Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1144

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-07-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
20/00302
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:38, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:3879, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Schending waarheidsplicht (art. 21 Rv) door eisers tijdens geding in eerste aanleg. Rechtbank wijst daarom vorderingen af. Herstelfunctie hoger beroep; lichtere sanctie aangewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2288
JIN 2021/124 met annotatie van Janssen, M.A.J.G.
NJ 2021/275
RvdW 2021/813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/00302

Datum 16 juli 2021

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna: [eisers],

advocaat: J. den Hoed,

tegen

[verweerder], h.o.d.n. [A],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

advocaat: D.M. de Knijff.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/15/222172 / HA ZA 15-102 van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2016, 20 juli 2016, 7 december 2016, 5 april 2017 en 18 oktober 2017;

  2. het arrest in de zaak 200.238.898/01 van het gerechtshof Amsterdam van 29 oktober 2019.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eisers] zijn sinds 2007 eigenaar van een perceel met destijds een bedrijfsloods te [plaats] (hierna: de loods). De loods was onderverdeeld in diverse bedrijfsruimten, die [eisers] aan particulieren verhuurden voor opslag.

(ii) [verweerder] is werkzaam als assurantietussenpersoon en verzorgde voor [eisers] al twaalf jaar lang alle verzekeringen, zowel zakelijk als privé. De werkzaamheden van [verweerder] werden mede uitgevoerd door de voor hem werkzame [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).

(iii) [eisers] hebben in 2007, met bemiddeling van [verweerder], voor de loods een brandverzekering bij ASR afgesloten. Naar aanleiding van een preventiebezoek heeft ASR als preventiemaatregel aanpassing van de technische installatie van de loods geëist; [eisers] hebben besloten die aanpassing niet te doen. ASR heeft daarop de verzekering bij brief van 6 februari 2014 per 1 juni 2014 door opzegging beëindigd.

(iv) [eisers] hebben vervolgens [verweerder] opdracht gegeven de loods bij een andere verzekeraar te verzekeren. Op advies en met bemiddeling van [verweerder], hebben [eisers] per 1 juni 2014 de loods als opstal verzekerd bij Aegon tegen onder meer het risico van brand, bedrijfsschade en milieuschade.

(v) De onder (iv) genoemde verzekering is tot stand gekomen op basis van een aanvraagformulier dat op 24 april 2014 door [betrokkene 1] samen met [eisers] is ingevuld. Op dat formulier is de vraag “Is u of een andere kandidaat-verzekerde ooit een verzekering, van welke aard ook, geweigerd of opgezegd?”, ontkennend beantwoord.

(vi) Op 3 juni 2014 heeft de politie een hennepkwekerij in de loods ontmanteld.

(vii) [eisers] hebben op 3 juni 2014 met een e-mailbericht familie, vrienden, buren en kennissen ervan op de hoogte gebracht dat in de loods die dag een hennepkwekerij was ontdekt. [betrokkene 1] heeft als een van de geadresseerden dit bericht ontvangen.

(viii) De loods is in de nacht van 27 augustus 2014 volledig afgebrand. [eisers] hebben bij Aegon een claim onder de verzekering ingediend voor schade als gevolg van de brand.

(ix) Na de brand heeft Aegon expertisebureau [B] B.V. ingeschakeld. Het expertisebureau heeft de oorzaak van de brand niet kunnen vaststellen.

(x) Aegon heeft [eisers] bij brief van 9 oktober 2014 bericht dat zij geen recht op uitkering hebben en dat Aegon de verzekering met onmiddellijke ingang beëindigt (hierna: de afwijzingsbrief). In die brief staat onder meer het volgende:

Onderzoek

Uit het ingestelde onderzoek is duidelijk gebleken dat:

• de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld;

• in januari 2014 een inspectie van uw loods door ASR heeft plaatsgevonden, waardoor ASR het risico niet meer wilde verzekeren en tot beëindiging van de verzekering is overgegaan. Zulks met de restrictie dat het royement geen doorgang zou vinden, als door u binnen twee maanden na de kennisgeving daarvan (…) aan uw verzekeringsagent, de preventiemaatregelen alsnog door u uitgevoerd zouden worden. Omdat geen reactie van u hierop is vernomen, is door ASR het polisblad met de beëindiging van de verzekering afgegeven. De preventiemaatregelen zoals door ASR voorgeschreven zijn deels van gelijke strekking als de voorwaarden welke zijn opgenomen in de door ons toegepaste clausules. Met name geldt dit ook voor de NEN normering ten aanzien van de elektrische installatie. U heeft ons hierover bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst onjuist c.q. niet geïnformeerd;

