Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1249

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/04727
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:524
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Poging tot diefstal van vee (24 geiten) uit weide (kunuku), art. 324.1 Sr BES. Is kunuku (knoek) een “weide” a.b.i. art. 324.1 Sr BES? Bij beantwoording van vraag of land een “weide” is a.b.i. art. 324 Sr BES kunnen inrichting, bestemming en gebruik van dat land in aanmerking worden genomen. Nu hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat in bewezenverklaring bedoelde kunuku een omheind erf betrof dat werd gebruikt voor het weiden van geiten, getuigt zijn oordeel dat sprake is van poging tot diefstal van vee uit “weide” niet van onjuiste rechtsopvatting.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04727 C

Datum 14 september 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 29 mei 2019, nummer H-31/2019, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een poging tot diefstal van vee uit de “weide”. Het voert daartoe onder meer aan dat een kunuku (knoek) geen weide is als bedoeld in artikel 324 aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht BES (hierna: Sr BES).

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op 15 januari 2017, op het eiland Bonaire, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen, uit een kunuku, gelegen te [plaats], stuks vee, te weten 24 geiten, toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2],

voorzien van gereedschap om een val te maken naar die kunuku is gegaan en aldaar een val heeft gemaakt en/of dat vee heeft opgejaagd in de richting van de val en het vee verhinderd om een andere richting op te lopen dan waar de val is gelegen en het vee heeft vastgebonden en dat vee onder zijn bereik heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Op 15 januari 2017 omstreeks 18.15 uur, werden de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] naar aanleiding van een melding bij de centrale meldkamer van de politie gedirigeerd in de omgeving van een knoek, waar een verdachte voertuig, een dubbel cabine pick-up, geparkeerd stond. Daar zou vermoedelijk diefstal van geiten gaande zijn. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Ter plaatse aangekomen wees de melder ons aan waar het voertuig geparkeerd stond. Wij troffen ter plaatse het voertuig aan. Wij zagen drie personen staan en voor die personen lagen enkele geiten op de grond. Toen heb ik, verbalisant [verbalisant 3] de verdachten hardop aangeroepen. Wij zagen dat de verdachten probeerden te vluchten en één van hen ging in het bos. Ik, verbalisant [verbalisant 3], heb wederom de verdachten hardop aangeroepen. Wij, zagen dat de verdachten vervolgens zijn blijven staan. Bij het benaderen van de verdachten, herkende ik, verbalisant [verbalisant 3], één van de verdachten als [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte). Wij, zagen dat er heel veel geiten op de grond lagen. De geiten waren met touw vastgebonden. Wij zagen dat een hek was vastgebonden aan een hek van een andere knoek en dat het hek zodanig was vastgebonden en gezet, dat de geiten geen andere kant op konden. Wij hebben vervolgens de drie verdachten op 15 januari 2017 aangehouden. De melder en zijn zoon gingen kijken of ze enkele van de geiten konden herkennen. Wij zagen dat één van de geiten dood was en dat deze geit een oormerk had. De melder herkende het oormerk als dat van de geiten van zijn broer genaamd [betrokkene 3]. De melder vertelde aan mij, verbalisant [verbalisant 3], dat de andere geiten volgens hem van [betrokkene 1] zijn.”

2. Op 15 januari 2017 hebben de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een hoeveelheid met touw gebonden geiten op de grond aangetroffen en in beslag genomen. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“Er waren in totaal 24 geiten, waarvan 1 geit is doodgegaan.”

3. Op 15 januari 2017 hebben de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] twee tangen aangetroffen en in beslag genomen. Zij hebben het volgende gerelateerd:

“De twee tangen werden gebruikt om het hek vast te houden.”

4. [betrokkene 1] deed op 16 januari 2017 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Op 15 januari 2017 werd ik door een bewoner uit de omgeving gebeld. Deze vertelde aan mij dat een aantal personen op mijn terrein achter mijn geiten aan zaten. De bewoner vroeg mij om ter plaatse te komen. Ter plaatse zag ik buiten de omheining van mijn erf een van draad gemaakte val in de vorm van een 'V' gespannen, en enkele tangen. Ik telde vierentwintig geiten in de val. Ik zag dat de geiten op drie geitjes na op de grond lagen en bij hun poten waren vastgebonden. Ik zag dat één geit levenloos op de grond lag. Ik herkende de groep geiten welke in de val zaten als mijn geiten, behalve de dode geit, omdat ik elke dag intensief voor ze zorg en met ze bezig ben. Ik zag ook dat een gedeelte van mijn erfomheining welke aan de val grensde naar beneden gedeukt was. Doordat het gaas omlaag geduwd was konden de geiten makkelijk in de val lopen. Ik zag drie agenten met een man aanlopen, waarvan ik begreep dat hij één van de daders was. Ik herkende de man als [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte). Mijn dochter vertelde later aan mij dat zijn achternaam [verdachte] is.”

