Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:842

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
18/04824
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:2765
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:364
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Syriƫganger. Voorbereiden en/of bevorderen van de in art. 157, 288a, 289 jo 83 Sr genoemde misdrijven, te weten brandstichting, doodslag en/of moord, begaan met een terroristisch oogmerk (art. 96.2 Sr). Middelen over (motivering) bewezenverklaring en afwijzing getuigenverzoek. HR: art. 81.1. RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04824

Datum 9 juni 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018, nummer 22/001907-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020.