• u aan de elektrische installatie in uw gebouw geen aanpassingen, keuringen en/of onderhoud heeft verricht of laten verrichten, waardoor niet voldaan is aan de voorwaarden in de clausule 2386;

• op 3 juni 2014 in uw pand een hennepkwekerij is ontmanteld door de politie, terzake waarvan u als verdachte bent aangehouden. Naar aanleiding daarvan heeft uw partner op dezelfde dag een emailbericht gestuurd aan uw relaties waarbij aangegeven werd dat u een hennepkwekerij hield in de hoop dat u uit uw financiële nood zou komen. Ten aanzien van de ontmanteling van de hennepkwekerij heeft u verklaard dat u pas ca. 2 à 2,5 week voorafgaande aan de ontmanteling wist van een hennepkwekerij, nadat u de ruimte aan een onbekende zou hebben verhuurd. Vervolgens heeft u volgens uw verklaring de aanleg van die hennepkwekerij gedoogd en heeft u hiervoor een vergoeding ontvangen. Het onderzoek hierover door de politie/justitie is nog niet afgerond;

• uw 1e verklaring dat u geen betrokkenheid had bij de hennepkwekerij en daaraan geen verdienste heeft gehad, tegenstrijdig is met uw 2e verklaring, waarin u aangaf dat u voor het gedogen van de hennepkwekerij een vergoeding ontving.

Voorts heeft u in uw 2e verklaring, na het informatieverzoek over uw financiële positie door de onderzoeker, pas voor het eerst aangegeven dat u aanmerkelijke financiële problemen heeft. Zulks mede doordat uw bank u had verplicht tot het gaan uitvoeren van aflossing op uw hypothecaire lening, waardoor uw woning in de stille verkoop is geplaatst.

Standpunt geen recht op schadevergoeding

Uit bovenstaande volgt dat u ten eerste uw mededelingsplicht heeft geschonden door onjuist te hebben geantwoord op het aanvraagformulier. Daarbij komt dat op grond van de polisvoorwaarden u iedere risicowijziging aan ons had moeten doorgeven. Zo kunnen wij inschatten welk risico wij lopen. Dit heeft u nagelaten.

Als wij hadden geweten van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en uw betrokkenheid daarbij, zoals door u verklaard, en de opzegging van ASR doordat en waarna u door ASR voorgeschreven preventiemaatregelen niet bent nagekomen, zouden wij de verzekering niet hebben geaccepteerd. (...)

Beëindiging van de verzekering

Vanwege het onacceptabele risico en doordat wij bij kennis van de voornoemde omstandigheden de verzekering niet zouden hebben gesloten, beëindigen wij de verzekering met onmiddellijke ingang. (...)”

(xi) De elektrische installatie in de loods voldeed niet aan de voorwaarden in clausule 2386 van de met Aegon gesloten verzekeringsovereenkomst.

2.2

[eisers] vorderen in dit geding een verklaring voor recht dat [verweerder] jegens hen toerekenbaar is tekortgeschoten in de op hem als assurantietussenpersoon rustende zorgplicht met betrekking tot de door [eisers] afgesloten verzekering bij Aegon, en veroordeling van [verweerder] tot vergoeding van de daardoor geleden schade.

2.3.1

De rechtbank heeft in haar eerste tussenvonnis geoordeeld dat [verweerder] zijn zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden door te adviseren bij Aegon de desbetreffende verzekering te sluiten en het aanvraagformulier in te (laten) vullen zoals hij heeft gedaan. Het causaal verband met de schade van [eisers] wordt echter doorbroken door het feit van de ontmantelde hennepkwekerij. Uit de afwijzingsbrief van Aegon blijkt voldoende dat voor afwijzing mede redengevend is de bekendheid over de hennepkwekerij op dat moment. (rov. 4.6-4.8)

[verweerder] heeft echter ook zijn zorgplicht geschonden omdat hij, na ontvangst van de hiervoor in 2.1 onder (vii) bedoelde e-mail, [eisers] had moeten waarschuwen dat zij ook na de ontmanteling van de hennepkwekerij in voorkomend geval geen succesvol beroep op de verzekering bij Aegon zouden kunnen doen. Indien zou komen vast te staan dat de loods ook bij bekendmaking van het feit dat er een hennepkwekerij in had gezeten, nog verzekerbaar zou zijn, faalt het verweer van [verweerder] dat causaal verband ontbreekt met eventuele schade. (rov. 4.11-4.12)

De rechtbank heeft daarom [eisers] toegelaten om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat zij, onder bekendmaking van het feit dat de vorige verzekeraar de verzekering heeft beëindigd omdat er een hennepkwekerij in het verzekerde object heeft gezeten, de loods elders tegen brandschade zouden hebben kunnen verzekeren.

