iv) ING Bank (hierna: ING) is met een aantal [H]-vennootschappen en (al dan niet verwante) andere vennootschappen in februari 2000 een kredietarrangement overeengekomen (hierna: het kredietarrangement). Het kredietarrangement vermeldt dat het is verstrekt onder de hoofdelijke aansprakelijkheid van negentien [H]- en andere vennootschappen, waaronder [eiseres], jegens ING. Het kredietarrangement is (mede) namens [eiseres] ondertekend.

(v) In april 2000 is tussen ING en onder andere [eiseres] (tezamen met andere vennootschappen, waaronder diverse van de zeven vennootschappen) een ‘compte joint en medeaansprakelijkheidsovereenkomst’ (hierna: de CJMO) gesloten. In die overeenkomst hebben onder meer [eiseres] en de andere vennootschappen hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard voor “al hetgeen zij of één of meer hunner aan de bank schuldig zijn of zullen worden, uit welke hoofde dan ook (…).” De CJMO strekte tot zekerheid voor de verplichtingen van onder meer deze vennootschappen en [eiseres] uit hoofde van het kredietarrangement, tot een bedrag van fl. 96.450.000,--.

(vi) Toen in mei 2003 het faillissement van de zeven vennootschappen werd uitgesproken, bedroeg de totale schuld aan ING onder het kredietarrangement, exclusief rente en kosten, € 31.772.425,36. Zowel [eiseres] als de zeven vennootschappen waren op dat moment partij bij het kredietarrangement. De schuld aan ING is vervolgens volledig afgelost door verrekening met de creditsaldi op de bankrekeningen en door onderhandse verkoop van onroerende zaken en bedrijfsuitrustingen van de zeven vennootschappen. De creditsaldi op de bankrekeningen van [eiseres] en de aan deze vennootschap toebehorende activa zijn niet verrekend, respectievelijk uitgewonnen ten behoeve van de aflossing van de schuld aan ING.

(vii) [eiseres] heeft nimmer ‘getrokken’ van het kredietarrangement.

(viii) [eiseres] heeft een vordering uit geldlening op [F] B.V. (hierna: [F]), een van de zeven vennootschappen (genoemd in de kop van dit arrest onder f.) ten bedrage van € 3.717.409,01 ingediend bij de Curator. De vordering is geplaatst op de lijst van erkende concurrente schuldeisers van [F].

(ix) Daarnaast heeft [eiseres] een vordering op [H] ten bedrage van € 2.505.753,--. Tussen partijen is inmiddels onherroepelijk komen vast te staan dat de zeven vennootschappen voor deze vordering hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres].1

(x) Tussen partijen is (ook) een geschil ontstaan over de vraag of, zoals de Curator stelde, [eiseres] als hoofdelijk verbonden schuldenaar onder het kredietarrangement en de CJMO draagplichtig is op de voet van de art. 6:10-6:13 BW. Partijen hebben dit geschil voorgelegd aan arbiters van het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: het scheidsgerecht).

(xi) In hoger beroep heeft het scheidsgerecht op 6 mei 2013 vonnis gewezen. Daarin heeft het scheidsgerecht overwogen aanleiding te zien de vorderingen van de Curator toe te wijzen, zij het beperkt tot het bedrag van de door [eiseres] in het faillissement van [F] ingediende en erkende vordering en heeft het [eiseres] veroordeeld om aan de gezamenlijke failliete vennootschappen, vertegenwoordigd door de Curator, een totaalbedrag van € 3.717.409,01 te betalen.

(xii) Bij brief aan de Curator van 28 mei 2013 heeft [eiseres] een verrekeningsverklaring afgelegd, waarin zij verklaart, kort gezegd, dat zij hetgeen zij uit hoofde van het arbitraal vonnis in hoger beroep aan de gezamenlijke vennootschappen dient te betalen, verrekent met haar vordering op [F], althans haar vorderingen op de failliete vennootschappen en zich meer subsidiair op opschorting van betaling beroept gelet op haar tegenvorderingen.

