Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:986

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
29-05-2020
Zaaknummer
18/04275
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:6278, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat; nalaten verjaring vordering te stuiten die aan cliënt was gecedeerd. Verweer dat stuiting zinloos zou zijn geweest omdat de cessie, naar achteraf is gebleken, niet was voltooid, waardoor cliënt geen rechthebbende op de vordering was; motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1453
RvdW 2020/692
JIN 2020/102 met annotatie van Mengelberg, R.J.G.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/04275

Datum 29 mei 2020

ARREST

In de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER in het principale cassatieberoep, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: [eiser],

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [woonplaats],

VERWEERDERS in het principale cassatieberoep, eisers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: [verweerders],

advocaat: K. Teuben.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/05/295065/HA ZA 15-721 van de rechtbank Gelderland van 17 februari 2016 en 11 mei 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.197.023 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 augustus 2017 en 10 juli 2018.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 10 juli 2018 beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerders] mede door M.H.K. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt in het principale cassatieberoep en in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het eindarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2018 en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] heeft in de periode oktober 2001- maart 2002 een reorganisatieopdracht uitgevoerd voor (de moedervennootschap van) [B] B.V. (hierna: [B]). In het najaar van 2001 werden gesprekken gevoerd met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een gegadigde die mogelijk bedrijfsactiviteiten van [B] wilde overnemen. Op 8 januari 2002 zijn er overeenkomsten, waaronder een Business Purchase Agreement, tot stand gekomen tussen [B] en [betrokkene 1] die waren gericht op overdracht van bedrijfsactiviteiten van [B].

(ii) Op 14 januari 2002 heeft [betrokkene 1] aan [B] gemaild dat hij zich terugtrekt uit het overnametraject. [B] heeft aan [betrokkene 1] laten weten niet akkoord te gaan met deze beëindiging van de overeenkomst, waarop [betrokkene 1] op 18 januari 2002 heeft gemaild dat zijn bank geen medewerking aan de uitvoering van de overeenkomst zou geven. Vervolgens heeft [B] [betrokkene 1] in gebreke gesteld. Bij fax van 28 januari 2002 heeft [B] [betrokkene 1] aansprakelijk gesteld voor alle schade die het gevolg is van de niet-nakoming van zijn verplichtingen.

(iii) Bij akte van 21 februari 2002 heeft [B] haar vordering jegens [betrokkene 1] uit hoofde van de niet-nakoming van de Business Purchase Agreement (hierna: de vordering) aan [eiser] overgedragen (hierna: de cessie). De achtergrond van de cessie was dat [B] de management fee van [eiser] ten bedrage van ongeveer € 45.000,-- niet had betaald.

(iv) Op 11 maart 2002 is [B] failliet verklaard. Op dat moment was geen mededeling van de cessie gedaan aan [betrokkene 1].

(v) [verweerder 1] heeft in ieder geval vanaf 25 april 2002 als advocaat [eiser] bijgestaan bij het geldend maken van de vordering. Op 14 mei 2004 heeft [verweerder 1] aan [betrokkene 1] een dagvaarding uitgebracht waarin [eiser] van [betrokkene 1] schadevergoeding vordert ten bedrage van ruim € 11.000.000,--. In reactie daarop heeft de advocaat van [betrokkene 1] bij fax van 24 mei 2004 het standpunt ingenomen dat de cessie niet vóór het faillissement van [B] is meegedeeld aan [betrokkene 1] en dat daarmee de vordering niet rechtsgeldig aan [eiser] is overgedragen. [verweerder 1] heeft daarop besloten de procedure tegen [betrokkene 1] niet aan te brengen.

(vi) De dienstverlening van [verweerder 1] aan [eiser] is geëindigd in september 2005.

(vii) De curatoren in het faillissement van [B] hebben in januari 2007 alsnog de vordering aan [eiser] overgedragen. [eiser] heeft [betrokkene 1] in rechte betrokken en betaling van de vordering geëist. De vordering is in eerste aanleg en in hoger beroep afgewezen op de grond dat deze was verjaard op 8 januari 2004.

(viii) [eiser] heeft [verweerder 1] in maart 2011 aansprakelijk gesteld voor het niet-stuiten van de verjaring van de vordering in de periode waarin [verweerder 1] hem heeft bijgestaan.

2.2

[eiser] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat [verweerder 1] jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als advocaat althans jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, en schadeplichtig is. Verder vordert [eiser] schadevergoeding, op te maken bij staat. Aan deze vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat [verweerder 1] heeft nagelaten de verjaring van de vordering tijdig te stuiten, waardoor de vordering is verjaard en incasso daarvan onmogelijk is geworden.

2.3

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.1 Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Een advocaat moet als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen, brengt in beginsel mee dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk gevraagd heeft, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt. Getoetst aan dit criterium had het op de weg van [verweerder 1] gelegen om in ieder geval voordat hij aan concrete werkzaamheden ter incasso van de vordering begon, zich ervan te vergewissen dat [eiser] ook inderdaad rechthebbende op de vordering was (geworden).

