Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:956

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
29-05-2020
Zaaknummer
19/01444
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:346, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1365, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervoersrecht. IPR. Procedure tot fondsvorming ingevolge art. 11 lid 1 Verdrag en Protocol inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (LLMC). Uitleg van LLMC; Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Verzoek tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid (art. 642a lid 1 Rv en art. 8:750-759 BW). Rechtsmacht Nederlandse rechter op grond van art. 4-8 en 9 Verordening Brussel I-bis, art. 2-6 EVEX II-Verdrag en art. 3, onder a, Rv? Hoge Raad ziet af van het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1456
RvdW 2020/688
NJ 2020/280 met annotatie van L. Strikwerda
S&S 2020/79
RBP 2020/68
CMI1014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01444

Datum 29 mei 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

1. A LINE CORPORATION, gevestigd te Majuro, Marshall Eilanden,

2. MARSHIP MPP GMBH & CO. KG, gevestigd te Haren, Duitsland,

3. THE STANDARD CLUB UK LTD., gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

VERZOEKSTERS tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: A Line, Marship en Standard Club, en gezamenlijk A Line c.s.,

advocaat: B.T.M. van der Wiel,

tegen

1. STOLT TANKERS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

2. STOLT-NIELSEN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTERS in cassatie, verzoeksters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: Stolt Tankers en Stolt-Nielsen, en gezamenlijk Stolt Tankers c.s.,

advocaat: F.E. Vermeulen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/10/516017/HA RK 16-1059 van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2017;

  2. de beschikking in de zaak 200.211.580 van het gerechtshof Den Haag van 19 februari 2019.

A Line c.s. hebben tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Stolt Tankers c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaat. Voor A Line c.s. mede door T. van Tatenhove en voor Stolt Tankers c.s. mede door B.F.L.M. Schim.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van A Line c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op of omstreeks 16 december 2015 vond op volle zee nabij Indonesië een aanvaring plaats tussen de tanker ‘Stolt Commitment’ en het vrachtschip ‘Thorco Cloud’. Als gevolg van deze aanvaring is de ‘Thorco Cloud’ gezonken.

(ii) De ‘Stolt Commitment’ is eigendom van Stolt Commitment B.V. (hierna: Stolt Commitment), staat ingeschreven in het scheepsregister van de Kaaiman Eilanden en is verzekerd bij de in Noorwegen gevestigde verzekeringsmaatschappij Assuranceforeningen Gard (Gjensidig) (hierna: Gard). Stolt Commitment had de ‘Stolt Commitment’ in december 2015 in rompbevrachting gegeven aan Stolt Tankers (verweerster in cassatie onder 1). Stolt Tankers is houdster van de aandelen in Stolt Commitment; beide vennootschappen zijn gevestigd te Rotterdam.

(iii) Van de ‘Thorco Cloud’ was A Line (verzoekster tot cassatie onder 1) de eigenaar, Marship (verzoekster tot cassatie onder 2) de rompbevrachter, Mitsui Sumitomo Insurance Co. Ltd. de cascoverzekeraar, en Standard Club (verzoekster tot cassatie onder 3) de P&I Club. Deze belanghebbenden bij de ‘Thorco Cloud’ hebben bij de Noorse rechter een vordering tot schadevergoeding aanhangig gemaakt tegen Stolt Tankers, Stolt Commitment en Gard.

(iv) Stolt Commitment heeft Stolt Tankers aansprakelijk gehouden en heeft in Rotterdam een arbitraal geding tegen Stolt Tankers aanhangig gemaakt. Stolt Commitment heeft aangevoerd dat Stolt Tankers op grond van de rompbevrachtingsovereenkomst gehouden is om Stolt Commitment te vrijwaren voor de schade die laatstgenoemde lijdt en nog zal lijden als gevolg van de aanvaring en de daarmee verband houdende aanspraken van de belanghebbenden bij de ‘Thorco Cloud’.