(xiii) Omdat partijen van mening verschilden over de uitleg van het in hoger beroep gewe zen arbitraal vonnis, met name over de vraag of daarin besloten lag dat [eiseres] haar vordering op [F] zou kunnen verrekenen met het door het scheidsgerecht aan de failliete vennootschappen toegekende bedrag, heeft [eiseres] zich tot het scheidsgerecht gewend en verzocht om aanvulling c.q. toelichting.

(xiv) Bij brief van 2 juli 2013 heeft de voorzitter van het scheidsgerecht als volgt gereageerd:

“(...) Het verzoek is (…) gestoeld op de veronderstelling dat, gezien de omvang van het aan de curator toegewezen bedrag het de bedoeling van het Scheidsgerecht moet zijn geweest om [eiseres] (…) in staat te stellen dit bedrag volledig te verrekenen met haar erkende vordering in de boedel van [[F]], zodat de kwestie met gesloten beurs kan worden afgehandeld. Deze veronderstelling is echter onjuist. Het Scheidsgerecht heeft gemeend, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en in het licht van de redelijkheid en billijkheid als toepasselijke toetsingsnorm, de vordering van de curator zoals geformuleerd in het petitum van diens memorie van eis, te moeten beperken tot de omvang van hetgeen [eiseres] van de curator te vorderen heeft. Dat is de gedachte die steekt achter het vonnis, niet meer maar ook niet minder. (…) Nog los van de vraag of Verzoekers’ beroep op verrekening inderdaad kan worden aangemerkt als verweer tegen het gevorderde in dit geding, staat vast dat het daarvan geen onderdeel uitmaakte, ook niet in reconventie. (...)”

2.2

In dit geding vordert [eiseres], voor zover in cassatie nog van belang:

“1. primair

voor recht te verklaren dat [eiseres] de bedragen terzake regres- en omslagvorderingen van € 3.717.409,01 alsmede ter zake van kosten van rechtsbijstand van € 60.000,00 en kosten van arbitrage van € 95.281,33 (tot betaling waarvan [eiseres] is veroordeeld door het scheidsgerecht (…) in het op 6 mei 2013 (…) gewezen (…) arbitraal eindvonnis aan de ‘gezamenlijke Failliete Vennootschappen, vertegenwoordigd door de Curator’) heeft voldaan door middel van verrekening, welke heeft plaatsgevonden door de verrekeningsverklaring van 28 mei 2013;

alsmede voor recht te verklaren dat daarbij

a) het hiervoor genoemde door [eiseres] verschuldigde bedrag terzake regres- en omslagvorderingen tot een bedrag groot € 3.717.409,01 is verrekend met de erkende vordering van € 3.717.409,01 die [eiseres] heeft op [[F]], ten gevolge waarvan deze vordering tot het gehele beloop teniet gegaan is;

b) de hiervoor genoemde door [eiseres] verschuldigde bedragen ter zake van kosten van rechtsbijstand van € 60.000,-- en kosten van arbitrage van € 95.281,33 (tezamen derhalve € 155.281,33) zijn verrekend met de vordering van € 2.505.753,-- (…), welke vordering [eiseres] mede heeft op de door de curator in deze procedure vertegenwoordigde vennootschappen (…);

en voor recht te verklaren dat [eiseres] door de aldus vastgestelde verrekeningen geheel en al bevrijd is van de verplichtingen die voor haar uit dat arbitrale eindvonnis voortvloeiden;

(…);

