Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:908

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/01341
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed door recidiverende beginnend bestuurder snorfiets, art. 8.3.a WVW 1994. 1. Levert veroordeling verdachte i.v.m. toepasselijkheid van recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 strijd op met art. 6 en 7 EVRM en beginselen van behoorlijke procesorde? 2. Strafmotivering. Moet strafrechter rekening houden met omstandigheid dat onherroepelijke veroordeling ex art. 123b WVW 1994 tot gevolg heeft dat rijbewijs van verdachte van rechtswege zijn geldigheid verliest? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/00422 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/739
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01341

Datum 2 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2018, nummer 23/003143-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 320, subsidiair zes dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden zoals in het arrest omschreven, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.