Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:852

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
18/01883
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verjaring (art. 70 e.v. Sr). 1. Voorhanden hebben veerdrukwapen (art. 13.1. WWM), 2. poging diefstal met braak en inklimming (art. 311.1.5. Sr) subs. vernieling (art. 350.1 Sr) en 3. diefstal met braak en inklimming (art. 311.1.5 Sr). Middel klaagt dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. HR: Op de gronden vermeld in de CAG is het middel gegrond. CAG: 1. O.g.v. art. 70.1.ahf.2, jo. art. 72.2 Sr bedraagt de verjaringstermijn i.c. ten hoogste 2 maal 6 jaren. Art. 71 Sr bepaalt dat de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Sinds 15 januari 2002, de dag nadat het onder 1 tlgd. zou hebben plaatsgevonden, zijn er meer dan 12 jaren verstreken. Dat betekent dat het recht tot strafvordering t.a.v. het voorhanden hebben van een wapen van categorie I is verjaard. 2 primair en 3. Verdachte is bij arrest van 5 juni 2003 bij verstek veroordeeld. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende 12 jaren voorafgaand het doen van de mededeling van het arrest a.b.i. art. 366 Sv aan verdachte op 27 maart 2018 enige daad van vervolging is verricht. Dat betekent dat de in art. 70.1.ahf.3, Sr bepaalde termijn van 12 jaren op 5 juni 2015 is verstreken en dat het recht tot strafvordering t.a.v. de onder 2 primair en 3 tlgd. (poging tot) gekwalificeerde diefstal is komen te vervallen. De onder 2 subs. tlgd. vernieling heeft volgens de tll. in of omstreeks de periode van 5 t/m 6 januari 2002 plaatsgevonden. O.g.v. art. 70.1.ahf.2, jo. art. 72.2 Sr, geldt een absolute verjaringstermijn van ten hoogste 2 maal 6 jaren. Ook die termijn is verstreken. HR vernietigt de uitspraak van het hof en van de politierechter en verklaart het OM n-o. Samenhang met 18/01884 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0174
RvdW 2020/649
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01883

Datum 12 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof te Arnhem van 5 juni 2003, nummer 21/002891-02, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. G.A. Jansen heeft een aanvullende schriftuur ingediend. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zwolle is vernietigd - en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv als het de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

2.2

Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd:
1. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
2 primair. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
2 subsidiair. vernieling;
3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

2.3

Op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal is het middel gegrond.

2.4

De Hoge Raad zal wat betreft alle feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beslissing die hierna volgt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Zwolle van 19 augustus 2002;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020.