2. subsidiair

voor recht te verklaren dat [eiseres] de bedragen ter zake regres- en omslagvorderingen van € 3.717.409,01 alsmede ter zake van kosten van rechtsbijstand van € 60.000,00 en kosten van arbitrage van € 95.281,33 (tot betaling waarvan [eiseres] is veroordeeld door het scheidsgerecht in het (…) arbitraal eindvonnis aan de gezamenlijke Failliete Vennootschappen, vertegenwoordigd door de Curator) heeft voldaan door middel van verrekening, welke heeft plaatsgevonden door de verrekeningsverklaring van 28 mei 2013;

alsmede voor recht te verklaren dat daarbij de hiervoor genoemde door [eiseres] verschuldigde bedragen ter zake regres- en omslagvorderingen, kosten van rechtsbijstand en kosten van arbitrage, tezamen derhalve een totaalbedrag van € 3.872.690,34 is/zijn verrekend met de vordering van € 2.505.753,-- (…), die [eiseres] mede heeft op de door de curator in deze procedure vertegenwoordigde vennootschappen (…);

en voor recht te verklaren dat [eiseres] door de aldus vastgestelde verrekeningen bevrijd is van (een deel van) de verplichtingen die voor haar uit dat arbitrale eindvonnis voortvloeiden en wel tot het beloop van € 2.505.753,--;

alsmede voor recht te verklaren dat [eiseres] zich wat betreft het restant van (€ 3.872.690,34 minus € 2.505.753,--, zijnde) € 1.366.937,34 rechtsgeldig beroept op opschorting van de betaling daarvan (…);

3. meer subsidiair

(…).”

2.3

De rechtbank heeft de primaire vorderingen van [eiseres] toegewezen.

2.4

Het hof2 heeft de primaire vorderingen van [eiseres] afgewezen en de subsidiaire vorderingen achter het tweede en derde gedachtestreepje gedeeltelijk toegewezen door voor recht te verklaren:

(i) dat [eiseres] de bedragen ter zake regres- en omslagvorderingen van € 3.717.409,01 (tot betaling waarvan [eiseres] is veroordeeld in het arbitraal eindvonnis “aan de gezamenlijke Failliete Vennootschappen, vertegenwoordigd door de Curator”) heeft voldaan door middel van verrekening, welke heeft plaatsgevonden door de verrekeningsverklaring van 28 mei 2013, aldus dat de door [eiseres] verschuldigde bedragen ter zake regres- en omslagvorderingen tot een bedrag groot € 3.717.409,01 zijn verrekend met de vordering van € 2.505.753,-- (die onderwerp waren in de renvooiprocedure), die [eiseres] heeft op de door de Curator in deze procedure vertegenwoordigde vennootschappen;

(ii) dat [eiseres] door de aldus vastgestelde verrekening(en) bevrijd is van (een deel van) de verplichtingen die voor haar uit dat arbitrale eindvonnis voortvloeiden en wel tot het beloop van € 2.505.753,--.

2.5

Het hof heeft (in rov. 4.6) overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] uit hoofde van de hiervoor in 2.1 onder (viii) bedoelde geldlening alleen een vordering heeft op [F] en niet op één van de andere in dit geschil betrokken vennootschappen en dat vaststaat dat zij het bedrag tot betaling waarvan zij is veroordeeld in de arbitrageprocedure in hoger beroep niet alleen verschuldigd is aan [F].

2.6

Vervolgens heeft het hof (in rov. 4.8-4.10) samengevat als volgt overwogen. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat, in afwijking van de hoofdregel van art. 6:15 BW, sprake is van een gezamenlijk vorderingsrecht van de zeven vennootschappen. De wijze waarop de Curator de vorderingen in de arbitrageprocedure heeft ingesteld en vormgegeven, leidt niet tot een rechtshandeling als bedoeld in art. 6:15 lid 1 BW en brengt niet mee dat de vordering en tegenvordering in dezelfde vermogens vallen. [eiseres] heeft daarom onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen aannemen dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verrekening.