2.2

In deze procedure verzoekt Stolt Tankers op de voet van het Verdrag van 1976 inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen1, zoals gewijzigd bij het Protocol van 19962 (het Verdrag en het Protocol worden hierna gezamenlijk aangeduid als LLMC) in verbinding met art. 642a lid 1 Rv en de art. 8:750-759 BW, beperking van haar aansprakelijkheid voor alle vorderingen in verband met de hiervoor in 2.1 onder (i) genoemde aanvaring, onder aanbieding van een hier te lande te stellen zaken- en wrakkenfonds.

2.3

De rechtbank heeft de aansprakelijkheid van Stolt Tankers voor zowel de vorderingen die betrekking hebben op het zakenfonds als de vorderingen die betrekking hebben op het wrakkenfonds, voorshands beperkt tot telkens SDR 14.318.424,--. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat Stolt Tankers uiterlijk op 15 maart 2017 beperkingsfondsen dient te stellen voor de hiervoor genoemde bedragen vermeerderd met rente en kosten. Voorts heeft de rechtbank een rechter-commissaris aangewezen ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds, en een vereffenaar van de fondsen benoemd.3

2.4

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.4 Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

A Line c.s. betogen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het beperkingsverzoek van Stolt Tankers, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 11 lid 1 LLMC. (rov. 5.1)

De strekking van art. 11 lid 1 LLMC is dat degene die verwacht dat hij aansprakelijk zal worden gesteld en gebruik wil maken van zijn bevoegdheid tot beperking, niet zelf kan kiezen in welke verdragsstaat zijn limitatiefonds zal worden gevormd, maar zal moeten afwachten tot zijn mogelijke tegenpartij ‘legal proceedings’ tegen hem initieert. Het LLMC definieert niet wat in dit verband onder ‘legal proceedings’ moet worden verstaan, maar duidelijk is dat dit begrip ruim moet worden opgevat. Ook het aanhangig maken van een arbitrageprocedure valt hieronder. In dit geval heeft Stolt Commitment een arbitraal geding aanhangig gemaakt tegen Stolt Tankers op grond van de tussen hen bestaande bevrachtingsovereenkomst. In dit arbitraal geding houdt Stolt Commitment Stolt Tankers aansprakelijk voor alle jegens haar gepretendeerde claims naar aanleiding van de aanvaring. A Line c.s. hebben betoogd dat hier geen sprake is van een ‘waarachtig rechtsgeding gebaseerd op een echt geschil of vordering’, maar om een ‘toneelstukje tussen de beide Stolts’ en dat niet valt in te zien waarom Stolt Commitment haar eigen vennootschapsrechtelijke moeder, die voor een verzekering heeft gezorgd, in een arbitraal geding zou betrekken. Naar het oordeel van het hof stellen A Line c.s. hiermee eisen aan het karakter van ‘legal proceedings’ in de zin van art. 11 lid 1 LLMC die in het LLMC niet zijn te vinden en die bij een redelijke verdragsuitleg (overeenkomstig de regels van het Weens Verdragenverdrag) ook niet noodzakelijkerwijs daaruit voortvloeien. Niet is vereist dat de aansprakelijkheid en/of de vordering worden betwist en evenmin dat degene die ‘legal proceedings’ begint, niet in een vennootschapsrechtelijke betrekking staat tot de aansprakelijk gehouden partij. Ook indien aan die of dergelijke voorwaarden niet is voldaan, kan sprake zijn van een reële, voor beperking vatbare vordering. Dat dit hier anders is en dat de (intercompany)vordering in werkelijkheid niet bestaat, volgt onvoldoende uit wat A Line c.s. aanvoeren. Er bestaat geen goede grond Stolt Commitment met Stolt Tankers te vereenzelvigen. Het bestaan van verzekeringsdekking is niet relevant. (rov. 5.2)

