Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:933

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/04173
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overval op woning in Rotterdam. Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. 1. Schriftuur b.p.’s. Levert behandeling van deel van vorderingen van b.p.’s onevenredige belasting van strafgeding op? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat vorderingen van b.p.’s A en B (grootouders) t.z.v. materiële schade deels onevenredige belasting van strafgeding opleveren. Daarbij heeft hof o.m. in aanmerking genomen dat vorderingen werden betwist en dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld wat waarde van gestolen goederen was, hoe groot geldbedrag was dat gestolen is en in hoeverre kosten van beveiliging van woning, schilderwerk en aanschaf van hond als rechtstreeks gevolg van bewezenverklaard feit moeten worden aangemerkt. Door aldus te oordelen heeft hof tot uitdrukking gebracht dat omvang van schade en verband tussen gevorderde bedragen en bewezenverklaard feit niet z.m. duidelijk is en dat daarvoor vereist onderzoek onevenredige belasting van strafgeding oplevert a.b.i. art. 361.3 Sv. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. M.b.t. vordering b.p. C (toentertijd 3-jarige kleinzoon) is hof tot oordeel gekomen dat vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 5.000 naar maatstaven van billijkheid zich leent voor toewijzing tot bedrag van € 2.500 en voor het overige een onevenredige belasting van strafgeding oplevert. In het licht van bewezenverklaard feit en inhoud van ingediende vordering is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Tot nadere motivering was hof niet gehouden.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

CAG: anders. Samenhang met 18/04126.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0201
RvdW 2020/734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04173

Datum 2 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 september 2018, nummer 22/000600-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] heeft M.P. de Klerk, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de benadeelde partijen en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] is voorgesteld

3.1

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de behandeling van een deel van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat daarom het oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk zijn, niet begrijpelijk is.

3.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 18 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- (gouden en/of zilveren) sieraden en

- een sieradendoos met inhoud en

- geld en

- twee mobiele telefoons en

- 7 beelden en

- een tas (Dolce&Gabbana) en

- een muts (Monclair),

toebehorende aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- duwen en trekken tegen/aan het lichaam van [benadeelde 3] en

- vragen om goud en geld aan die [benadeelde 3] en

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde 3] en [benadeelde 1] en

- toevoegen van de woorden “waar is het geld, waar is het goud, we gaan je schieten” aan die [benadeelde 1] en

- meerdere malen slaan tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en

- over het hoofd van die [benadeelde 1] trekken van een dekbed.”

3.3.1

Bij de stukken van het geding bevindt zich van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en van [benadeelde 2] een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ waarmee zij zich hebben gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte. De aan deze formulieren in eerste aanleg gevoegde en door de advocaat van de benadeelde partijen ondertekende toelichtingen houden, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

- [benadeelde 1] en [benadeelde 3] :

“Schade-onderbouwingsformulier zitting 15 januari 2015 te 9:00 uur

Naam slachtoffers/benadeelde partijen: [benadeelde 3] / [benadeelde 1]

(...)

Korte situatieschets

[benadeelde 3] : is door de 4 verdachten overvallen doordat zij haar huis binnendrongen en waarbij zij is bedreigd met een vuurwapen. Ook haar kleinzoon werd met dit vuurwapen bedreigd. Zij kreeg van de verdachte opdracht haar kleinzoon, die schreeuwde en huilde van schrik, te kalmeren, hetgeen niet lukte. Zij was bang dat haar kleinzoon of haarzelf iets zou worden aangedaan, omdat zij haar kleinzoon niet kon kalmeren. Zij hoorde dat er tegen haar echtgenoot werd geschreeuwd en dreigementen geuit en dat hij werd mishandeld. Later werd zij onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen naar de slaapkamer waar haar man op de grond lag met een dekbed over zich heen. Zij zag dat hij onder het bloed zat en haar kleinzoon zag dit ook. Ten gevolge van deze gebeurtenissen is benadeelde eerst volledig arbeidsongeschikt geweest en thans is zij dit grotendeels (zij werkt slechts 15 uur per week in plaats van fulltime). Zij heeft zich onder behandeling van een psycholoog moeten stellen die de diagnose PTSS heeft gesteld. Benadeelde heeft sedert de overval met bedreiging psychische problemen en moet angstremmers en slaapmedicatie gebruiken. Haar kleinzoon wilde niet meer bij haar thuis komen.