2.7

In vervolg daarop heeft het hof als volgt overwogen:

“4.11 De rechtbank heeft kort gezegd geoordeeld dat ondanks het feit dat niet is voldaan aan deze wettelijke vereisten, [eiseres] haar vordering op [[F]] mag tegenwerpen aan de bij de geconsolideerde afwikkeling betrokken zeven vennootschappen en dat [eiseres] als gevolg van de door de curator gekozen geconsolideerde methode niet mag worden beperkt in haar recht op verrekening (rechtsoverweging 4.7.5). Het frustreren van het beroep op verrekening zou volgens de rechtbank in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst. De rechtbank heeft dat oordeel gebaseerd op de volgende omstandigheden:

i) de wijze van berekening van de regres- en omslagvorderingen door de curator (‘beperkte consolidatie op concernniveau’);

ii) [eiseres] is schuldenaar van een gezamenlijk vorderingsrecht;

iii) betaling aan de curator in zijn hoedanigheid van curator van een van de zeven vennootschappen leidt tot bevrijding jegens de zes andere;

iv) niet inzichtelijk is gemaakt door de curator welk deel van het aan de curator toegewezen bedrag aan [[F]] toekomt.

4.12

Anders dan de rechtbank acht het hof deze omstandigheden, ieder voor zich en in onderling verband en samenhang, niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat, hoewel niet aan de vereisten van artikel 53 Fw / artikel 6:127 BW is voldaan, toch een beroep op integrale verrekening, zoals primair gevorderd moet worden gehonoreerd. Die omstandigheden komen in essentie neer op dezelfde bezwaren die [eiseres] in de arbitrageprocedure heeft gemaakt tegen de berekening door de curator van de vorderingen. Die bezwaren zijn gehonoreerd in de beslissing van de arbiters in hoger beroep, aldus dat de vorderingen van de curator in omvang beperkt zijn toegewezen, maar dat brengt niet mee dat dit ook moet leiden tot een

dergelijke vergaande bevoegdheid tot verrekening.

Voor het honoreren van het (terughoudend te beoordelen) standpunt van [eiseres] dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid of kennelijk onaanvaardbaar is dat zij niet zou mogen verrekenen, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Op haar rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van dergelijke feiten en omstandigheden. Zoals hiervoor in 4.9 is overwogen is van een gezamenlijk vorderingsrecht geen sprake, waarmee de onder i) tot en met iii) genoemde omstandigheden niet opgaan, Ook de wijze van berekening van de vorderingen als zodanig is daarvoor niet voldoende. Dat geldt ook voor de onder iv) genoemde omstandigheid, waarvan de juistheid door de curator is betwist. Een integrale verrekeningsbevoegdheid, zoals door [eiseres] bepleit, zou meebrengen dat de boedels van de andere vennootschappen dan [[F]] benadeeld zouden worden, doordat zij hun vorderingen niet betaald krijgen. Dat deze vennootschappen regres- en omslagvorderingen hebben, heeft [eiseres] niet bestreden. Ook de belangen van deze boedels moeten in het oog worden gehouden. De in pleidooi in hoger beroep ingenomen stelling, dat de curator gezien zijn berekeningen in het kader van overleg na de arbitrale procedure van koers zou zijn veranderd en een ander standpunt zou hebben over deze vorderingen op [eiseres], is door de curator betwist. Dat de curator zijn rechten heeft verwerkt of anderszins niet meer onverkort zou mogen vasthouden aan de veroordeling op grond van de arbitrageprocedure en dat en hoe daardoor een verrekeningsbevoegdheid is ontstaan is door [eiseres] onvoldoende onderbouwd.

