Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:848

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
19/03591
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:3112
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:462
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, art. 225 Sr. Valselijk opmaken formulier Wet Bibob en Bouwactiviteiten. Middel houdt in dat de onjuistheid van dat geschrift noch het opzet van de verdachte op die onjuistheid uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03591

Datum 12 mei 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2019, nummer 23-000169-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020.