Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:980

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
19/00606
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:307
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Straatroof in Breda. Diefstal met geweld op de openbare weg, art. 312.2.1 Sr. Ondervragingsrecht. Schending art. 6 EVRM, nu hof verklaringen van aangever voor bewijs heeft gebruikt, terwijl verdediging hem in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen ondervragen? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00606

Datum 2 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 december 2018, nummer 20/003663-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Broere, advocaat te Roosendaal, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.