4.13

Het voorgaande brengt mee dat grief II van de curator slaagt en dat de primaire vordering van [eiseres] alsnog dient te worden afgewezen. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1.3.1 van het middel klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof, ervan uitgaande dat de zeven vennootschappen niet een gezamenlijk vorderingsrecht op [eiseres] hebben, heeft geoordeeld (in rov. 4.12) dat ook de in rov. 4.11 achter (i) en (iii) weergegeven omstandigheden “niet opgaan”. Het onderdeel voert daartoe aan dat ook als geen sprake is van een gezamenlijk vorderingsrecht, nog steeds gewicht kan toekomen aan de wijze van berekening van de regres- en omslagvorderingen door de Curator in de arbitrageprocedure. Onderdeel 1.3.2 klaagt dat het hof (in rov. 4.9, 4.11 en 4.12) heeft miskend dat de geconsolideerde toewijzing in het arbitrale hoger beroep van gewicht is of kan zijn voor het beroep van [eiseres] op een verrekeningsbevoegdheid op grond van de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft in het bijzonder miskend dat het gegeven dat het scheidsgerecht in hoger beroep bezwaren heeft gehonoreerd, onverlet laat dat de processtrategie van de Curator in de arbitrageprocedure tot gevolg heeft of kan hebben dat de redelijkheid en billijkheid het rechtsgevolg van volledige verrekening meebrengen, aldus de klacht.

3.1.2

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.1.3

Uit de verwijzing in de door de onderdelen bestreden rov. 4.12 naar rov. 4.9 blijkt dat het hof in aanmerking heeft genomen dat de Curator in de arbitrageprocedure een regresvordering en een omslagvordering per vennootschap heeft berekend en dat het bedrag dat hij in de arbitrageprocedure in het petitum heeft gevorderd, een optelsom is van die bedragen, dat daaruit niet blijkt dat de Curator heeft beoogd een gezamenlijk vorderingsrecht in te stellen en dat [eiseres] dat ook niet zo heeft begrepen of redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen. Daaraan heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de gevolgtrekking verbonden dat [eiseres] op grond van het arbitrale vonnis in hoger beroep weliswaar bevrijdend kon betalen aan de Curator, maar dat de Curator in dat geval zou optreden als curator van elk van de zeven vennootschappen tezamen en niet van slechts één van die vennootschappen en dat aan omstandigheid (iii) derhalve niet de door [eiseres] voorgestane betekenis toekomt.

3.1.4

Met de overweging dat de onder (i) bedoelde omstandigheid niet opgaat, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de berekening van de regres- en omslagvorderingen als een optelsom van per vennootschap afzonderlijk berekende bedragen noch op zichzelf, noch in samenhang met de andere aangevoerde omstandigheden meebrengt dat [eiseres] deze integraal met haar vordering op [F] mag verrekenen. Daaraan doet naar het oordeel van het hof kennelijk niet af dat deze berekening is gekenschetst als een ‘beperkte consolidatie op concernniveau’ in verband met de wijze van toerekening van de opbrengst van de activa – waaronder overigens geen activa van [F] (zie hierna in 3.2.4). Hiervan uitgaande is deze overweging van het hof, in het licht van de vaststelling (in rov. 4.9) dat de Curator onbestreden heeft gesteld dat de wijze van berekening van de regres- en omslagvorderingen op de destijds bestaande stand van de jurisprudentie was gebaseerd, niet onbegrijpelijk. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten falen derhalve.

3.2.1

Onderdeel 1.3.3 klaagt dat onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is het oordeel (in rov. 4.12) dat de omstandigheid dat de Curator niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van het aan de Curator toegewezen bedrag aan [F] toekomt, al in de arbitrageprocedure aan de orde is geweest. Het onderdeel betoogt dat de bedoelde omstandigheid ook ziet op de fase na de arbitrageprocedure. Het onderdeel klaagt verder dat de kern van het betoog van [eiseres] was dat de Curator door zijn processtrategie in de arbitrageprocedure en in de onderhavige procedure een behoorlijk verweer van [eiseres] heeft belet en dat [eiseres] in verband daarmee enige essentiële stellingen heeft betrokken waarop het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd.

3.2.2

Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof heeft miskend dat [eiseres] zich mede erop heeft beroepen dat de Curator niet slechts in de arbitrale procedure maar ook daarna onvoldoende inzicht heeft verschaft in de hoogte van de vordering van [F], faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit rov. 4.12, laatste twee volzinnen, blijkt immers dat het hof onder ogen heeft gezien dat [eiseres] in hoger beroep heeft aangevoerd dat de Curator na de arbitrale procedure van koers is veranderd en een ander standpunt had over de vorderingen op [eiseres].

