Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1169

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-07-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
19/05516
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:133, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:7410, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht, privacyrecht. Verzoek van vader om bepaalde gegevens over hem en zijn kind te verwijderen uit een hulpverleningsplan. Is de vader betrokkene in de zin van art. 7.3.9 Jeugdwet? Motiveringsklachten tegen oordeel dat bepaalde gegevens niet voor verwijdering in aanmerking komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05516

Datum 16 juli 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

STICHTING DE RADING,
gevestigd te Hollandsche Rading,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerderster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de hulpverleningsinstelling,

advocaat: T. van Malssen,

tegen

[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vader,

advocaat: H.J.W. Alt

als belanghebbende aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats]

hierna: de moeder,

niet verschenen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/16/445563 / HA RK 17-196 van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2018;

  2. de beschikking in de zaak 200.241.026 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019.

De hulpverleningsinstelling heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vader heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019 en tot afdoening als in de conclusie onder 3.26 voorgesteld.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vader en de moeder zijn de ouders van een dochter, geboren in 2012. De ouders zijn kort na de geboorte van de dochter gescheiden. In 2013 is de dochter onder toezicht gesteld. In het kader van deze ondertoezichtstelling is in 2013 een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. De ondertoezichtstelling is in 2014 beëindigd.

(ii) De hulpverleningsinstelling is een organisatie die gespecialiseerde jeugdhulp verleent aan kinderen, jongeren en ouders.

(iii) In 2014 heeft een hulpverlener, die als contextueel therapeute werkzaam was bij de hulpverleningsinstelling, een eerste hulpverleningsplan (hierna: het hulpverleningsplan) aan de moeder verzonden. Vervolgens heeft de hulpverlener een aanvulling op het eindverslag opgesteld (hierna: de aanvulling op het eindverslag).

(iv) De vader heeft over het handelen van de hulpverlener, ten tijde van de hulpverlening na het afgegeven indicatiebesluit, een klacht ingediend bij de NVPA klachtencommissie. De klachtencommissie heeft de hulpverlener een waarschuwing opgelegd.

(v) De vader heeft de hulpverlener verzocht gegevens te verwijderen. De hulpverlener heeft de vader doorverwezen naar de hulpverleningsinstelling. De hulpverleningsinstelling heeft de vader laten weten niet te zullen voldoen aan zijn verzoek tot vernietiging van (delen van) het dossier.

(vi) Vervolgens heeft de vader de hulpverlener verzocht persoonsgegevens van hem en zijn dochter te verwijderen op grond van art. 36 Wet bescherming persoonsgegevens (oud) (hierna: Wbp (oud)). In een bijlage bij zijn verzoek, bestaande uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag, heeft de vader de passages aangewezen die naar zijn mening uit deze twee stukken moeten worden verwijderd.

(vii) De hulpverleningsinstelling heeft meegedeeld dat zij eerder op de verwijderingsverzoeken van de vader heeft gereageerd en ook nu niet aan het verzoek van de vader kan voldoen.

2.2

In dit geding verzoekt de vader, samengevat en voor zover in cassatie van belang, primair de hulpverleningsinstelling te bevelen het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag op grond van de Jeugdwet te verwijderen en te vernietigen, en subsidiair de hulpverleningsinstelling te bevelen op grond van art. 36 Wbp (oud) bepaalde stukken tekst uit het hulpverleningsplan en de aanvulling op het eindverslag te verwijderen.

2.3

De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen.

2.4

Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd, bepaald dat de hulpverleningsinstelling twee in het dictum genoemde punten uit het hulpverleningsplan moet verwijderen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 5.5, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“Het hof acht de vader betrokkene in de zin van de Jeugdwet en overweegt daartoe als volgt. Op 16 mei 2013 is het kind, dat toen één jaar oud was, onder toezicht gesteld. In het kader van die ondertoezichtstelling is een indicatiebesluit afgegeven voor de verlening van jeugdhulp. Die jeugdhulp was gericht, gelet op de zeer jonge leeftijd van het kind, op de vader en de moeder. De hulp bestond uit een bemiddelingstraject voor de ouders en ondersteuning voor hen bij de opvoeding en zorg voor het kind door middel van contextuele gezinstherapie. Gelet op de inhoud van het indicatiebesluit, dat duidelijk zag op hulpverlening die gericht was op beide ouders, ten behoeve van een op dat moment zeer jong kind, acht het hof de vader betrokkene in de zin van de Jeugdwet. De hulpverlening werd immers ten aanzien van beide ouders voorgesteld (zie artikel 7.3.1 lid 2 Jeugdwet). Het hof kent aan het begrip betrokkene dan ook een ruimere uitleg toe dan door de hulpverleningsinstelling (…) is betoogd. Zoals uit (…) de memorie van toelichting blijkt kan de jeugdhulp ten behoeve van een minderjarige ook enkel zien op de ouders. Dat uiteindelijk feitelijk geen hulp aan de vader is verleend door de hulpverleningsinstelling (…) doet er niet aan af dat de vader als betrokkene moet worden aangemerkt. Het betoog van de hulpverleningsinstelling (…) en de moeder dat het dossier bij de hulpverleningsinstelling enkel op naam van de moeder staat, hetgeen door de vader overigens is betwist, heeft niet tot gevolg dat de vader geen betrokkene is in de zin van de Jeugdwet. Ook het verweer van de hulpverleningsinstelling (…) dat zij een geheimhoudingsplicht jegens derden heeft, gaat niet op, nu de vader als betrokkene moet worden aangemerkt. De conclusie luidt dat de vader als betrokkene een verzoek kan doen tot vernietiging van gegevens op grond van artikel 7.3.9 lid 2 Jeugdwet.”

