Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1165

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-07-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
21/01365
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:590, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz. Zorgmachtiging. Is betrokkene in de gelegenheid gesteld te worden gehoord? Art. 6:1 leden 1 en 2 Wvggz. Vaststelling dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0205
NJB 2021/2299
RvdW 2021/832
JGz 2021/64 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/01365

Datum 16 juli 2021

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: G.E.M. Later,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/610297 / FA RK 20-10043 van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2021.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

De officier van justitie heeft de rechtbank op 22 december 2020 verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van zes maanden.

2.2

De rechtbank heeft het verzoek op 6 januari 2021 mondeling behandeld. Bij die behandeling is alleen de advocaat van betrokkene verschenen. De rechtbank heeft in haar beschikking onder meer vermeld:

“1.4. Betrokkene is niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft daarmee vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.”

2.3

In het proces-verbaal van de zitting is over de afwezigheid van betrokkene niets vermeld.

2.4

De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden voor de volgende vormen van verplichte zorg:

- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles, ter behandeling van een psychische stoornis;

- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het toelaten van huisbezoeken en het houden aan controle-afspraken met het behandelteam.

2.5

De andere vormen van verplichte zorg waarom was verzocht (het beperken van de bewegingsvrijheid, het insluiten, het uitoefenen van toezicht op betrokkene en het opnemen in een accommodatie) heeft de rechtbank afgewezen.

2.6

Na de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank verzocht het proces-verbaal van de mondelinge behandeling aan te passen. Zij schrijft in dit verband onder meer het volgende:

“Ik constateer dat het proces-verbaal niet volledig is.

Bij aanvang van de zitting constateert de rechter (…) dat [betrokkene] en de behandelaar niet ter zitting zijn verschenen.

Aan ondergetekende wordt gevraagd of ik [betrokkene] nog verwacht en of hij op de hoogte is van de zitting. Ik geef aan dat [betrokkene] op de hoogte is van de zitting maar dat hij telefonisch gehoord wil worden zoals dat ook bij de behandeling van het eerdere verzoek om een zorgmachtiging is geschied. Nu er geen behandelaar is verschenen vraagt de rechter aan de griffier om telefonisch contact op te nemen met Antes met een zorgverlener. Nadat er telefonisch contact tot stand is gekomen met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige (…) blijkt allereerst dat zij niet op de hoogte waren van de zitting maar wel bereid zijn om een telefonische toelichting te geven. Door mij wordt nogmaals aangegeven dat [betrokkene] telefonisch gehoord wil worden maar de rechter constateert dat [betrokkene] op de hoogte was van de zitting maar niet is verschenen en vraagt aan de sociaal psychiatrisch verpleegkundige een nadere toelichting.

(…)

Ik verzoek u het proces-verbaal aan te passen en daarbij ook op te nemen hetgeen werd besproken voordat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige het woord kreeg.”

2.7

De griffier van de rechtbank heeft bij brief als volgt op dit verzoek gereageerd:

“Uw brief (…) heb ik besproken met de behandelend rechter. Onze herinnering aan de zitting is dat u heeft aangegeven dat uw cliënt kon worden gebeld, niet dat u daar om heeft verzocht. Dat verzoek blijkt ook niet uit de zittingsaantekeningen. De rechter ziet daarom geen aanleiding het proces-verbaal aan te passen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt dat de rechtbank heeft beslist zonder betrokkene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, en dat de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, zonder dat zij daarnaar onderzoek heeft gedaan.

3.2

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.1

3.3

De rechtbank heeft haar oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, gegrond op de omstandigheid dat betrokkene niet ter zitting was verschenen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd in het licht van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen. Dat is ook het geval indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat betrokkene bekend was met de tijd en de plaats van de door de rechtbank te houden mondelinge behandeling en op de juiste wijze was opgeroepen. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien hoe de rechtbank tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, terwijl de advocaat van betrokkene – blijkens de hiervoor in 2.7 aangehaalde brief van de griffier van de rechtbank – heeft meegedeeld dat betrokkene kon worden gebeld. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2021;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren M.J. Kroeze, als voorzitter, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 juli 2021.

1 Vgl. HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2016, rov. 3.2, HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:880, rov. 3.2 en Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 168.