3.2.3

Voor zover het onderdeel erop berust dat het hof in het kader van het beroep van [eiseres] op de redelijkheid en billijkheid ten onrechte geen gewicht heeft gehecht aan de omstandigheid dat de Curator niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van het door het scheidsgerecht toegewezen bedrag aan [F] toekomt en dat de Curator zo een behoorlijk verweer door [eiseres] heeft belet, geldt het volgende. Zoals hiervoor in 3.1.3 aan de orde kwam, heeft het hof in rov. 4.9 in aanmerking genomen dat de Curator in de arbitrageprocedure een regresvordering en een omslagvordering per vennootschap heeft berekend en dat het bedrag dat hij in de arbitrageprocedure in het petitum heeft gevorderd een optelsom is van die bedragen. Verder heeft het hof in rov. 4.9 in aanmerking genomen dat [eiseres] heeft aangevoerd dat de wijze waarop de Curator de regres- en omslagvorderingen heeft berekend ondoorzichtig was, maar dat zij niet heeft bestreden dat deze wijze van berekening was gebaseerd op de volgens de Curator destijds bestaande stand van de jurisprudentie. Kennelijk was het hof van oordeel dat geen grond bestaat voor het verwijt dat de Curator een processtrategie heeft gevolgd om een behoorlijk verweer van [eiseres] te beletten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd.

3.2.4

Overigens laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat [eiseres] in de arbitrale procedure wel degelijk concreet en cijfermatig verweer heeft gevoerd tegen de door de Curator berekende hoogte van de regres- en omslagvorderingen van [F]. Daarbij achtte (ook) zij de opbrengst van de activa voor de hoogte van de vorderingen van [F] niet van belang, aangezien er geen activa van [F] waren te gelde gemaakt. Subsidiair heeft [eiseres] betoogd dat de omslagvordering pas kan worden berekend als alle faillissementen zijn afgewikkeld, welk laatste standpunt zij ook in de onderhavige procedure heeft ingenomen. Met dit een en ander valt bezwaarlijk te rijmen dat [eiseres] door de Curator zou zijn belet om behoorlijk verweer te voeren.

3.3.1

Onderdeel 2 betoogt, onder meer, dat het hof in strijd met art. 23 Rv heeft nagelaten te onderzoeken en te beslissen of de primaire vordering van [eiseres] gedeeltelijk toewijsbaar is. Het onderdeel betoogt dat, nu niet in geschil is dat [eiseres] een vordering heeft op [F], het beroep op verrekening in ieder geval toewijsbaar was voor zover het door het scheidsgerecht toegewezen bedrag door [eiseres] verschuldigd is aan [F].

3.3.2

Gezien de weergave van de primaire vorderingen van [eiseres] door het hof (hiervoor in 2.2 aangehaald), in het bijzonder de daarin voorkomende woorden “tot het gehele beloop” en “geheel en al”, heeft het hof deze vorderingen kennelijk aldus opgevat dat het [eiseres] uitsluitend te doen was om een verklaring voor recht dat zij het gehele door het scheidsgerecht toegewezen bedrag heeft mogen verrekenen met haar vordering op [F] en zij aldus geheel en al is bevrijd van haar schuld jegens de Curator. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat [eiseres] zich in de onderhavige procedure (anders dan in de arbitrageprocedure) niet concreet en cijfermatig heeft uitgelaten over de hoogte van de regres- en omslagvordering van [F] en de omstandigheid dat er aldus ook voor de Curator geen aanleiding was om nader op die vorderingen in te gaan. Hierop stuit het onderdeel af.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Curator begroot op € 2.088,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.V. Polak en de raadsheren A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 24 september 2021.

1 HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:363.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:511.