Het onderdeel klaagt dat waar (i) het hof zelf (in rov. 5.5) heeft vastgesteld dat geen sprake is van daadwerkelijke verlening van jeugdhulp in de zin van art. 7.3.4 Jeugdwet aan de persoon (hier: de vader) die op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet verzoekt om vernietiging van (delen van) het dossier, en (ii) in cassatie veronderstellenderwijs vaststaat dat het dossier op de voet van art. 7.3.8 Jeugdwet is ingericht met het oog op de daadwerkelijke verlening van jeugdhulp aan een ander dan de verzoeker, art. 7.3.9 Jeugdwet niet kan dienen als grondslag voor een aanspraak van die verzoeker op vernietiging van het dossier.

3.1.2

Art. 1.1 Jeugdwet bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder “jeugdhulp” wordt verstaan “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders”. Dit betekent dat jeugdhulp ook kan worden verleend aan een ouder of beide ouders van een kind.1

3.1.3

Paragraaf 7.3 Jeugdwet bevat bepalingen over, onder meer, dossier en privacy.

Art. 7.3.1 lid 2 Jeugdwet bepaalt:

“In deze paragraaf wordt verstaan onder betrokkene: persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitgevoerd wordt of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld.”

In de wetsgeschiedenis is toegelicht dat het woord “rechtstreeks” in art. 7.3.1 lid 2 Jeugdwet is opgenomen opdat uit de omschrijving van het begrip betrokkene “onmiskenbaar blijkt dat het gaat om personen aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend”.2 De bewoordingen “persoon … ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld” zijn in de wetsgeschiedenis niet nader toegelicht.

3.1.4

Art. 7.3.8 lid 1 Jeugdwet schrijft voor dat de jeugdhulpverlener een dossier inricht met betrekking tot de verlening van jeugdhulp. Art. 7.3.8 lid 2 Jeugdwet bepaalt dat de jeugdhulpverlener desgevraagd een door de betrokkene afgegeven verklaring aan het dossier toevoegt. Voor zover hier van belang bepaalt art. 1.1 Jeugdwet dat onder “dossier” wordt verstaan het “geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder (…)”.

3.1.5

Art. 7.3.9 Jeugdwet bevat bepalingen over de vernietiging en de bewaring van gegevens in het in art. 7.3.8 Jeugdwet bedoelde dossier. Ten tijde van het verzoek van de vader bepaalde art. 7.3.9 (oud) Jeugdwet:

“1. De jeugdhulpverlener vernietigt het dossier, of delen daarvan, binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene.

2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek gegevens betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de betrokkene, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.”

Het tweede lid van art. 7.3.9 Jeugdwet is ongewijzigd gebleven. Het huidige art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet bepaalt:

“De jeugdhulpverlener vernietigt de gegevens uit het dossier na een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene.”

3.1.6

In de memorie van toelichting op de Jeugdwet is opgemerkt dat de regeling van het inzagerecht en bewaren en vernietigen van bescheiden in de art. 7.3.1 e.v. Jeugdwet geldt als een bijzondere regeling die derogeert aan de Wbp (oud), maar slechts voor zover het gegevens betreft met betrekking tot degene aan wie hulp wordt verleend. Betreffen de gegevens anderen dan degene aan wie hulp wordt verleend, dan gelden de bepalingen van de Wbp (oud) onverkort, aldus de memorie van toelichting.3

3.1.7

Het hiervoor in 3.1.3-3.1.6 geschetste stelsel van paragraaf 7.3 Jeugdwet moet, voor zover voor deze zaak van belang, aldus worden begrepen dat de bevoegdheid om op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet een verzoek te doen om gegevens uit een dossier te vernietigen, uitsluitend toekomt aan de persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp is of wordt verleend of ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp is of wordt voorgesteld, en over wie de jeugdhulpverlener in verband met die rechtstreeks verleende jeugdhulp, dan wel voorgestelde jeugdhulp een dossier heeft ingericht. Die persoon kan op de voet van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet een verzoek doen tot vernietiging of verwijdering van gegevens uit het dossier dat is ingericht met betrekking tot de rechtstreeks aan hem of haar verleende jeugdhulp, respectievelijk de ten aanzien van hem of haar voorgestelde verlening van jeugdhulp.

