Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:889

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2020
Datum publicatie
15-05-2020
Zaaknummer
18/05203
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:18, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Verzekeringsrecht. Regresvordering tussen verzekeraars ex art. 7:961 BW. Aanvang verjaringstermijn van regresvordering; art. 3:310 lid 1 BW; HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea). Ingangsdatum wettelijke rente; datum waarop verzuim is ingetreden (art. 6:83 onder c BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0359
NJB 2020/1325
RvdW 2020/635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/05203

Datum 15 mei 2020

ARREST

In de zaak van

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

rechtsopvolgster van CENTRAAL BEHEER SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: Centraal Beheer,

advocaat: J. Streefkerk,

tegen

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V., mede handelende onder de naam REAAL VERZEKERINGEN N.V en rechtsopvolgster van AXA Schade N.V.,
gevestigd te Zoetermeer,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

hierna: Reaal,

advocaat: K. Teuben.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/05/286849/HZ ZA 15-296 van de rechtbank Gelderland van 30 september 2015, 25 november 2015 en 23 december 2015;

  2. het arrest in de zaak 200.185.321/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 september 2018.

Centraal Beheer heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Reaal heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt zowel in het principale cassatieberoep als in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het arrest van 18 september 2018 en verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak gaat over de vraag op welk moment een regresvordering van een verzekeraar op een andere verzekeraar ontstaat als de eerstgenoemde verzekeraar meer aan de verzekerde heeft voldaan dan het deel dat hij moest dragen (art. 7:961 lid 3 BW). In het verlengde daarvan speelt de vraag wanneer de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW voor een dergelijke regresvordering aanvangt, in het bijzonder als de verzekeraar die meer heeft voldaan dan het deel dat hij moest dragen, op verschillende momenten betalingen aan de verzekerde heeft verricht.

2.2

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.15. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) Een patiënt heeft vanaf 1989 tot in ieder geval 1998 onder behandeling gestaan van een internist, werkzaam in een ziekenhuis. Bij vonnis van 18 mei 2001 is voor recht verklaard dat dit ziekenhuis en deze internist toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens deze patiënt en aansprakelijk zijn voor de schade die de patiënt dientengevolge heeft geleden en zal lijden.

(ii) Tot 1 april 1990 was (de rechtsvoorgangster van) Reaal de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Met ingang van 1 april 1990 is Centraal Beheer de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis geworden.

(iii) Reaal heeft aan de patiënt op 15 juni 2001 een voorschot op de schadevergoeding betaald van € 11.345,-- en op 24 oktober 2005 een voorschot op de schadevergoeding van € 100.000,--.

(iv) Tussen Reaal en de patiënt is in april 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna Reaal aan de patiënt op 11 mei 2006 een slotuitkering heeft gedaan van

€ 213.655,-- (hierna ook: de slotuitkering).

(v) Reaal heeft bij brief van 6 mei 2011 aan Centraal Beheer ondubbelzinnig meegedeeld dat zij zich haar rechten op vergoeding van schade voorbehield en dat Centraal Beheer de brief diende te beschouwen als een stuiting in de zin van art. 3:317 BW.

(vi) Reaal heeft Centraal Beheer bij brief van 26 juni 2012 gesommeerd tot betaling aan Reaal van het bedrag van de slotuitkering, vermeerderd met wettelijke rente. Centraal Beheer heeft niet aan deze sommatie voldaan.

2.3

Reaal vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat Centraal Beheer ten volle draagplichtig is voor een bedrag van € 305.103,40. Dit bedrag bestaat uit de slotuitkering van € 213.655,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 mei 2006.

Reaal heeft hiertoe, kort gezegd, gesteld dat de schade van de patiënt is ontstaan tijdens de looptijd van de door het ziekenhuis met Centraal Beheer gesloten aansprakelijkheidsverzekering en daardoor onder de polis van Centraal Beheer gedekt is. Omdat een andere polis dekking biedt, biedt de polis van Reaal geen dekking. Centraal Beheer dient het bedrag van de slotuitkering dat Reaal aan de patiënt heeft voldaan, dan ook aan Reaal te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente.

2.4

Centraal Beheer heeft onder meer betoogd dat de vordering van Reaal is verjaard.

2.5

Bij tussenvonnis van 25 november 2015 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het beroep van Centraal Beheer op verjaring verworpen. De rechtbank heeft bepaald dat tegen dat tussenvonnis tussentijds hoger beroep kon worden ingesteld.