[benadeelde 1] : hij sliep toen de 4 verdachten zijn huis zijn binnengedrongen en hij werd waarschijnlijk wakker door de herrie. Alles ging heel snel. Hij zag 4 donker geklede mannen en 2 er van hadden een wapen in hun hand. Er werd een wapen op hem gericht en hij werd aan zijn rechterarm van het bed getrokken. Hij werd gestompt en geschopt op zijn neus en op zijn ribben. Hij werd van 2 kanten geschopt. Hij voelde veel pijn. Er werd om goud en geld en naar de kluis gevraagd. Er werd een dekbed over hem heen gegooid waardoor hij niets meer zag en ondertussen bleef het schoppen en slaan doorgaan. Voor zijn gevoel duurde dit heel lang. Hij riep naar zijn vrouw, maar kreeg geen antwoord, hij was bang dat zij dood was. Zijn ribben waren gekneusd en zijn neus bloedde hevig. Zijn neus staat nog steeds scheef. Zijn kleinzoon wilde niet meer bij hem thuiskomen en reageerde lange tijd agressief tegen hem.

Vordering voorafgaand aan de zitting

In deze 4 zaken met parketnummers 10/730125-13; 10/730125-13; 10/730-127-13; 10/730128 hebben de benadeelde partijen hun “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” met bijlagen 1 t/m 16 alsmede het onderhavige schade-onderbouwingsformulier op 14 januari 2015 middels hun gemachtigde aan een medewerker van het slachtofferinformatieloket overhandigd ten behoeve van de zitting d.d. 15 januari 20.15 te 9:00 uur. Per gelijke datum zijn deze stukken in tweevoud aan de centrale balie van de rechtbank aangeboden.

Benadeelde partijen wensen hun vorderingen in deze zaak buiten zitting in te dienen. Zij verwijzen hiertoe naar de bijgevoegde ‘voegingformulieren benadeelde partij in het strafproces’ en de bijlagen 1 t/m 17. Bijlage 1 betreft de schriftelijke slachtofferverklaring voor de slachtoffers [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en hun kleinzoon [benadeelde 2] . Benadeelden hebben nadrukkelijk te kennen gegeven dat zij geen confrontatie aan kunnen met de verdachten en zij behouden zich het recht voor niet op de zitting te verschijnen, voor hun vorderingen zie hierna.

(Im)materiële schade, omvang, wettelijke rente, bij wijze van voorschot

De onderhavige vordering omvat een vordering tot vergoeding van een deel van de tot nu toe verschenen en eenvoudig vast te stellen materiële schade, zie bijlagen 2 t/m 10, alsmede een vordering tot vergoeding van de sedert 18 januari 2013 verschuldigde immateriële schade, zie vergelijkbare uitspraak Smartengeldgids bijlage 11, met als onderbouwing bijlagen 12 t/m 16. Een en ander wordt gevorderd bij wijze van voorschot op de werkelijke schade. Benadeelden behouden zich jegens de verdachten het recht voor om op een later tijdstip een civiele vordering in te dienen voor de totale schade. Voorts vorderen zij wettelijke rente.

Gevolgen voor het werk van [benadeelde 3]

is tot september 2013 volledig arbeidsongeschikt geweest. In september 2013 is zij begonnen met een werkhervatting. Tot nu toe is dit beperkt succesvol geweest. Zij werkt voor de overval 40 uur per week, maar door de gebeurtenissen op 18 januari 2013 werkt zij nu slechts 15 uur. Zij leidt daardoor inkomensverlies en verliest recht op vrije dagen. Zij is ook erg bang dat zij niet meer gezond zal worden en dat zij dan haar werk zal verliezen en (al dan niet gedeeltelijk) werkloos zal worden. Zie voor haar inkomensverlies bijlagen 9.a t/m 9.c

Psychisch gevolgen/lichamelijk letsel

[benadeelde 3]