2.3.2

In haar tweede tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [eisers] met een door hen overgelegde offerte van Rialto het bewijs hebben geleverd dat het mogelijk zou zijn geweest de loods elders tegen brandschade te verzekeren. [eisers] zijn in de gelegenheid gesteld hun schade te onderbouwen.

2.3.3

[verweerder] heeft daarop de rechtbank bij akte verzocht om terug te komen van de beslissing in het tweede tussenvonnis dat het gevraagde bewijs is geleverd. Volgens [verweerder] hebben [eisers] de feiten onjuist voorgesteld, doordat zij niet de begeleidende brieven van Rialto bij de offerte in het geding hebben gebracht. Daaruit zou blijken dat het slechts om een indicatieve offerte ging, en dat pas na ontvangst van een inspectierapport wordt beoordeeld of Rialto de verzekering wel of niet accepteert. Ook stelt [verweerder] dat [eisers] in strijd met art. 21 Rv hebben gehandeld en verzoekt hij de rechtbank daaraan consequenties te verbinden.

[eisers] hebben hierop bij akte gereageerd en tevens hun schade toegelicht. De hoogte van de schade is volgens [eisers] het bedrag dat Rialto zou hebben uitgekeerd als de verzekering daar zou zijn ondergebracht. Uitgaande van de herbouwwaarde van de loods zou het gaan om een bedrag van € 452.281,97. Uitgaande van de verkoopwaarde zou het gaan om een bedrag van € 219.500,--. Verder zijn er nog aanvullende schadeposten.

2.3.4

In haar derde tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat geen grond bestaat om terug te komen van de bindende eindbeslissing in het tweede tussenvonnis. De zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een antwoordakte door [verweerder].

2.3.5

Vervolgens heeft [verweerder] een akte genomen, waarbij hij producties heeft overgelegd en wederom heeft verzocht om terug te komen van een bindende eindbeslissing. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij bekend is geworden met nieuwe feiten. Nadat de hennepplantage door de politie is aangetroffen, is [eiser 1] strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens het opzettelijk telen van negentig hennepplanten in de loods en het illegaal aftappen van stroom. Daarbij is bewezen verklaard dat [eiser 1] reeds op 15 april 2014 een hennepkwekerij in de loods heeft opgericht. Uit het strafvonnis blijkt dat [eiser 1] de hem ten laste gelegde feiten heeft bekend. Verder is in een krantenartikel over de strafzaak te lezen dat [eiser 1] in de strafprocedure heeft verklaard dat hij aan de expert van de brandverzekering heeft gezegd dat ene […] de oprichter van de kwekerij was, omdat hij bang was dat de verzekering niet zou uitkeren bij een bekentenis. In de civiele procedure hebben [eisers] standpunten ingenomen over hun betrokkenheid bij de hennepkwekerij die hiermee strijdig zijn. Hiermee hebben [eisers] gehandeld in strijd met art. 21 Rv. Niet alleen doen deze nieuwe feiten de grond ontvallen aan het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht. Bovendien blijkt daaruit dat Rialto niet bereid zou zijn geweest tot verzekeren.

[eisers] hebben, daartoe bij het vierde tussenvonnis in de gelegenheid gesteld door de rechtbank, bij akte gereageerd op de stellingen van [verweerder].

2.3.6

Bij eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] afgewezen. Zij heeft daartoe als volgt overwogen.

De door [verweerder] naar voren gebrachte nieuwe feiten over [eiser 1] betrokkenheid bij de hennepkwekerij zijn door [eisers] niet betwist. Dit betekent dat vaststaat dat [eiser 1] zelf de kwekerij heeft opgericht. [eisers] hebben tot en met het derde tussenvonnis hiermee strijdige stellingen ingenomen. Dit levert schending op van de waarheidsplicht van art. 21 Rv. (rov. 2.7)

