Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:90

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
18/02254
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1230
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Op de gronden vermeld in de CAG kan HR het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen v.zv. gericht tegen ‘s Hofs tussenarrest, omdat de bestreden einduitspraak niet mede berust op de beslissingen in dit tussenarrest. CAG: Hof heeft in tussenarrest van 14-08-2017 beslist dat appelschriftuur niet tijdig is ontvangen en dat getuigenverzoeken daarom moeten worden beoordeeld o.g.v. noodzaakcriterium. Tussenarrest bevat beslissingen m.b.t. het horen of de oproeping van getuigen ttz. a.b.i. art. 287 of art. 288 Sv. Bestreden arrest is gewezen n.a.v. onderzoek op de tz. van 25-04-2018, op welke zitting het onderzoek opnieuw is aangevangen, waarbij ex art. 322.4 Sv de eerder genomen beslissingen m.b.t. het horen of de oproeping van getuigen in stand zijn gelaten. De verdediging heeft ttz. van 25-04-2018 opnieuw verzocht om de bij tussenarrest afgewezen getuigen te horen. Hof heeft deze verzoeken - mede a.d.h.v. nieuwe gegevens en ten dele a.d.h.v. een andere maatstaf omdat de appelschriftuur nu wél als tijdig ontvangen werd beschouwd - opnieuw getoetst. Onder deze omstandigheden berust de bestreden uitspraak niet mede op de bestreden beslissingen in het tussenarrest en kan verdachte in zoverre niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02254

Datum 21 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2018, nummer 21/001963-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn beroep voorzover dat is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3 kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017, omdat de bestreden einduitspraak niet mede berust op de beslissingen in dit tussenarrest. Het eerste middel moet daarom onbesproken blijven.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 14 augustus 2017;

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zeven maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2020.