5. Op 16 januari 2017 werd aan [betrokkene 1] de geiten getoond. Hij heeft het volgende verklaard:

“U toont mij 24 geiten. 23 geiten van deze geiten herken ik als mijn eigendom. Ik herken deze geiten aan hun kleurcombinatie en ras. Ik ben in deze buurt de enige persoon in het bezit van geiten in deze kleurcombinatie. Ik heb deze geiten gisteren nog gezien op mijn terrein.”

6. Op 16 januari 2017 werd aan [betrokkene 7] de geiten getoond. Hij heeft het volgende verklaard:

U toont mij de geiten. Geen een van deze geiten is mijn eigendom. Deze geiten zijn van een ander ras. De kleuren komen ook niet overeen met de kleuren van mijn geiten. Volgens mij is [betrokkene 1] de enige met dit ras in de buurt. Een geitenhouder herkent zijn geiten aan de kleuren. Ik kan u verklaren dat geen van deze geiten van de man [verdachte] is.

7. [betrokkene 2] deed op 16 januari 2017 aangifte. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

“Mijn vader heeft een knoek gelegen te [plaats]. Onze geiten hebben een oormerk onder de naam van mijn vader [betrokkene 3]. Op 15 januari 2017 kwam mijn oom bij mij thuis. Hij vertelde dat de politie mensen heeft aangehouden voor diefstal van geiten. Hij heeft ter plaatse waargenomen dat één van de geiten dood was en dat de geit van mij was, omdat hij het oormerk herkende. Toen mijn oom het oormerk en de kleur van de geit omschreef, wist ik meteen dat deze geit inderdaad mijn geit was.”

8. De verdachte heeft op 16 januari 2017 bij de politie het volgende verklaard:

“Op 15 januari 2017 ging ik (het Hof begrijpt: naar [plaats]) met een vriend en mijn vrouw om mij te helpen. Wij hadden toen een val gezet en een aantal geiten gevangen. Tijdens het vangen was een geit doodgegaan.”

9. De verdachte heeft op 30 januari 2017 bij de politie het volgende verklaard:

“De dag daarna (het Hof begrijpt: 15 januari 2017) gingen [betrokkene 4], mijn vrouw en ik weer in de knoek van [betrokkene 6] (het Hof begrijpt: knoek ter hoogte van [plaats]). [betrokkene 5] en ik hebben samen een val gemaakt. Toen wij klaar waren met de val gingen wij in de richting van de geiten om de geiten in de richting van de val te jagen. Toen wij de geiten in de val hadden gekregen begonnen [betrokkene 5] en ik de geiten vast te binden. Toen wij wilden gaan beginnen om de geiten richting de auto te brengen, zag ik dat de politie ter plaatse was gekomen. Ik zag dat één van de geiten dood is gegaan. Ik denk dat toen ze in de val was gelokt zij al moe was en dat ze door de drukte van al de geiten op elkaar is doodgegaan. De kniptangen zijn van mij. Ik heb ze zelf daar naartoe meegenomen.”

2.2.3

Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:

“Poging tot diefstal van vee uit de weide.”

2.3

Artikel 324 aanhef en onder 1° Sr BES luidt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. diefstal van vee uit de weide;.”

2.4

Bij de beantwoording van de vraag of land een “weide” is als bedoeld in artikel 324 Sr BES kunnen de inrichting, bestemming en het gebruik van dat land in aanmerking worden genomen.

2.5

Nu het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de in de bewezenverklaring bedoelde kunuku een omheind erf te [plaats] betrof dat werd gebruikt voor het weiden van geiten, getuigt zijn oordeel dat sprake is van een poging tot diefstal van vee uit de “weide” niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.6

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft het eerste middel voor het overige en het tweede cassatiemiddel beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van $ 1000 zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2021.