Zij bemerkt dat het haar nog steeds zwaar valt om te functioneren, naar haar werk te gaan en niet in depressiviteit weg te zakken. Zij raakt nog steeds geëmotioneerd als haar naar de overval en de bedreigingen wordt gevraagd. Benadeelde 1 is sinds de overval onder behandeling bij een psycholoog (bijlagen 12.a en 12.b). Zij gebruikt angstremmers en slaapmedicatie. Zij voelt zich erg onveilig in haar huis. Ondanks behandeling ziet zij nauwelijks verbetering. Zij is bang dat zij ‘levenslang’ heeft gekregen door de overval en de bedreigingen. Benadeelde heeft begrepen dat het in haar belang is om op de zitting haar verhaal te (laten) vertellen. Benadeelde raakt evenwel zo geëmotioneerd bij de gedachte aan een confrontatie met de verdachten dat zij op het laatste moment beslist of zij in staat is om te komen. Zij verlangt er naar dat de zitting achter de rug is. De zitting ziet zij als afsluiting van een ellendige periode. Als de zitting is geweest, hoopt zij dat de behandeling voor haar PTSS meer succes zal krijgen. Haar kleinzoon wilde niet meer bij haar thuis komen.

[benadeelde 1] .

Hij was om andere reden en onder behandeling bij een psycholoog. Door de overval zijn ook bij hem PTSS-klachten ontstaan. Deze klachten zijn behandeld en zijn door de behandeling verminderd (bijlage 15.a t/m 15.b.2). [benadeelde 1] had gekneusde ribben waarvan hij meerdere weken last heeft gehad (bijlage 16). Zijn neus staat nu scheef. Hij voelde zich onveilig in zijn eigen huis. Zijn kleinzoon wilde niet meer bij hem thuiskomen en reageerde lange tijd agressief tegen hem.

Jurisprudentie / vergelijkbare uitspraken / In deze procedure gevorderde schadevergoeding

Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak uit de Smartengeldgids 2014, 19e druk, nr. 1297 (bijlage 11) Het betreft een uitspraak van de rechtbank Almelo d.d. 21 december 2031, parketnr. 08/710627-11, voor een bedrag van € 2.371,00 (geïndexeerd). Dit bedrag wordt door [benadeelde 3] tot uitgangspunt genomen en zij verzoekt om toewijzing van € 2.500,00. Zij werd met een vuurwapen bedreigd terwijl zij haar 3 jaar oude kleinzoon op schoot had. Zij voelde zich ernstig bedreigd en zij was bang dat haar echtgenoot zou worden vermoord. Zij heeft nog steeds psychologische behandeling nodig. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2013, de datum waarop de aanspraak op de vergoeding van de immateriële schadevergoeding is ontstaan en opeisbaar is geworden.

[benadeelde 1] neemt ook deze uitspraak als uitgangspunt, maar in afwijking van de genoemde uitspraak is hij door de 4 overvallers gestompt en geschopt en heeft hij lichamelijk en psychisch letsel geleden. Hij heeft psychologische hulp nodig gehad. Om die reden vordert [benadeelde 1] een bedrag van € 2.750,00. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2013, de datum waarop de aanspraak op de vergoeding van de immateriële schadevergoeding is ontstaan en opeisbaar is geworden.

Voorschot

Als voorschot op de totale schade, zowel de materiele als de immateriële schade, wordt door [benadeelde 3] een bedrag van € 7598.99 gevorderd en door [benadeelde 1] een bedrag van € 5.933.00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de wet de wettelijke rente toekent. Voor de berekening van de schadebedragen wordt verwezen naar bijlage 16. Ook worden eventuele invorderingskosten gevorderd voor zover de door de rechtbank toegekende vordering niet door de verdachten of door middel van de schadevergoedingsmaatregel aan benadeelden zal worden uitbetaald.

Vordering niet onevenredig belastend

[benadeelde 3] en [benadeelde 1] menen dat hun vorderingen op eenvoudige wijze zijn vast te stellen en daarom niet onevenredig belastend zijn voor de behandeling van de strafzaak. Mocht de Rechtbank een ander oordeel hebben en van mening blijken dat de vorderingen (deels) onevenredig belastend zijn voor de behandeling in dit strafgeding, dan verzoeken de benadeelden 1 en 2 de rechtbank om het deel dat niet onevenredig belastend is toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren (en deze niet af te wijzen).

(...)

Voorbehoud ter zake de gevorderde schade

[benadeelde 3] en [benadeelde 1] behouden zich op grond van de toepasselijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk het recht voor om eventuele overige, nu nog niet bekende of nu nog niet gevorderde schade in een later stadium via een civiele procedure van de verdachten te vorderen.”