Andere personen kunnen aan art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet niet de bevoegdheid ontlenen om een dergelijk verzoek te doen. Wel kunnen deze andere personen in voorkomend geval een beroep doen op de Wbp (oud) of de Algemene verordening gegevensbescherming.4

3.1.8

In rov. 5.5 heeft het hof vastgesteld dat in het kader van de ondertoezichtstelling een indicatiebesluit is afgegeven dat voorzag in de verlening van jeugdhulp die “was gericht (…) op de vader en de moeder” en dat de hulpverlening die in het indicatiebesluit werd voorzien, “ten aanzien van beide ouders werd voorgesteld”. Ook heeft het hof in rov. 5.5 vastgesteld dat “uiteindelijk feitelijk geen hulp aan de vader is verleend door de hulpverleningsinstelling”. Deze vaststellingen zijn in cassatie niet bestreden.

3.1.9

In het licht van hetgeen hiervoor in 3.1.7 is overwogen over het stelsel van paragraaf 7.3 Jeugdwet en uitgaande van de hiervoor in 3.1.8 weergegeven feiten dat weliswaar ten aanzien van beide ouders jeugdhulp is voorgesteld, maar dat de hulpverleningsinstelling aan de vader geen jeugdhulp heeft verleend, moet worden aangenomen dat geen dossier is ingericht over aan de vader verleende jeugdhulp. Bij die stand van zaken kan de vader aan art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet niet de bevoegdheid ontlenen om te verzoeken om vernietiging van gegevens uit het dossier dat is ingericht over de jeugdhulp die aan de moeder is of wordt verleend. Slechts indien de jeugdhulpverlener over de ten aanzien van de vader voorgestelde jeugdhulp een dossier heeft ingericht, kan de vader op grond van art. 7.3.9 lid 1 Jeugdwet verzoeken om gegevens uit dat dossier te vernietigen.

3.1.10

Het vorenstaande betekent dat de klacht van onderdeel 1 gegrond is.

3.2.1

Gegrondbevinding van onderdeel 1 kan echter niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.2.2

Het hof heeft (in rov. 5.8) geoordeeld dat de Jeugdwet omtrent de verwerking en vernietiging van persoonsgegevens op een aantal punten een concretisering van de algemene normen van de Wbp (oud) bevat, en dat het primaire verzoek van de vader, voor zover de beoordeling daarvan niet wordt geregeld in de Jeugdwet, dient te worden getoetst aan de Wbp (oud).

Vervolgens heeft het hof (in rov. 5.10) overwogen dat art. 7.3.9 Jeugdwet een specifieke regel is ten opzichte van art. 36 Wbp (oud) op grond waarvan eveneens kan worden verzocht persoonsgegevens te verwijderen, en dat art. 11 Wbp (oud) omtrent de juiste en nauwkeurige verwerking van persoonsgegevens ook geldt voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de Jeugdwet, aangezien de Jeugdwet op dit punt geen specifieke regeling kent.

Ten slotte heeft het hof (in de rov. 5.11-5.13) toepassing gegeven aan de Wbp (oud). In dat verband heeft het hof (in rov. 5.12) beoordeeld of de door de vader gewraakte passages wegens schending van art. 11 Wbp (oud) uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd. Het hof is (in rov. 5.13) tot het oordeel gekomen dat twee passages uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd.

3.2.3

Hetgeen het hof in de rov. 5.8-5.13 heeft overwogen en geoordeeld op de grondslag van art. 11 Wbp (oud) kan de beslissing van het hof dat bepaalde passages uit het hulpverleningsplan moeten worden verwijderd, zelfstandig dragen. Nu het middel geen klachten richt tegen deze toepassing van art. 11 Wbp (oud), kan gegrondbevinding van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1

