Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:911

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01967
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:273
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelname aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met handel in hennepstekken (art. 11a (oud) Opiumwet) en medeplegen van bedrijfsmatige teelt grote hoeveelheid hennep, meermalen gepleegd (art. 3.B jo. 11.3 en 11.5 Opiumwet). Bewijsklachten Promis-werkwijze. Is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd in het licht van motiveringseisen die gelden bij toepassing Promis-werkwijze? HR: Op redenen vermeld in CAG slagen middelen. CAG: T.a.v. feiten 1 t/m 4 in door hof bevestigd vonnis Rb is verzuimd (afdoende) onderliggende redengevende inhoud van b.m. op te nemen. T.a.v. deze feiten heeft Rb voor het overgrote deel volstaan met gevolgtrekkingen, zonder nadere aanduiding van in tapgesprekken gerelateerde f&o, waaraan zij die gevolgtrekkingen heeft ontleend. Het gaat hierbij niet om ondergeschikte onderdelen van bewezenverklaarde feiten, maar om belangrijke aspecten van criminele organisatie en om rol die juist verdachte zou hebben vervuld bij criminele organisatie en onder 2 t/m 4 tlgd. feiten. Door de wijze van motiveren kan niet worden nagegaan of bewezenverklaarde uit gebezigde b.m. kan worden afgeleid. Voor ‘s hofs nadere bewijsoverwegingen, die betrekking hebben op onder 1 bewezenverklaard feit (deelneming aan criminele organisatie) geldt hetzelfde. Daarom is bewezenverklaring van feiten 1 t/m 4 ontoereikend gemotiveerd zodat hof vonnis Rb in zoverre niet had mogen bevestigen zonder gronden aan te vullen met weergave van redengevende inhoud van genoemde b.m. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/01885, 19/01929 en 19/02065.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01967

Datum 26 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 april 2019, nummer 20/001721-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feiten 1, 2, 3 en 4 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

2.1

De cassatiemiddelen klagen onder meer dat de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de motiveringseisen die gelden bij toepassing van de zogenoemde Promis-werkwijze. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2

De cassatiemiddelen slagen in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.11.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste cassatiemiddel en van het derde cassatiemiddel voor het overige niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2020.