- [benadeelde 2] :

“Schade-onderbouwingsformulier zitting 15 januari 2015 te 9:00 uur

Naam slachtoffers/benadeelde partijen: [benadeelde 2]

(...)

Korte situatieschets

[benadeelde 2] logeerde bij zijn oma en opa toen deze door de 4 verdachten werden overvallen nadat zij hun huis waren binnendrongen. Hij werd wakker toen zijn grootmoeder zijn slaapkamer binnen kwam onder bedreiging van een vuurwapen. Hij begon te schreeuwen en huilen van schrik en kon daar niet meer mee stoppen. Hij hoorde allerlei angstig makende geluiden uit de slaapkamer van zijn grootouders. Na enige tijd werd zijn grootmoeder gedwongen met een vuurwapen om naar haar slaapkamer te gaan en hij moest mee. Hij huilde en schreeuwde nog steeds. Hij heeft vermoedelijk gehoord dat er tegen zijn grootvader werd geschreeuwd en dreigementen geuit en dat hij werd mishandeld. Hij heeft gezien dat zijn grootvader op de grond lag en onder het bloed zat. Ten gevolge van deze gebeurtenissen wilde hij niet meer naar het huis van zijn grootouders en reageerde hij agressief op zijn grootvader. Hij heeft psychologische hulp moeten ondergaan in verband met PTSS-klachten. Door zijn jonge leeftijd moest hij wachten voor hij onder behandeling kon komen waardoor de verhouding met zijn grootouders langere tijd verstoord was.

Vordering voorafgaand aan de zitting

In deze 4 zaken met parketnummers 10/730125-13; 10/730125-13; 10/730-127-13; 10/730128 heeft de wettelijke vertegenwoordigster van de benadeelde partij zijn “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” met bijlagen 1 t/m 4. alsmede het onderhavige schade- onderbouwingsformulier op 14 januari 2015 middels zijn gemachtigde aan een medewerker van het slachtofferinformatieloket overhandigd ten behoeve van de zitting d.d. 15 januari 2015 te 9:00 uur. Per gelijke datum zijn deze stukken in tweevoud aan de centrale balie van de rechtbank aangeboden.

Namens [benadeelde 2] wenst zijn wettelijke vertegenwoordigster zijn vordering in deze zaak buiten zitting in te dienen. Zij verwijst hiertoe naar het bijgevoegde ‘voegingformulier benadeelde partij in het strafproces’ en de bijlagen 1 t/m 4. Namens benadeelde behoudt zijn wettelijke vertegenwoordigster zich het recht voor alsnog op de zitting te verschijnen, voor zijn vordering zie ook hierna.

(Im)materiële schade, omvang, wettelijke rente, bij wijze van voorschot

De onderhavige vordering omvat een vordering tot vergoeding van een deel van de tot nu toe verschenen en eenvoudig vast te stellen immateriële schade, zie bijlagen 2 t/m 4, welke vordering tot vergoeding van immateriële schade sedert 18 januari 2013 verschuldigd is, zie bijlage 2 en 3, met als onderbouwing bijlage 4. Een en ander wordt gevorderd bij wijze van voorschot op de werkelijke schade. Benadeelden behouden zich jegens de verdachten het recht voor om op een later tijdstip een civiele vordering in te dienen voor de totale schade. Voorts vorderen zij wettelijke rente.

Psychisch gevolgen

De moeder van [benadeelde 2] bemerkte dat hij was veranderd van een normaal en gehoorzaam in een prikkelbaar en agressief kind. Op school veranderde hij enorm. Hij begon te schoppen en te bijten. Hij was erg aan zijn grootouders gehecht en logeerde er vaak. Na de overval weigerde hij naar het huis van zijn grootouders te gaan. Hij werd boos als zijn grootouders hem aanraakten. Zij mochten hem niet meer knuffelen. Vooral naar zijn grootvader gedroeg hij zich agressief. Hij daagde zijn grootvader steeds uit en zocht diens grenzen op. Sinds de behandeling gaat het beter, maar het is nog steeds niet zoals het vroeger was. Zijn psychologe heeft redelijke hoop maar is er niet zeker van dat de klachten zullen wegblijven. Tijdens het voorval was [benadeelde 2] 3 jaar oud en nog erg jong.