Het middel is gericht tegen rov. 5.12, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“Het hof acht redelijkerwijs aannemelijk dat de moeder een aanmerkelijk belang heeft bij bewaring van de gegevens en dat dit belang in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van de vader bij volledige vernietiging daarvan. Daarbij geldt wel dat indien er persoonsgegevens, zoals in dit geval van de vader, in stukken worden opgenomen deze gegevens gelet op de doeleinden, waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, juist en nauwkeurig dienen te zijn (zie artikel 11 lid 2 Wbp). Artikel 11 Wbp gaat uit van een objectieve basis voor de verwerking van persoonsgegevens. Constateringen en observaties van de jeugdhulpverlener, die naar hun aard subjectief zijn, vallen in beginsel buiten bereik van de vernietiging, tenzij is vast te stellen dat deze constateringen en observaties iedere objectieve grondslag ontberen. Het hof oordeelt dat dit het geval is ten aanzien van punt 10 en punt 20, (de passage zijn genummerd door de vader in bijlage 8 bij het aanvullend beroepschrift van 26 december 2017, in het hulpverleningsplan). In punt 10 staat: ‘Het kind wordt niet betrokken bij de spanningen van de strijd die de vader met moeder voert’ en in punt 20 staat vermeld: ‘De relatie die al onder spanning stond, is sterker onder spanning komen te staan door de hevige strijd die vader met moeder voert.’ Deze passages lijken alleen een subjectief oordeel van de jeugdhulpverlener te bevatten, zonder dat daarbij enige objectieve grondslag daarvoor wordt vermeld. De hulpverlener heeft ten aanzien van onder meer het opnemen van deze twee passages in het hulpverleningsplan een waarschuwing opgelegd gekregen door de NVPA klachtencommissie. De klachtencommissie was van oordeel dat het ging om een eenzijdige weergave van een opvatting van de moeder, die de hulpverlener niet voor haar rekening kon nemen, zonder dat zij de vader hierover had gesproken, hetgeen in strijd is met de voor haar geldende gedragsregels. In aansluiting op het oordeel van de klachtencommissie merkt het hof voornoemde passages aan als subjectieve oordelen die in strijd met artikel 11 Wbp niet nauwkeurig en juist in het hulpverleningsplan zijn verwerkt. Het hof wijst dan ook het verzoek tot vernietiging ten aanzien van deze twee passages uit het hulpverleningsplan toe. De overige door de vader gearceerde passages in het hulpverleningsplan bevatten naar het oordeel van het hof ofwel persoonsgegevens ofwel feitelijke observaties, waarvan de vader niet of onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd waarom deze onjuist zijn of een objectieve grondslag ontberen.”

Het middel klaagt onder meer (onder 3.4-3.5) dat onbegrijpelijk is waarom het hof heeft geoordeeld dat enkele andere door de vader gewraakte passages in het hulpverleningsplan niet voor vernietiging of correctie in aanmerking komen. Ook deze andere passages zijn onjuist of bevatten een subjectief oordeel van de hulpverlener, aldus de klacht.

4.1.2

Deze klacht slaagt voor zover het de door de vader als punt 8 aangeduide passage in het hulpverleningsplan betreft. In die passage wordt gesproken van “de hevige strijd die vader met haar [de moeder; Hoge Raad] voert”. Niet valt in te zien in welk opzicht deze passage afwijkt van de door de vader als punten 10 en 20 aangeduide passages in het hulpverleningsplan (weergegeven in de bestreden rov. 5.12), die naar het oordeel van het hof alleen een subjectief oordeel van de hulpverlener lijken te bevatten, zonder dat daarbij enige objectieve grondslag daarvoor wordt vermeld, en ten aanzien waarvan het hof het verzoek van de vader tot verwijdering heeft toegewezen.

4.1.3

De hiervoor in 4.1.1 weergegeven klacht faalt voor zover zij ziet op de door de vader als punten 6, 13 en 28 aangeduide passages in het hulpverleningsplan (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14 en 3.18). Het oordeel van het hof dat deze passages feitelijke observaties bevatten, waarvan de vader niet of onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd waarom deze onjuist zijn of een objectieve grondslag ontberen, is – mede in het licht van de processtukken – niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

4.2

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.3

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is beslist welke passages uit het hulpverleningsplan dienen te worden verwijderd, en door ook de hiervoor in 4.1.2 bedoelde passage op te nemen in de opnieuw te formuleren veroordeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de hulpverleningsinstelling in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vader begroot op € 404,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019 voor zover het hof onder 7.3 van het dictum heeft bepaald welke punten uit het hulpverleningsplan dienen te worden verwijderd;

- bepaalt dat punt 8, punt 10 en punt 20 zoals weergegeven in het hulpverleningsplan (overgelegd als bijlage 8 bij het aanvullend verzoekschrift van 26 december 2017 van de vader) door de hulpverleningsinstelling uit het hulpverleningsplan worden verwijderd binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, waarna de hulpverleningsinstelling binnen 30 dagen na dagtekening van deze beschikking moet meedelen aan de vader dat dit gebeurd is;

- veroordeelt de hulpverleningsinstelling in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vader begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 juli 2021.

1 Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33684, nr. 3, p. 214.

2 Kamerstukken II 2013/14, 33684, nr. 10, p. 122.

3 Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, p. 72.

4 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU 2016, L 119/1.