De betrokkenheid van [eiser 1] bij de hennepkwekerij is een feit dat van belang is voor de beslissing in de onderhavige zaak. Het is van belang voor het verweer van [verweerder] betreffende eigen schuld bij [eisers] en vooral ook voor het geschilpunt van het causale verband tussen de schending van de zorgplicht door [verweerder] en de door [eisers] als gevolg daarvan geleden schade. In geschil was kort gezegd of de loods voor [eisers] nog wel verzekerbaar zou zijn. Juist op dat laatste punt is in het eerste tussenvonnis een bewijsopdracht aan [eisers] gegeven. Daarbij zijn de te bewijzen feiten gebaseerd op de tot dan toe ingenomen stellingen van [eisers] Indien [eisers] de waarheidsplicht hadden nageleefd en de huidige kennis van de betrokkenheid van [eiser 1] bij de hennepkwekerij destijds bekend was geweest, had dat tot een andere formulering van de bewijsopdracht geleid. De relevantie van die betrokkenheid wordt onderstreept door de door [eisers] overgelegde productie waarin Rialto, alvorens te bepalen of zij zou willen verzekeren, als nadere vraag stelt op welke manier [eiser 1] betrokken is geweest bij de kwekerij. [eiser 1] heeft daar zijn betrokkenheid verhuld door te antwoorden dat bij controleren hennep is ontdekt en hij daar verantwoordelijk voor is omdat het zijn schuur is. Met dit antwoord heeft [eiser 1] niet dezelfde informatie verstrekt als in de strafzaak naar voren is gekomen, namelijk dat hij zelf de kwekerij in zijn loods heeft opgericht. [eiser 1] is zich kennelijk bewust geweest van de relevantie van zijn eigen betrokkenheid bij de kwekerij voor de oude en de nieuwe verzekeraar. Zoals blijkt uit het krantenartikel, heeft hij welbewust gekozen voor de leugen van een derde partij als oprichter van de kwekerij, juist vanwege mogelijke gevolgen van zijn eigen betrokkenheid voor de verzekering. (rov. 2.8)

Door hun waarheidsplicht te schenden hebben [eisers] de rechtbank niet in staat gesteld op grond van juiste feiten tot een beoordeling te komen van het geschil en van de punten betreffende eigen schuld en het causale verband. Ook is voldaan aan het vereiste van een onjuiste feitelijke grondslag voor de eerdere bindende eindbeslissingen en bestaat aanleiding daarvan terug te komen. De gevolgtrekking die de rechtbank aan de schending door [eisers] van art. 21 Rv verbindt, is dat de vordering van [eisers] moet worden afgewezen. Niet alleen is niet komen vast te staan dat de loods nog voor [eisers] verzekerbaar zou zijn. Ook acht de rechtbank dit gevolg in overeenstemming met de aard en de ernst van deze schending door [eisers] (rov. 2.9)

2.4

Het hof1 heeft het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd op grond van de volgende overwegingen:

“3.6. Met grief 1 betogen [eisers] dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen op de eerdere eindbeslissingen. (…) Deze grief faalt. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de informatie die na de eerdere tussenvonnissen door [verweerder] in het geding is gebracht omtrent de handelwijze van [eiser 1] (het zelf oprichten van de hennepkwekerij en het zelf illegaal aftappen van stroom) van belang is voor de beoordeling van het geschil. [eisers] hebben dit zowel aan [verweerder] – die zijn verweer daarop mede had kunnen afstemmen – als aan Rialto – die bij de beantwoording van de vraag of het risico voor haar verzekerbaar was daarmee rekening had kunnen houden – als aan de rechtbank onthouden. Er is geen enkel aanknopingspunt om te kunnen veronderstellen dat [eiser 1], zonder dat [verweerder] met behulp van informatie uit de strafrechtelijke procedure met de betreffende feiten bekend is geworden, op enig moment zelf uit eigen vrije wil openheid van zaken heeft willen geven. Dat [eiser 1] stelt dat achteraf wel te hebben gewild, lijkt met name voort te vloeien uit het feit dat hij daarmee nog een kans heeft om de geleden schade vergoed te krijgen (in dit geval van [verweerder]). Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een (ernstige) schending door [eisers] van artikel 21 Rv. Het aan de grief ten grondslag liggende uitgangspunt, inhoudende dat het in de loop van een gerechtelijke procedure bekend raken van de omstandigheid dat een van de procespartijen haar waarheidsplicht heeft verzaakt als zodanig geen grond kan opleveren om terug te komen op eerder genomen bindende eindbeslissingen, vindt geen steun in het recht. Artikel 21 Rv bepaalt immers dat de rechter aan schending ervan de gevolgtrekking kan verbinden die hij geraden acht. Niet valt in te zien waarom het terugkomen op bindende eindbeslissingen daaronder niet valt te begrijpen.

3.7.

Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [eisers] de op hen rustende waarheidsplicht hebben geschonden en daaraan ten onrechte het gevolg verbonden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen. Tevens stellen [eisers] in dit verband dat de herkansingsfunctie van het hoger beroep hun de mogelijkheid biedt hun eerdere verzuim (schending van artikel 21 Rv) te herstellen. Ook deze grief faalt. Zoals bij de bespreking van grief 1 al uiteen is gezet, is ook het hof van oordeel dat [eisers] niet hebben voldaan aan de op hen uit hoofde van artikel 21 Rv rustende waarheids- en volledigheidsplicht. De rechtbank heeft daaraan het gevolg kunnen verbinden dat hun vorderingen dienen te worden afgewezen en het hof ziet geen aanleiding aan de vastgestelde schending een ander gevolg te verbinden dan de rechtbank heeft gedaan. Ook het hof meent dat er sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht, omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanspraken van [eisers] en het achterhouden daarvan niet past bij een deugdelijke en integere procesvoering. De omstandigheid dat [eisers] – zoals zij stellen – inmiddels tot inkeer zouden zijn gekomen en door dit gevolg zwaar worden getroffen, maakt dit niet anders. Het argument dat het hoger beroep herstel van een dergelijk verzuim mogelijk zou maken, wordt door het hof evenmin onderschreven. Zoals het hof reeds oordeelde in een arrest van 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85, is artikel 21 Rv ingevoerd als uitvloeisel van een al langer bestaande ontwikkeling waarin van procespartijen wordt verlangd dat zij zich (in elk stadium van de procedure) onthouden van onwaarheid en onvolledigheid. De herstelfunctie van het hoger beroep gaat daarbij niet zover dat een partij, die in eerste aanleg weloverwogen en doelbewust relevante informatie achterhoudt om ten koste van haar wederpartij een schadevergoeding toegewezen te krijgen, de gelegenheid zou moeten krijgen om na ontdekking daarvan haar vorderingen ter zake aan te passen. Een andersluidend oordeel zou er ook toe leiden dat partijen in feite risicoloos, zonder enige belemmering of sanctie, (voor de beoordeling van het geschil relevante) onwaarheden zouden kunnen debiteren en ook ongestraft de rechter op het verkeerde been zouden mogen zetten.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat het hof miskend heeft dat, als in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van de waarheidsplicht, dat niet afdoet aan de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep; de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep blijven ook in dat geval onverkort gelden. Voor zover het hof het oog gehad heeft op een bijzonder ernstige schending van de waarheidsplicht en om die reden geen ruimte aanwezig heeft geacht voor de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep, is dat oordeel rechtens onjuist, althans niet voldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

Onderdeel II klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet heeft onderkend dat het ook minder vergaande sancties had kunnen verbinden aan de schending van de waarheidsplicht door [eisers]

3.2

Voor zover de klachten van de onderdelen I en II inhouden dat het hof ervan is uitgegaan dat bij een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv per definitie geen ruimte meer bestaat voor de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep, of dat het hof heeft miskend dat ook andere, minder vergaande sancties mogelijk waren dan ontzegging van de vordering, missen zij feitelijke grondslag. Die klachten kunnen derhalve in zoverre niet tot cassatie leiden.

3.3

Ook voor het overige treffen de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten geen doel. Het hof heeft, zoals het moest doen, beoordeeld welke gevolgtrekking het in hoger beroep geraden achtte in het licht van de aard en ernst van de schending van waarheids- en volledigheidsplicht en de overige omstandigheden van het geval.2

Het hof heeft daartoe in de rov. 3.6 en 3.7 geoordeeld dat sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht door [eisers], omdat het feiten betreft die van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van hun vordering. Voorts heeft het enerzijds in aanmerking genomen dat [eisers] zwaar worden getroffen door een ontzegging van hun vordering, en anderzijds dat zij weloverwogen en doelbewust relevante informatie hebben achtergehouden om ten koste van hun wederpartij een schadevergoeding toegewezen te krijgen. Met dit laatste heeft het hof kennelijk belang gehecht aan de omstandigheid dat [eisers] doelbewust door schending van hun waarheidsplicht een aanzienlijk bedrag van meer dan € 400.000,-- toegewezen wilden krijgen ten koste van [verweerder] (zie hiervoor in 2.3.3). Tot slot heeft het hof blijkens de slotzin van rov. 3.7 nog van belang geacht dat als de schending van de waarheidsplicht in een geval als dit niet streng gesanctioneerd zou worden, dat door procespartijen als een vrijbrief zou kunnen worden ervaren om te pogen door middel van onwaarheden de wederpartij en de rechter op het verkeerde been te zetten, in de hoop er met een lichte sanctie vanaf te komen als de onwaarheden onverhoopt aan het licht zouden komen.

Door op grond van deze omstandigheden, evenals de rechtbank, ontzegging van de vorderingen op haar plaats te achten en niet te volstaan met een lichtere sanctie, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel behoefde ook geen nadere motivering.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 juli 2021.

1 Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3879.

2 Vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, rov. 3.3.