Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:923

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01793
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal van accu’s (art. 311.4 Sr) en diefstal van benzine door te tanken zonder te betalen (art. 310 Sr). Niet beslist op beroep van raadsvrouw op overschrijding redelijke termijn in h.b. Hetgeen namens verdachte ttz. in h.b. naar voren is gebracht is verweer waarover hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zo’n beslissing in bestreden uitspraak niet voorkomt is middel terecht voorgesteld. HR doet zaak zelf af. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat redelijke termijn in h.b. met ruim 4 maanden is overschreden. In het licht van opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden en mate waarin redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan oordeel dat redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. HR zal met dat oordeel volstaan. Volgt verwerping. Samenhang met 19/01776.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0187
RvdW 2020/719
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01793

Datum 26 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2018, nummer 21/004319-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en (in dat verband) tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn dat namens de verdachte is gedaan.

3.2

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces‑verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Strafmaatverweren:

- Het gaat om feiten uit 2014 en 2016. Veroordelingen eerste aanleg van juni en september 2016. Er is derhalve schending van de redelijke termijn nu de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar na instellen van het hoger beroep aanvangt. Compensatie in de strafmaat.”

3.3

Aldus is een verweer gevoerd waarover het hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zo’n beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.

3.4

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met ruim vier maanden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2020.