Art. 11 lid 1 LLMC creëert als zodanig geen rechtsmacht, en ook overigens bevat het LLMC geen bepalingen inzake rechtsmacht. Art. 11 lid 1 LLMC bepaalt dat een beperkingsfonds kan worden gevormd in de verdragsstaat waar ‘legal proceedings’ zijn aangevangen, maar laat zich niet uit over de vraag in welke verdragsstaat die kunnen worden aangevangen, terwijl het niet voor de hand ligt om bevoegdheid met betrekking tot een beperkings- of fondsvormingsverzoek aan te nemen in een verdragsstaat waar een bevoegde instantie ten aanzien van de ‘legal proceedings’ ontbreekt. Deze leemte op het punt van de rechtsmacht wordt ingevuld door art. 9 Verordening Brussel I-bis,5 waarin is bepaald dat de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van een schip, tevens bevoegd is om kennis te nemen van een beperkingsprocedure. Op grond van de hoofdregel van art. 4 Verordening Brussel I-bis is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van tegen Stolt Tankers gerichte vorderingen, nu Stolt Tankers in Nederland is gevestigd. De Nederlandse rechter is dus eveneens bevoegd om kennis te nemen van een vordering of verzoek tot beperking van aansprakelijkheid, waarbij niet vereist is dat een vordering tot vaststelling van aansprakelijkheid reeds bij die rechter aanhangig is. Weliswaar kent het Nederlandse recht geen zelfstandige procedure tot beperking van aansprakelijkheid, maar koppelt het deze beperking aan fondsvorming (art. 8:750 e.v. BW). Art. 9 Verordening Brussel I-bis biedt hiervoor ruimte, omdat het de lidstaten toestaat een ‘ander gerecht’ als bevoegd aan te wijzen. In dit geval is op grond van art. 642a Rv de rechtbank Rotterdam bevoegd. Voor het EVEX II-Verdrag6 geldt hetzelfde. (rov. 5.3)

Omdat naar het oordeel van het hof ten aanzien van de fondsvorming is voldaan aan het bepaalde in art. 11 lid 1 LLMC, wordt ten overvloede het betoog van A Line c.s. verworpen dat art. 11 lid 1 LLMC ook geldt voor het verzoek van Stolt Tankers om een wrakkenfonds te mogen vormen. Het LLMC geldt hiervoor niet vanwege het door Nederland op grond van art. 18 LLMC gemaakte voorbehoud ten aanzien van het wrakkenfonds. (rov. 5.4)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 3.1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.3) dat het LLMC geen bepaling inzake rechtsmacht bevat. Voor zover het hof aldus tot uitgangspunt heeft genomen dat art. 11 LLMC niet van belang is voor de mogelijkheid om door tussenkomst van de Nederlandse rechter aansprakelijkheid te beperken, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van art. 11 lid 1 LLMC moet voor een dergelijke beperking zijn voldaan aan het vereiste dat in Nederland “legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation”. In zoverre heeft art. 11 lid 1 LLMC wel degelijk het karakter van een rechtsmachtbepaling, aldus de klacht.

3.1.2

Art. 11 lid 1 LLMC luidt in de authentieke Engelse tekst:

“Any person alleged to be liable may constitute a fund with the Court or other competent authority in any State Party in which legal proceedings are instituted in respect of claims subject to limitation. (…). Any fund thus constituted shall be available only for the payment of claims in respect of which limitation of liability can be invoked.”

In de authentieke Franse tekst luidt deze bepaling:

“Toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause peut constituer un fonds auprès du tribunal ou de toute autre autorité compétente de tout État Partie dans lequel une action est engagée pour des créances soumises à limitation. (…). Tout fonds ainsi constitué n’est disponible que pour régler les créances à l'égard desquelles la limitation de la responsabilité peut être invoquée.”

In de Nederlandse vertaling luidt deze bepaling:

“Iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt, kan een fonds vormen bij de rechterlijke of andere bevoegde autoriteit in iedere bij dit Verdrag Partij zijnde Staat, waarin een rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen. (…). Elk aldus gevormd fonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen.”