2.6

Het hof heeft het tussenvonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat Centraal Beheer uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW ten volle draagplichtig is jegens Reaal voor het bedrag van € 213.655,--.1 Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart op grond van art. 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Hiervoor is nodig dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168). De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW kan echter niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is (vgl. HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9416). (rov. 5.2)

Een regresvordering kan beschouwd worden als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW. Uit het arrest ASR/Achmea (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784) volgt dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldenaar voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat en dat dan ook de verjaringstermijn een aanvang neemt. Dit geldt ook voor de regresvordering van Reaal jegens Centraal Beheer, omdat sprake is van een excedent-polis van Reaal. (rov. 5.3)

Het hof volgt Centraal Beheer niet in haar stelling dat met de voorschotbetaling op 15 juni 2001 door Reaal aan de patiënt de regresvordering jegens Centraal Beheer is ontstaan die mede de slotuitkering omvat en dat daarmee de verjaringstermijn voor de gehele vordering op 15 juni 2001 een aanvang heeft genomen. Reaal heeft de slotuitkering van € 213.655,-- op 11 mei 2006 aan de patiënt voldaan. Op dat moment is de regresvordering op Centraal Beheer voor dat bedrag ontstaan en heeft de verjaringstermijn voor dat bedrag een aanvang genomen. (rov. 5.4)

Reaal heeft ten aanzien van de slotuitkering op 6 mei 2011 een stuitingsbrief aan Centraal Beheer gestuurd. De verjaringstermijn is op dat moment opnieuw gaan lopen. Reaal heeft Centraal Beheer vervolgens bij brief van 26 juni 2012 gesommeerd te betalen en bij dagvaarding van 6 juli 2015 in rechte betrokken. De regresvordering voor de slotuitkering was op dat moment nog niet verjaard. (rov. 5.5)

Er bestaat dekking onder de polis van Centraal Beheer. Centraal Beheer heeft niet betwist dat sprake is van een excedent-polis van Reaal, zodat Reaal volledig regres kan nemen op Centraal Beheer. (rov. 5.8-5.15)

Tussen partijen staat vast dat Reaal Centraal Beheer bij brief van 26 juni 2012 voor het eerst heeft gesommeerd het bedrag van € 213.655,- te betalen, en wel voor 1 augustus 2012. Doordat Centraal Beheer niet heeft betaald, is zij per 1 augustus 2012 in verzuim. Het hof zal dan ook de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 augustus 2012. (rov. 5.18)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Onderdeel I van het middel klaagt in de kern dat het hof (in rov. 5.3) ten onrechte ervan is uitgegaan dat het verjaringsregime uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 in de zaak ASR/Achmea2 op het onderhavige geval van toepassing is. Het verjaringsregime uit het arrest ASR/Achmea geldt voor regres in de verhouding tussen hoofdelijke schuldenaren als bedoeld in de art. 6:10 BW in verbinding met art. 6:102 lid 1 BW. De vordering van Reaal is echter niet gegrond op regres tussen hoofdelijke schuldenaren als bedoeld in art. 6:10 BW, maar op art. 7:961 BW of op de redelijkheid en billijkheid. Om die reden is de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in dit geval aangevangen op de dag volgend op die waarop Reaal bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon. Het hof heeft dit alles miskend, zo betoogt het onderdeel.

3.2

Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de regresvordering van Reaal berust op art. 7:961 lid 3 BW. Het heeft immers voor recht verklaard dat Centraal Beheer op grond van art. 7:961 lid 3 BW jegens Reaal ten volle draagplichtig is voor het bedrag van de slotuitkering. Hieruit volgt dat rov. 5.3 van het bestreden arrest aldus moet worden begrepen dat de op art. 7:961 lid 3 BW gegronde vordering van Reaal is ontstaan op het moment dat Reaal voor meer dan haar deel de schade aan de patiënt vergoedde, en dat dit moment ook bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn.

3.3.1

Indien dezelfde schade door meer dan een verzekering wordt gedekt, of indien de schade door een verzekeraar onverplicht wordt vergoed, terwijl dezelfde schade door een andere verzekering wordt gedekt, hebben verzekeraars op grond van art. 7:961 lid 3 BW onderling verhaal opdat ieder zijn deel draagt, naar evenredigheid van de bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken.

3.3.2

De tekst en strekking van art. 7:961 lid 3 BW brengen mee dat de regresvordering van de ene verzekeraar op de andere verzekeraar als bedoeld in die bepaling, ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schade van de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel.3 Het is immers aan een dergelijke betaling dat de wet het ontstaan van de regresvordering verbindt.4

3.4.1

In cassatie is (terecht) niet bestreden het oordeel van het hof (in rov. 5.3) dat een regresvordering uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW kan worden beschouwd als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW.5

3.4.2

Ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor nodig dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. De vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW kan dan ook niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden. Dit geldt ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is. De benadeelde is immers niet daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen voordat de vordering opeisbaar is geworden.6

3.4.3

Een regresvordering als bedoeld in art. 7:961 lid 3 BW ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schade aan de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel (zie hiervoor in 3.3.2). De vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW vangt voor een regresvordering als bedoeld in art. 7:961 lid 3 BW dan ook niet eerder aan dan op de dag na die waarop de desbetreffende verzekeraar de schade aan de verzekerde heeft vergoed voor meer dan zijn deel.