Jurisprudentie / vergelijkbare uitspraken / In deze procedure gevorderde schadevergoeding

Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak uit de Smartengeldgids 2014, 19e druk, nr. 1297 (bijlage 2). Het betreft een uitspraak van de rechtbank Almelo d.d. 21 december 2011, parketnr. 08/710627-11, voor een bedrag van € 2.371,00 (geïndexeerd). Dit bedrag wordt door de wettelijk vertegenwoordigster van [benadeelde 2] tot uitgangspunt genomen. Zij verwijst ook nog naar de uitspraak in de Smartengeldgids, 19e druk, nr. 1309 van de rechtbank Dordrecht d.d. 30 oktober 2003, parketnr. 11/006196-3 waarbij een bedrag van € 29.898,00 (geïndexeerd) is toegekend. Zij verzoekt de rechtbank deze uitspraak als schade verhogende factor aan te merken en de immateriële schade vast te stellen op € 5.000,00. [benadeelde 2] werd met een vuurwapen bedreigd toen hij 3 jaar oud was. Hij voelde zich ernstig bedreigd en hij huilde en schreeuwde van angst, ver nadat de overval was afgelopen. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2013, de datum waarop de aanspraak op de vergoeding van de immateriële schadevergoeding is ontstaan en opeisbaar is geworden.

Schadefonds Geweldsmisdrijven

Door het schadefonds Geweldsmisdrijven is een vergoeding toegekend van € 1.750,00. Het is vaste jurisprudentie dat deze vergoeding niet in de plaats van de geleden schade mag komen en niet mag worden in mindering gebracht op de alhier gevorderde schade. De wettelijk vertegenwoordigster van [benadeelde 2] zal aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven meedelen welke schade door de rechtbank is toegewezen aan [benadeelde 2] .

Voorschot

Als voorschot op de immateriële schade, wordt door de wettelijk vertegenwoordigster van [benadeelde 2] een bedrag van € 5.000.00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de wet de wettelijke rente toekent. Ook worden eventuele invorderingskosten gevorderd voor zover de door de rechtbank toegekende vordering niet door de verdachten of door middel van de schadevergoedingsmaatregel aan benadeelden zal worden uitbetaald.

Vordering niet onevenredig belastend

De wettelijk vertegenwoordigster van [benadeelde 2] meent dat zijn vordering op eenvoudige wijze is vast te stellen en daarom niet onevenredig belastend is voor de behandeling van de strafzaak. Mocht de Rechtbank een ander oordeel hebben en van mening blijken dat de vorderingen (deels) onevenredig belastend zijn voor de behandeling in dit strafgeding, dan verzoeken de benadeelden 1 en 2 de rechtbank om het deel dat niet onevenredig belastend is toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren (en deze niet af te wijzen).

(...)

Voorbehoud ter zake de gevorderde schade

Namens [benadeelde 2] behoudt zijn wettelijk vertegenwoordigster zich op grond van de toepasselijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk het recht voor om eventuele overige, nu nog niet bekende of nu nog niet gevorderde schade in een later stadium via een civiele procedure van de verdachten te vorderen.”

3.3.2

De rechtbank heeft de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] niet‑ontvankelijk verklaard in de vorderingen, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het om zeer uitgebreide en omvangrijke vorderingen gaat, die een uitgebreide bestudering door verdediging, officier van justitie en rechtbank vergen en doordat de vorderingen pas in een zo laat stadium zijn ingediend, een gedegen bestudering en bespreking niet mogelijk is.

3.3.3

De benadeelde partijen hebben in hoger beroep hun vorderingen gehandhaafd, met dien verstande dat op de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] een bedrag van € 142,14 in mindering is gebracht.

3.3.4

Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van:
- [benadeelde 1] : € 2.800, bestaande uit € 50 materiële schade en € 2.750 immateriële schade;
- [benadeelde 3] : € 2.550, bestaande uit € 50 materiële schade en € 2.500 immateriële schade; en
- [benadeelde 2] : € 2.500 ter zake van immateriële schade.

