Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2021:1134

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
20/00991
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:561
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:1905
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering van als voorschot toegekende subsidiebedragen bestemd voor inhuren van fractiemedewerkers door (oud-)lid van Provinciale Staten in Friesland (meermalen gepleegd), art. 321 Sr. Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsman ttz. in h.b. op de grond dat verdachte ernstig ziek is, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging, nu behandeling reeds 3 keer is aangehouden en 20 maanden zijn verstreken sinds eerste zitting in h.b. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:1896 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Aan aanhoudingsverzoek heeft raadsman ten grondslag gelegd dat verdachte ernstig ziek is, dat hij bij behandeling van zijn zaak aanwezig wil zijn maar dat hij vanwege zijn ziekte niet in staat is zich optimaal voor te bereiden en het woord te voeren. Hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat bij ziekte aanhouding weliswaar het uitgangspunt is maar behandeling van zaak al 3 maal eerder is aangehouden en “naar mate zaak langer duurt, belang van behoorlijke strafvordering steeds zwaarder gaat wegen”. Kennelijk heeft hof daarmee tot uitdrukking gebracht dat belang van behoorlijke strafvordering (dat afdoening van zaak binnen redelijke termijn omvat) ernstig in het gedrang zou komen als onderzoek ttz. voor de vierde maal zou worden geschorst en dat dit belang zwaarder moet wegen dan belang van verdachte om bij behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op wat op tz. aan de orde is gekomen m.b.t. tijdsverloop sinds wijzen van vonnis in e.a., eerdere aanhoudingen op verzoek van verdachte, onzeker verloop van ziekte van verdachte, aanwezigheid van gemachtigde raadsman op tz. en belangen, waaronder belang van b.p., om tot doeltreffende en spoedige berechting te komen.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2021-0248
NJB 2021/2178
NJ 2021/270
RvdW 2021/794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00991

Datum 13 juli 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2020, nummer 21-001283-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Klunder, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

3.2.1

Het procesverloop is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 11. Daaruit volgt dat het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 28 februari 2017 en dat het hof het onderzoek ter terechtzitting naar aanleiding van daartoe door de verdediging gedane aanhoudingsverzoeken op 13 juni 2018, 24 januari 2019 en 22 oktober 2019 heeft geschorst. De laatste twee schorsingen hielden verband met de gezondheidstoestand van de verdachte.

3.2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2020 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:

“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
(...)
De raadsman verzoekt om aanhouding van de behandeling. Hij motiveert dit, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik verwijs naar wat ik op de zitting van 24 januari 2019 en in mijn brief van 28 januari 2020 heb aangevoerd. Verdachte is ernstig ziek. Hij wil graag bij de behandeling van zijn zaak aanwezig zijn. Zijn primaire focus is momenteel echter zijn gezondheid en niet deze zaak. Hij is daardoor niet in staat zich optimaal voor te bereiden en het woord te voeren.

De advocaat-generaal geeft te kennen zich tegen aanhouding te verzetten. Hij voert op dat punt, zakelijk weergegeven, het volgende aan:

De tenlastelegging ziet op feiten die zich in de periode van 2014 tot 2016 hebben afgespeeld. Het veroordelend vonnis dateert van februari 2017. De eerste zitting hoger beroep vond plaats op 13 juni 2018. De raadsvrouw van verdachte bleek hem niet langer te verdedigen en slechts enkele dagen voor de zitting meldde mr. Nieuwenhuis zich als nieuwe raadsman. Dat valt de raadsman niet te verwijten, maar verdachte kan wel worden tegengeworpen dat hij in zo’n laat stadium een nieuwe raadsman heeft gezocht. Niettemin is de behandeling aangehouden in het belang van de verdediging. Op 24 januari 2019 vond een nieuwe zitting plaats.

Verdachte bleek ernstig ziek. Naar verwachting kon de behandeling voor de zomer van 2019 worden voortgezet. Dat bleek te optimistisch en in oktober 2019 werd opnieuw aanhouding verleend. Vandaag is de vierde zitting in hoger beroep en er wordt weer om aanhouding verzocht. Volstrekt onzeker is wanneer verdachte wel zou kunnen verschijnen. Het aanwezigheidsrecht van de verdachte is een groot goed. Op enig moment dienen echter andere belangen, waaronder het maatschappelijk belang en het belang van de benadeelde partij te prevaleren, mede nu verdachte al zijn toezeggingen tot schadeloosstelling niet gestand heeft gedaan.

De raadsman is uitstekend in staat de belangen van verdachte namens hem te behartigen. Ik vraag het hof dan ook het aanhoudingsverzoek af te wijzen.

De jongste rechter vraagt de raadsman, zakelijk weergegeven:

Is verdachte fysiek niet in staat om te komen of is dat geestelijk te zwaar voor hem?

De raadsman antwoordt, zakelijk weergegeven:

Verdachte kampt met vermoeidheid. Hoewel hij lichamelijk wel op de been is, heeft de ziekte inderdaad vooral geestelijk grote impact op hem. Het verdere verloop is onzeker en vormt een zwaard van Damocles. Vandaag ondergaat verdachte opnieuw onderzoek in het ziekenhuis.

Het hof trekt zich terug voor beraadslaging. Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof heeft al wat is aangevoerd nadrukkelijk afgewogen. Uitgangspunt bij ziekte is het aanhouden van de behandeling. Dat is inmiddels driemaal gebeurd. Naar mate de zaak langer duurt, gaat het belang van een behoorlijke strafvordering steeds zwaarder wegen. Die belangenafweging leidt het hof nu, twintig maanden na de eerste zitting in hoger beroep, tot de beslissing het aanhoudingsverzoek af te wijzen.”

3.3

Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek ter terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896.)

3.4

Aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat de verdachte ernstig ziek is, dat hij bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wil zijn, maar dat hij vanwege zijn ziekte niet in staat is zich optimaal voor te bereiden en het woord te voeren. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat bij ziekte aanhouding weliswaar het uitgangspunt is, maar de behandeling van de zaak al drie maal eerder is aangehouden en “naar mate de zaak langer duurt, het belang van een behoorlijke strafvordering steeds zwaarder gaat wegen”. Kennelijk heeft het hof daarmee tot uitdrukking gebracht dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen als het onderzoek ter terechtzitting voor de vierde maal zou worden geschorst en dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, gelet op wat op de terechtzitting aan de orde is gekomen met betrekking tot het tijdsverloop sinds het wijzen van het vonnis in eerste aanleg, de eerdere aanhoudingen op verzoek van de verdachte, het onzekere verloop van de ziekte van de verdachte, de aanwezigheid van de gemachtigde raadsman op de terechtzitting en de belangen, waaronder het belang van de benadeelde partij, om tot een doeltreffende en spoedige berechting te komen.

3.5

Het cassatiemiddel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.