3.5

De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten falen.

3.6.1

Onderdeel II klaagt onder meer dat het hof (in rov. 5.4) ten onrechte het standpunt van Centraal Beheer heeft verworpen dat de verjaringstermijn voor de gehele vordering een aanvang heeft genomen op het moment dat Reaal op 15 juni 2001 de eerste betaling deed. Volgens het onderdeel neemt de verjaring van het vorderingsrecht voor de gehele vordering een aanvang op het eerste moment van het ontstaan van de schade, ook als de omvang van de schade nog niet bekend is. Omdat Reaal op 15 juni 2001 de eerste betaling aan de patiënt heeft voldaan, was Reaal uiterlijk op die datum bekend met de schade en de aansprakelijke persoon. Bovendien was op dat moment de regresvordering van Reaal opeisbaar. De verjaringstermijn voor de gehele regresvordering van Reaal – waaronder dus ook de vordering voor de slotuitkering – heeft daarmee op grond van art. 3:310 lid 1 BW uiterlijk op 15 juni 2001 een aanvang genomen, aldus het onderdeel.

3.6.2

Uit het hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 overwogene volgt dat de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW voor een regresvordering als bedoeld in art. 7:961 lid 3 BW niet eerder aanvangt dan op de dag na die waarop de desbetreffende verzekeraar de schade aan de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel. Dat geldt ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is. Dit brengt mee dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW voor iedere afzonderlijke regresvordering aanvangt op de dag volgend op die waarop de desbetreffende regresvordering is ontstaan en opeisbaar is geworden. Onderdeel II faalt daarom.

3.7

Opmerking verdient nog dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.6.2 is overwogen, voor een regresvordering uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW niet geldt wat in het arrest ASR/Achmea aan het slot van rov. 3.7.2 is overwogen. Die overweging – waarin wordt verwezen naar HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3686 en HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041 – brengt tot uitdrukking dat indien reeds daadwerkelijk schade is geleden, zodat een opeisbare schadevergoedingsvordering bestaat, die vordering mede omvat de toekomstige schadeposten die als afzonderlijke elementen van dezelfde doorlopende schade moeten worden gezien, en voorzienbaar zijn. Ook voor die schadeposten bestaat dan dus reeds een opeisbare vordering tot schadevergoeding. Die overweging ziet dan ook niet op een rechtsvordering die nog niet is ontstaan.

3.8

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1

Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof met het oordeel (in rov. 5.18) dat Centraal Beheer door de brief van Reaal van 26 juni 2012 per 1 augustus 2012 in verzuim is geraakt, heeft miskend dat Reaal in eerste aanleg heeft aangevoerd dat Centraal Beheer voorafgaand aan de betaling van de slotuitkering door Reaal kenbaar heeft gemaakt dat zij niets onder haar polis zou betalen en dat dit betekent dat het verzuim op grond van art. 6:83, aanhef en onder c, BW vanaf de betaling van de slotuitkering op 11 mei 2006 is ingetreden zonder ingebrekestelling.

4.1.2

Op de door het onderdeel aangehaalde vindplaatsen heeft Reaal gesteld (i) dat Centraal Beheer, al voor de betaling van de slotuitkering door Reaal, heeft meegedeeld dat zij niets zou betalen, en (ii) dat dit betekent dat het verzuim op grond van art. 6:83, aanhef en onder c, BW vanaf de betaling van de slotuitkering op 11 mei 2006 is ingetreden zonder ingebrekestelling.

4.1.3

Het hof is niet kenbaar op deze stellingen van Reaal ingegaan. In het licht van deze stellingen is het oordeel van het hof dat Centraal Beheer (door de brief van 26 juni 2012) eerst per 1 augustus 2012 in verzuim is geraakt, onvoldoende gemotiveerd. De hiervoor in 4.1.1 weergegeven klacht slaagt.

4.2

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Centraal Beheer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Reaal begroot op € 6.662,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Centraal Beheer deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 september 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Centraal Beheer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Reaal begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Centraal Beheer deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 15 mei 2020.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8476.

2 HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea).

3 Vgl. ook Kamerstukken II 1999/00, 19529, nr. 5, p. 43.

4 Vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), rov. 3.6 en 3.7.3, laatste zin.

5 Vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), rov. 3.5.

6 Vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), rov. 3.7.1-3.7.2.