Voor het overige deel van de vorderingen heeft het hof de benadeelde partijen niet‑ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht. Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:

“Benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.933,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering gehandhaafd, met dien verstande dat daarop een bedrag van € 142,14 in mindering is gebracht, zodat de vordering in hoger beroep aan de orde is tot een bedrag van € 5.790,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Het gevorderde bedrag heeft volgens de benadeelde partij betrekking op de schade geleden tot aan de dag van de terechtzitting in hoger beroep.

De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet‑ontvankelijk moet worden verklaard omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt. Meer subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om deskundigen te benoemen die kunnen beoordelen in hoeverre de gestelde schade voortkomt uit het ten laste gelegde feit en in hoeverre de gebreken reeds voorafgaande aan het delict bestonden.

Het hof overweegt als volgt.

De kosten voor vervanging van het dekbed zijn niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 50,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert de vordering ter zake van de materiële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld wat de waarde van de gestolen goederen was, hoe groot het geldbedrag was dat gestolen is en in hoeverre de kosten van beveiliging van de woning, het schilderen en de aanschaf van een hond als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit moeten worden aangemerkt. Dat laatste geldt ook voor de gevorderde reiskosten, waarbij het hof bovendien constateert dat zonder nader onderzoek niet vast te stellen is welk deel daarvan aan welke benadeelde partij moet worden toegeschreven.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Het gevorderde bedrag heeft volgens de benadeelde partij betrekking op de schade geleden tot aan de dag van de terechtzitting in hoger beroep.

De verdediging heeft aangevoerd dat op het voegingsformulier benadeelde partij geen wettelijk vertegenwoordiger voor de minderjarige [benadeelde 2] is ingevuld, zodat de vordering reeds om die reden dient te worden afgewezen c.q. niet-ontvankelijk is.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de verklaring van de advocaat van de benadeelde partijen, mr. De Klerk, ter terechtzitting in hoger beroep heeft de moeder van de minderjarige [benadeelde 2] haar handtekening onder het voegingsformulier gezet. Bovendien was zij ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig. Naar het oordeel van het hof kan onder die omstandigheden het enkele feit dat de naam van de wettelijk vertegenwoordiger niet is vermeld op het voegingsformulier niet leiden tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De verdediging heeft de vordering ook overigens betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

(...)

Benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.598,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering gehandhaafd, met dien verstande dat op de vordering een bedrag van € 142,14 in mindering is gebracht, zodat de vordering in hoger beroep aan de orde is tot een bedrag van € 7.456,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Het gevorderde bedrag heeft volgens de benadeelde partij betrekking op de schade geleden tot aan de dag van de terechtzitting in hoger beroep.

De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet‑ontvankelijk moet worden verklaard omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt. Meer subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om deskundigen te benoemen die kunnen beoordelen in hoeverre de gestelde schade voortkomt uit het ten laste gelegde feit en in hoeverre de gebreken reeds voorafgaande aan het delict bestonden.

Het hof overweegt als volgt.

De kosten voor vervanging van het dekbed zijn niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 50,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert de vordering ter zake van de materiële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld wat de waarde van de gestolen goederen was, hoe groot het geldbedrag was dat gestolen is en in hoeverre de kosten van beveiliging van de woning, het schilderen en de aanschaf van een hond als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit moeten worden aangemerkt. Dat laatste geldt ook voor de gevorderde reiskosten, waarbij het hof bovendien constateert dat zonder nader onderzoek niet vast te stellen is welk deel daarvan aan welke benadeelde partij moet worden toegeschreven.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.”

3.4.1

Het hof heeft geoordeeld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] ter zake van materiële schade voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat de vorderingen werden betwist en dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld wat de waarde van de gestolen goederen was, hoe groot het geldbedrag was dat gestolen is en in hoeverre de kosten van beveiliging van de woning, het schilderwerk en de aanschaf van een hond als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit moeten worden aangemerkt. Door aldus te oordelen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de omvang van de schade en het verband tussen de gevorderde bedragen en het bewezenverklaarde feit niet zonder meer duidelijk is en dat het daarvoor vereiste onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert als bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt het middel.

3.4.2

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is het hof tot het oordeel gekomen dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 5.000 naar maatstaven van billijkheid zich leent voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500 en voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het licht van het bewezenverklaarde feit en de inhoud van de ingediende vordering is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

3.5

Het cassatiemiddel faalt.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1

Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

4.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.