Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-09-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
20/01557
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:225, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:423, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Hoor en wederhoor (art. 19 Rv, art. 6 EVRM); afwijzing verzoek om te mogen reageren op nieuwe stellingen en producties in het laatste processtuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01557

Datum 10 september 2021

ARREST

In de zaak van

AIRWORKS AVIATION SOLUTIONS B.V., voorheen genaamd FRANKLIN SERVICE PRODUCTS B.V.,
gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: Franklin,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

AGRIFIRM INTERNATIONAL B.V., voorheen genaamd Coöperatieve CEHAVE LANDBOUWBELANG U.A.,
gevestigd te Apeldoorn,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: Cehave,

advocaat: M.B.A. Alkema.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak 160883 / HA ZA 07-1256 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 maart 2011 en 20 juni 2012;

  2. de arresten in de zaak 200.114.930/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2013, 31 maart 2015, 8 september 2015, 29 december 2015, 23 mei 2017 en 11 februari 2020.

Franklin heeft tegen het arrest van het hof van 11 februari 2020 beroep in cassatie ingesteld.

Cehave heeft een verweerschrift tot referte tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.

Franklin heeft in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep een verweerschrift ingediend tot referte ten aanzien van middelonderdeel 1 en tot verwerping van middelonderdeel 2 tot en met 4.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van Franklin heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Franklin en Cehave zijn met ingang van 1 januari 1999 een joint venture-overeenkomst aangegaan. De overeenkomst is vastgelegd in een akte van 7 juni 1999 (hierna: de joint venture-overeenkomst).

(ii) Ter uitvoering van de joint venture-overeenkomst is InCo-öp B.V. (hierna: InCo-öp) opgericht. Franklin en Cehave verkregen elk 50% van de aandelen in InCo-öp.

(iii) Cehave heeft de joint venture-overeenkomst opgezegd tegen 31 december 2000. Feitelijk is de samenwerking in de joint venture per 31 december 2001 geëindigd.

(iv) Art. 10 lid 6 van de joint venture-overeenkomst luidt als volgt:

“(…)

Ingeval van opzegging met inachtneming van het hiervoor bepaalde is de opzeggende aandeelhouder verplicht de aandelen in de vennootschap van de wederpartij over te nemen voor een bedrag vast te stellen door 3 deskundigen tenzij de aandeelhouder aan wie wordt opgezegd de aandelen van de opzeggende aandeelhouder wenst over te nemen.

De aandeelhouder aan wie wordt opgezegd heeft derhalve de keuze: of hij draagt zijn aandelen over aan de opzeggende partij of hij neemt de aandelen van de opzeggende partij over, in welk geval de overnameprijs eveneens wordt vastgesteld conform het hier bepaalde.

(…) Het door de 3 deskundigen vast te stellen bedrag wordt bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten:

1. De opzeggende aandeelhouder vergoedt aan de wederpartij de waarde van diens aandelen, zijnde 50% van: het zichtbaar eigen vermogen van de Vennootschap, vermeerderd met eventuele stille reserves in de aanwezige activa, uitgaande van de going-concern waarde.

2. Ingeval van opzegging door Cehave (…) vóór 1 januari 2003 zal Cehave (…) aan [Franklin] of daarmee gelieerde vennootschap bovendien een vergoeding betalen ter grootte van het percentage van de margederving van Franklin als hierna omschreven, van de omzet van Franklin in het kalenderjaar waarin wordt opgezegd. Met margederving wordt bedoeld het marge nadeel van Franklin door het wegvallen van de schaalvoordelen van de joint-venture.

(…)”

(v) Ter vaststelling van de waarde (van 50%) van de aandelen in InCo-öp en de hoogte van de margederving als bedoeld in art. 10 lid 6 van de joint venture-overeenkomst hebben partijen ieder een deskundige benoemd en hebben deze deskundigen een derde deskundige laten benoemen door het Nivra.

De deskundigen hebben op 31 maart 2005 een (definitief) bindend advies uitgebracht. Daarin is de waarde van de aandelen per ultimo 2001 vastgesteld op fl. 843.089,-- (€ 382.577,--) en de margederving op fl. 18.616, (€ 8.448,).

2.2

In deze zaak heeft Franklin, voor zover in cassatie van belang, gevorderd het bindend advies nietig te verklaren, althans te vernietigen, de waarde van de aandelen vast te stellen en Cehave te verplichten de aandelen van Franklin over te nemen tegen de vastgestelde waarde.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

2.4

In zijn arrest van 23 mei 20171 heeft het hof een bewijsopdracht aan Franklin gegeven.

2.5

Nadat getuigen zijn gehoord, heeft Franklin een ‘memorie na enquête tevens antwoordakte tevens reactie op herzieningsverzoek’ genomen, waarna Cehave een ‘antwoordmemorie na enquête tevens akte uitlating vermeerdering van eis’ heeft genomen.

2.6

Op 4 december 2019 heeft Franklin verzocht om bij akte te mogen reageren op de door Cehave bij haar laatste memorie overgelegde producties. Namens de rolraadsheer heeft de griffier bij fax van 12 december laten weten dat dit verzoek wordt afgewezen, en daartoe onder meer geschreven:

“Er kan van worden uitgegaan dat indien een partij niet in de gelegenheid is geweest te reageren op nieuwe stellingen of producties van de wederpartij, de behandelend kamer ofwel die stellingen of producties buiten beschouwing zal laten, ofwel bij tussenarrest eerstbedoelde partij alsnog in de gelegenheid zal stellen daarop bij akte of memorie te reageren. Dat betekent dat uw verzoek wordt afgewezen.”

2.7

Bij eindarrest2 heeft het hof onder meer voor recht verklaard dat de gevolgen van art. 10 lid 6 van de joint venture-overeenkomst worden gewijzigd, in die zin dat de waarde van de aandelen van Franklin in InCo-öp per 1 januari 2002 wordt vastgesteld op de intrinsieke waarde vermeerderd met de goodwill en Cehave verplicht de aandelen van InCoöp van Franklin over te nemen tegen betaling van € 391.024,--.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Onderdeel 2.2 van het middel klaagt dat het hof het verzoek van Franklin om in de gelegenheid te worden gesteld om nog te reageren op de door Cehave bij haar laatste memorie overgelegde producties, heeft afgewezen en vervolgens bij zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de getuigen nieuwe stellingen van Cehave in haar laatste memorie heeft betrokken. Daarmee heeft het hof het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, zoals opgenomen in art. 19 Rv en art. 6 EVRM, geschonden, aldus het onderdeel.

3.2

Het onderdeel gaat ervan uit dat het hof de bij de laatste memorie van Cehave overgelegde producties en het daarover in die memorie gestelde in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Het onderdeel kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 18.11 van zijn eindarrest overwogen dat het de verklaringen van de door Franklin voorgebrachte getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] met behoedzaamheid waardeert, omdat uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij nog steeds is betrokken aan de zijde van Franklin, over de wijze van voorbereiding voor het getuigenverhoor wezenlijke verschillen bestaan tussen de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en voorts omdat niet kan worden uitgesloten dat laatstgenoemde getuigen elkaar in een gezamenlijk gesprek voorafgaand aan het getuigenverhoor hebben beïnvloed. Niet blijkt dat het hof zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de getuigen mede heeft gebaseerd op de bij de laatste memorie door Cehave overgelegde producties en op daarover door Cehave aangevoerde stellingen.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.4

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

  • -

    verwerpt het principale beroep;

  • -

    veroordeelt Franklin in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cehave begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 800,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 10 september 2021.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2232.

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:423.