3.1.3

De uitleg van de bepalingen van het LLMC dient te geschieden aan de hand van de maatstaven van de art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen).7

Op grond van art. 31 lid 1 Verdrag van Wenen moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Uit art. 31 lid 3, aanhef en onder b, Verdrag van Wenen volgt dat behalve met de context ook rekening moet worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de verdragspartijen inzake de uitleg van het verdrag is ontstaan, hetgeen meebrengt dat ook de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden een primair interpretatiemiddel bij de uitleg van dat verdrag vormt.

Met inachtneming van het bepaalde in art. 32 Verdrag van Wenen kan voor de uitleg van een verdrag een beroep worden gedaan op de voorbereidende werkzaamheden (‘travaux préparatoires’) van dat verdrag.

3.1.4

De tekst van art. 11 lid 1 LLMC brengt tot uitdrukking dat een verzoek tot fondsvorming op de voet van het LLMC kan worden ingediend bij de rechter of andere bevoegde autoriteit in de verdragsstaat waarin een rechtsgeding met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen aanhangig wordt gemaakt. Die tekst bepaalt echter niet met zoveel woorden op welke grondslag de rechter of andere bevoegde autoriteit rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van een verzoek tot fondsvorming op de voet van het LLMC.

Deze lezing van de tekst van art. 11 lid 1 LLMC strookt met de context van die bepaling. Zo bepaalt art. 10 lid 3 LLMC dat vragen van procesrecht die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel (dat betrekking heeft op beperking van aansprakelijkheid zonder vorming van een beperkingsfonds), worden beheerst door de nationale wet van de verdragsstaat waar de rechtsvordering (om betaling te verkrijgen van een voor beperking vatbare vordering) wordt ingesteld, en bepaalt art. 14 LLMC dat de regels betreffende de vorming en de verdeling van een beperkingsfonds alsmede alle daarmee verband houdende procedureregels worden beheerst door de wet van de verdragsstaat waarin het fonds wordt gevormd. Ook overigens bevat het LLMC geen bepalingen inzake rechtsmacht en erkenning en tenuitvoerlegging.

Dat art. 11 lid 1 LLMC niet de strekking heeft van een regel inzake rechtsmacht vindt bevestiging in de travaux préparatoires van het LLMC, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.10.

Een en ander is grond om aan te nemen dat noch art. 11 lid 1 LLMC noch een andere bepaling van het LLMC bepaalt op welke grondslag de in art. 11 lid 1 LLMC bedoelde rechter of andere bevoegde autoriteit rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van een verzoek tot fondsvorming op de voet van het LLMC. Die rechtsmacht moet dan ook berusten op een buiten het LLMC gelegen grondslag, zoals een verdrag, een verordening of het commune recht van de aangezochte rechter of autoriteit.

3.1.5

Het vorenstaande laat onverlet dat – zoals onderdeel 3.1 op zichzelf terecht aanvoert – art. 11 lid 1 LLMC wel een beperking aanbrengt op de bevoegdheid van de rechter of andere bevoegde autoriteit om een verzoek tot fondsvorming op de voet van het LLMC in te willigen, doordat het de eis stelt dat in de verdragsstaat van die rechter of autoriteit een rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen.

In dit verband verdient opmerking dat de Hoge Raad in het Sherbro-arrest heeft overwogen dat aan het begrip ‘rechtsgeding’ (‘legal proceedings’ respectievelijk ‘action’) in art. 11 lid 1 LLMC een ruime uitleg moet worden gegeven. Naar het oordeel van de Hoge Raad valt onder dat begrip ook een verzoek tot het (mogen) treffen van rechtsmaatregelen door degene die pretendeert een voor beperking vatbare vordering te hebben, zoals bijvoorbeeld het verzoeken van verlof tot het leggen van conservatoir beslag met het oog op verhaal van die vordering of het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor met het oog op het verkrijgen van bewijs voor feiten die aan die vordering ten grondslag kunnen worden gelegd.8

Voorts verdient opmerking dat op grond van de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.8, moet worden aangenomen dat ook het aanhangig maken van een arbitrale procedure valt aan te merken als een rechtsgeding in de zin van art. 11 lid 1 LLMC, zoals het hof (in rov. 5.2) in cassatie onbestreden heeft geoordeeld.

