Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
20/03053
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:581
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 en/of 94a Sv op onroerend goed en huuropbrengsten onder klaagster en haar ex-partner t.z.v. verdenking van overtreding van Opiumwet en witwassen van geldbedragen. Heeft Rb in het midden gelaten o.g.v. welke bepaling het beslag is gelegd en niet duidelijk gemaakt welke maatstaf zij heeft toegepast? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 inhoudende dat t.t.v. behandeling raadkamer duidelijk moet zijn welke bepaling of bepalingen aan beslag ten grondslag ligt of liggen om juiste beoordelingsmaatstaf te kunnen hanteren. Rb heeft geen acht geslagen op overzicht van beslag en waarde daarvan omdat dit overzicht te laat door OM is verstrekt, terwijl Rb mede hierdoor niet over voldoende gedetailleerde informatie beschikt over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Gelet hierop is oordeel Rb dat klaagschrift gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, niet z.m. begrijpelijk. Rb heeft immers in het midden gelaten o.g.v. welke bepaling(en) het beslag is gelegd en op grond van welke maatstaf of maatstaven dat beslag is beoordeeld.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/03059 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03053 B

Datum 14 september 2021

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juni 2020, nummer RK 20/65, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag.

2.2

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster, dat strekt tot teruggave aan haar van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“De verdenking in deze zaak betreft onder meer het in crimineel verband plegen van Opiumwetdelicten die mede gelieerd zijn aan een (illegale) coffeeshop en het witwassen van geldbedragen.

De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de zitting aangeleverde procestukken (dit betreft de processen verbaal van voorgeleiding en voortgang van de eerder gehouden pro forma zitting in de hoofdzaak) slechts summiere en fragmentarische informatie bevatten over objecten die in beslag zijn genomen. Weliswaar is door de officier van justitie tijdens de zitting per e-mailbericht een Excel-bestand met een overzicht van het beslag en de waarde daarvan verstuurd, maar gelet op deze late verstrekking en het daardoor ontbreken van een mogelijkheid bij de verdediging om daarover een standpunt in te nemen zal de rechtbank geen acht slaan op dit bestand.

De rechtbank heeft hierdoor onvoldoende gedetailleerde informatie over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten. Daar komt bij dat de officier van justitie heeft gesteld dat er tussen (de bezittingen van) klaagster en medeverdachte [betrokkene 1] met betrekking tot de verdenkingen en het wederechtelijk verkregen voordeel een grote mate van verwevenheid bestaat. Ook om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten en zal zij voorts komen tot een integrale beoordeling van de vraag naar de gegrondheid van het beklag.

Zoals uit vaste jurisprudentie blijkt draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klaagster, of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Indien sprake is van een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv dient de rechter die over het beklag van de beslagene heeft te oordelen, te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit tot het oordeel komt dat het beslag niet gehandhaafd kan worden. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan een wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag (in het kader van artikel 94a Sv-beslag), maar ook een afweging tussen de belangen van strafvordering enerzijds en de persoonlijke belangen van de klaagster anderzijds.

Het dossier bevat ten aanzien van klaagster een in een proces verbaal aanvraag SFO vervatte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin dit voordeel voorlopig wordt geschat op € 1.616.090. Ten aanzien van medeverdachte [betrokkene 1] wordt in een aanvraag proces verbaal SFO het voordeel voorlopig geschat op ten minste € 80.000. In de klaagschriftprocedure is door de officier van justitie aangegeven dat er sprake is van voortschrijdend inzicht over de hoogte van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel en dat een voorlopige inschatting is dat het voordeel thans minimaal € 2.200.000 beloopt. De rechtbank constateert dat het klaagschriftdossier geen onderbouwende berekening van dit bedrag bevat.

Desgevraagd heeft de officier van justitie in raadkamer aangegeven dat als rekening wordt gehouden met een lagere taxatiewaarde dan door de verdediging is gesteld, de totale waarde van het beslag (met uitzondering van de als vervolgprofijt aangemerkte huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment door het openbaar ministerie geschatte voordeel. Het beslag dekt, aldus de officier van justitie, thans het voorlopig geschatte door klaagsters verkregen (en te ontnemen) wederrechtelijke verkregen voordeel.

Zoals hiervoor overwogen draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Van de rechter kan niet worden verwacht dat hij ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure treedt, met name niet omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat er tevens voor gewaakt dient te worden dat door (een te ruime) beslaglegging vooruit wordt gelopen op de mogelijke uitkomst van de beslissing(en) in de hoofdzaak en de ontnemingszaak en dat de beslaglegging daarmee feitelijk een bestraffend karakter krijgt.

Gelet op de (op dit moment) niet onderbouwde berekening van de officier van justitie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 2.200.000 bedraagt, de stelling van de officier van justitie dat de waarde van het beslag (uitgezonderd de huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van klaagster en de verwachting dat een eindoordeel in de hoofdzaak en de ontnemingszaak nog geruime tijd op zich laat wachten, ziet de rechtbank aanleiding om het beklag gegrond te verklaren voor zover het ziet op het beslag op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de in beslag genomen panden.

De rechtbank overweegt daarbij uitdrukkelijk dat de teruggave in de klaagschriftprocedure geenszins uitsluit dat de rechtbank ten aanzien van de huuropbrengsten van een of meer panden later tot het oordeel kan komen dat deze huuropbrengsten als vervolgprofijt en daarmee als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt dienen te worden.”

2.3

Om de juiste beoordelingsmaatstaf te kunnen hanteren zal ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk moeten zijn welke bepaling of bepalingen aan het beslag ten grondslag ligt of liggen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a lid 1 of lid 2 Sv, dient de rechter te onderzoeken a. of er op het moment van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter aan de klager of klaagster, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.)

2.4

Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op een overzicht van het beslag en de waarde daarvan omdat dit overzicht te laat door het openbaar ministerie is verstrekt, en dat de rechtbank mede hierdoor niet over voldoende gedetailleerde informatie heeft beschikt over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank heeft immers in het midden gelaten op grond van welke bepaling of bepalingen het beslag is gelegd en op grond van welke maatstaf of maatstaven dat beslag is beoordeeld. Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en van het tweede cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2021.