Juist het gegeven dat de overdracht van de vordering niet meer voltooid kon worden, omdat de overdrager ([B]) inmiddels gefailleerd was, brengt mee dat [verweerder 1], als redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat, de consequenties daarvan voor de rechtspositie van [eiser] met hem had moeten bespreken. Tegen die achtergrond kan hij [eiser] in deze procedure niet tegenwerpen dat tijdige stuiting van de verjaring van de vordering namens [eiser] geen effect zou hebben gesorteerd omdat deze geen rechthebbende op de vordering was geworden. (rov. 3.5)

Het niet stuiten van de verjaring van de vordering namens [eiser] is in strijd met wat van [verweerder 1] als redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat kon worden verwacht. Tussen partijen staat vast dat [verweerder 1] de incassozaak in april 2002 in behandeling heeft genomen, in 2003 met [eiser] naar Bahrein is afgereisd voor gesprekken over beslaglegging en inning van de vordering en in 2004 een concept-dagvaarding heeft opgesteld ter inleiding van een procedure tot inning van de vordering in Nederland. Gelet daarop brengt een zorgvuldige behandeling van de voor [eiser] behandelde zaak mee dat [verweerder 1] in de periode voorafgaand aan deze werkzaamheden, had moeten controleren welke verjaringstermijn er ten aanzien van de vordering liep en deze had moeten stuiten. Dat geldt ook in de hier aan de orde zijnde situatie, waarin onduidelijkheid bestond over de vraag bij wie de vordering na 25 april 2002 berustte: bij [eiser] of in de boedel van het inmiddels failliete [B]. Zekerheidshalve had [verweerder 1] de verjaring van de vordering ook in deze situatie moeten bewaken. (rov. 3.7)

[verweerder 1] heeft zich tegen de vorderingen van [eiser] onder meer verweerd met een beroep op het bepaalde in art. 6:89 BW. [eiser] heeft op dit verweer niet gerespondeerd. (rov. 3.9)

Dit verweer slaagt. Het recht van [eiser] om te klagen over het door [verweerder 1] niet tijdig stuiten van de verjaring van de vordering, is vervallen. (rov. 3.11)

3. Beoordeling van de middelen in het principale en het voorwaardelijk incidentele beroep

3.1

Hoewel het incidentele beroep voorwaardelijk is ingesteld, zal de Hoge Raad onderdeel 1.3 van het incidentele middel eerst behandelen, omdat dit de verste strekking heeft.

Onderdeel 1.3 is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.5) dat [verweerder 1] aan [eiser] niet kan tegenwerpen dat een stuiting van de verjaring geen effect zou hebben gehad. Het onderdeel betoogt onder meer dat dit oordeel niet kan volgen uit de daaraan voorafgaande overwegingen dat [verweerder 1], voordat hij aan zijn werkzaamheden ter incasso van de vordering begon, zich ervan had moeten vergewissen dat [eiser] inderdaad rechthebbende op de vordering was geworden en dat hij de consequenties voor de rechtspositie van [eiser] van het gegeven dat de overdracht van de vordering niet meer voltooid kon worden, met hem had moeten bespreken. Het onderdeel betoogt dat ook als [verweerder 1] dit zou hebben gedaan, dit niets zou hebben veranderd aan de feitelijke situatie dat [eiser] ten tijde van de opdracht aan [verweerder 1] tot incasso van de vordering geen rechthebbende op de vordering was geworden, terwijl de cessie aan [eiser] door het faillissement van [B] ook niet meer kon worden voltooid, en dat [verweerder 1] de verjaring dus niet rechtsgeldig zou hebben kunnen stuiten.

3.2

Deze klacht treft doel. [verweerder 1] heeft als verweer tegen de vorderingen van [eiser] aangevoerd dat stuiting van de vordering door [verweerder 1] (namens [eiser]) zonder effect zou zijn geweest, omdat [eiser] geen rechthebbende op de vordering was. Het hof heeft zijn oordeel dat [verweerder 1] dit niet aan [eiser] kan tegenwerpen, gemotiveerd met de overwegingen dat [verweerder 1] had moeten onderzoeken of [eiser] rechthebbende op de vordering was geworden en hij met [eiser] de consequenties voor diens rechtspositie had moeten bespreken van het gegeven dat de overdracht van de vordering niet meer voltooid kon worden. Het onderdeel betoogt terecht dat die motivering ontoereikend is, omdat naleving van deze verplichtingen door [verweerder 1] onverlet zou hebben gelaten dat [verweerder 1] de vordering niet namens [eiser] had kunnen stuiten nu laatstgenoemde daarop geen rechthebbende was.

3.3

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het verweer van [verweerder 1] dat stuiting zinloos zou zijn geweest, door [eiser] uitsluitend is bestreden met het argument dat ook door het hof aan zijn verwerping van het verweer van [verweerder 1] ten grondslag is gelegd, en dat hiervoor in 3.2 ondeugdelijk is bevonden. Een en ander brengt mee dat het verweer van [verweerder 1] dat stuiting zinloos zou zijn geweest, gegrond is. Na verwijzing is dan ook geen ander oordeel mogelijk dan dat [verweerder 1] niet aansprakelijk is voor het nalaten van die stuiting.

3.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, heeft [eiser] geen belang bij het middel in het principale beroep, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat zijn recht om te klagen is vervallen. De in het middel aangevoerde klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verder geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 29 mei 2020.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6278.