3.1.6

Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft het hof niet het hiervoor in 3.1.4-3.1.5 omschreven rechtskarakter van art. 11 lid 1 LLMC miskend. Het hof heeft in rov. 5.3 immers overwogen dat art. 11 lid 1 LLMC niet ertoe strekt rechtsmacht te bepalen, maar wel vereist dat in de verdragsstaat waar het beperkingsfonds kan worden gevormd, een rechtsgeding met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen aanhangig wordt gemaakt. Blijkens hetgeen het hof in rov. 5.2 heeft overwogen, moet de door Stolt Commitment tegen Stolt Tankers in Nederland ingestelde arbitrale procedure worden aangemerkt als een rechtsgeding zoals in art. 11 lid 1 LLMC bedoeld. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.3 vastgesteld dat de rechtbank Rotterdam – op een niet aan het LLMC ontleende grondslag – rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van het verzoek van Stolt Tankers tot fondsvorming op de voet van het LLMC. Uit deze overwegingen en vaststellingen volgt dat het hof heeft onderkend dat art. 11 lid 1 LLMC van belang is voor de mogelijkheid om door tussenkomst van de Nederlandse rechter aansprakelijkheid te beperken en in zoverre het karakter van een rechtsmachtbepaling heeft. Het onderdeel kan dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.2.1

Onderdeel 3.2 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.3) dat art. 9 Verordening Brussel I-bis kan leiden tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake van een gecombineerde procedure tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid. Art. 9 Verordening Brussel I-bis is enkel van toepassing op de zelfstandige vordering tot aansprakelijkheidsbeperking, die het Nederlandse recht niet kent. Daarom kan de Nederlandse rechter aan art. 9 Verordening Brussel I-bis geen rechtsmacht ontlenen ter zake van de gecombineerde procedure tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid, en is de rechtbank Rotterdam niet bevoegd om kennis te nemen van het in art. 642a lid 1 Rv bedoelde verzoek tot aansprakelijkheidsbeperking in combinatie met fondsvorming, aldus de klacht.

3.2.2

Art. 9 Verordening Brussel I-bis luidt als volgt:

“Indien een gerecht van een lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van een schip, neemt dit gerecht, of elk ander gerecht dat volgens het interne recht van deze lidstaat in zijn plaats treedt, tevens kennis van de vorderingen tot beperking van dergelijke aansprakelijkheid.”

3.2.3

Art. 9 Verordening Brussel I-bis is inhoudelijk gelijk aan art. 6bis EEX-Verdrag.9 Laatstgenoemde bepaling is in het EEX-Verdrag ingevoegd door het Toetredingsverdrag van 1978.10 In het toelichtend rapport op het Toetredingsverdrag van 1978 (hierna: Rapport Schlosser)11 is art. 6bis EEX-Verdrag, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:

“127. Het nieuwe artikel 6 bis heeft noch betrekking op een vordering van de gelaedeerde tegen de scheepseigenaars, beheerders van het fonds of degenen die naast hem vorderingen pretenderen, noch op de gecombineerde procedure tot instelling en verdeling van het aansprakelijkheidsfonds, maar uitsluitend op de zelfstandige vordering welke de scheepseigenaar instelt tegen degene die een aanspraak pretendeert (zie sub a)). Voor het overige zijn de tot nu toe geldende bepalingen van het Executieverdrag ook van toepassing op procedures die verband houden met een zeerechtelijke aansprakelijkheidsbeperking (zie sub b)).

128. a) De beperking of de beperkbaarheid van de aansprakelijkheid van een scheepseigenaar kan in alle rechtsstelsels van de Gemeenschap ook anders dan bij wijze van verdediging worden aangevoerd. Als de eigenaar van een schip een aansprakelijkheidsvordering ziet aankomen, dan kan hij er belang bij hebben zelf in rechte te laten constateren dat hij voor de vordering alleen beperkt dan wel beperkbaar aansprakelijk is. Hij kan dan een van de rechters kiezen die op grond van de artikelen 2 tot en met 6 bevoegd zijn. Bij het gerecht van zijn woonplaats kan hij op grond van deze voorschriften niet terecht. Daar de vordering evenwel voor dit gerecht tegen hem zou kunnen worden ingediend, is het doelmatig hem ook deze mogelijkheid te bieden. Daarvoor dient artikel 6 bis. Bovendien is dit, afgezien van het Verdrag van Brussel van 1952, het enige gerecht waarbij de scheepseigenaar al zijn vorderingen tot beperking van aansprakelijkheid op zinvolle wijze kan concentreren. Voor het Engelse recht (…) heeft dat ten gevolge dat bij dit gerecht ook het aansprakelijkheidsfonds kan worden opgericht en de verdelingsprocedure kan worden gevoerd. Artikel 6 bis bepaalt subsidiair dat een individuele eis inzake aansprakelijkheidsbeperking van de scheepseigenaar ook kan worden ingesteld bij elke andere rechter bij wie de vordering kan worden ingediend. Tegelijkertijd machtigt het voorschrift de nationale wetgever om in plaats van de aldus bevoegde rechter een andere rechter op zijn grondgebied bevoegd te verklaren.

129. b) Voor vorderingen welke de gegrondheid ten principale van de tegen de scheepseigenaar ingestelde vordering betreffen, gelden de artikelen 2 tot en met 6.

(…)”

3.2.4

Blijkens punt 34 van de overwegingen van de Verordening Brussel I-bis bestaat continuïteit tussen (onder meer) het EEX-Verdrag en de Verordening Brussel I-bis. Het ligt dan ook voor de hand om voor de uitleg van art. 9 Verordening Brussel I-bis gebruik te maken van hetgeen het Rapport Schlosser opmerkt ter toelichting van art. 6bis EEX-Verdrag.

3.2.5

Op grond van hetgeen hiervoor in 3.2.3-3.2.4 is overwogen, kan – hoewel het HvJEU zich daarover nog niet heeft uitgelaten – voorshands worden aangenomen dat art. 9 Verordening Brussel I-bis uitsluitend betrekking heeft op de zelfstandige vordering die de scheepseigenaar instelt tegen degene die een aanspraak pretendeert, en niet op een verzoek tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 642a lid 1 Rv in verbinding met de art. 8:750-759 BW.

3.2.6

Uitgaande van de hiervoor in 3.2.5 bedoelde uitleg van art. 9 Verordening Brussel I-bis is de hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht gegrond, voor zover in het oordeel van het hof ligt besloten dat de rechtbank Rotterdam aan art. 9 Verordening Brussel I-bis rechtsmacht kan ontlenen om kennis te nemen van het verzoek van Stolt Tankers tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 642a lid 1 Rv in verbinding met de art. 8:750-759 BW.

De gegrondheid van deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden, omdat het oordeel van het hof dat de rechtbank Rotterdam in dit geval rechtsmacht toekomt, juist is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.2.7

Indien tot uitgangspunt wordt genomen (i) dat een verzoek tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 642a lid 1 Rv in verbinding met de art. 8:750-759 BW valt binnen de materiële reikwijdte van de Verordening Brussel I-bis,12 en (ii) dat de bevoegdheidsbepalingen van de art. 4-8 Verordening Brussel I-bis zich lenen voor toepassing op een dergelijk verzoek, is de rechtbank Rotterdam op grond van art. 4 Verordening Brussel I-bis in verbinding met art. 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van Stolt Tankers voor zover dat is gericht tegen Stolt Commitment als belanghebbende, nu laatstgenoemde partij haar woonplaats in Nederland heeft en de ‘Stolt Commitment’ niet in Nederland te boek staat. Voorts berust in dat geval de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam om kennis te nemen van het verzoek van Stolt Tankers voor zover dat is gericht tegen de belanghebbenden die hun woonplaats hebben in een andere EU-lidstaat (hier: Marship en Standard Club), op art. 8, aanhef en onder 1, Verordening Brussel I-bis, nu mag worden aangenomen dat tussen dat verzoek en het tegen Stolt Commitment gerichte verzoek de door die bepaling vereiste ‘nauwe band’ bestaat. Een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor de corresponderende bepalingen van het (hiervoor in 2.4 genoemde) EVEX II-Verdrag.

Indien – anders dan in de vorige alinea – tot uitgangspunt wordt genomen (i) dat een verzoek tot fondsvorming en beperking van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 642a lid 1 Rv in verbinding met de art. 8:750-759 BW niet valt binnen de materiële reikwijdte van de Verordening Brussel I-bis (en die van het EVEX II-Verdrag), dan wel (ii) dat de bevoegdheidsbepalingen van de art. 4-8 Verordening Brussel I-bis (en de art. 2-6 EVEX II-Verdrag) zich niet lenen voor toepassing op een dergelijk verzoek, en steeds (iii) voor zover een dergelijk verzoek is gericht tegen een belanghebbende die niet zijn woonplaats heeft in een EU-lidstaat of in een staat die partij is bij het EVEX II-Verdrag (hier: A Line), komt de rechtbank Rotterdam rechtsmacht toe op grond van art. 3, aanhef en onder a, Rv in verbinding met art. 642a lid 1 Rv, nu Stolt Tankers haar woonplaats in Nederland heeft en de ‘Stolt Commitment’ niet in Nederland te boek staat.

3.2.8

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.7 is overwogen, kan voor de beslissing op de hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht in het midden blijven of de rechtsmacht van de rechtbank Rotterdam ook kan berusten op art. 9 Verordening Brussel I-bis. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding om aan het HvJEU de prejudiciële vraag voor te leggen of de hiervoor in 3.2.5 voorshands gegeven uitleg van art. 9 Verordening Brussel I-bis juist is.

Voorts volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2.7 is overwogen dat eveneens in het midden kan blijven in hoeverre de aldaar onder (i) en (ii) weergegeven uitgangspunten berusten op een juiste uitleg van de Verordening Brussel I-bis, zodat de Hoge Raad ook daarover geen prejudiciële vraag aan het HvJEU zal voorleggen.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.4

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 3.2 of onderdeel 3.3 van het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt A Line c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Stolt Tankers c.s. begroot op € 882,34 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 29 mei 2020.

1 Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976, Londen, 19 november 1976, Trb. 1980, 23, en 1984, 31.

2 Protocol van 1996 tot wijziging van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, 1976, Londen, 2 mei 1996, Trb. 1997, 300, en 2006, 17.

3 Rechtbank Rotterdam 15 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10357.

4 Gerechtshof Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:346.

5 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.

6 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano, 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3.

7 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, Wenen, 23 mei 1969, Trb. 1972, 51, en 1985, 79.

8 HR 20 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2232 (Sherbro), rov. 3.5.2.

9 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, PbEU 1972, L 299/32.

10 Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie, Luxemburg, 9 oktober 1978, PbEU 1978, L 304/1.

11 Rapport van P. Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (ondertekend te Luxemburg op 9 oktober 1978), PbEU 1979, C 59/71.

12 Vgl. HvJEU 14 oktober 2004, zaak C-39/02, ECLI:EU:C:2004:615 (Maersk Olie & Gas) over de verhouding tussen het EEX-Verdrag en het Internationaal Verdrag nopens de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen, Brussel, 10 oktober 1957, Trb. 1958, 46, en 1968, 95.