Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:810

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
19/04726
Formele relaties
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHAMS:2019:3735
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:228, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Effectenleaseovereenkomst. Buitengerechtelijke vernietiging o.g.v. art. 1:89 lid 1 BW in verbinding met art. 1:88 lid 1, onder d, BW. Bindt een beslissing over de rechtsgeldigheid van de vernietiging in een procedure waarin slechts een van beide echtgenoten partij was, ook de andere echtgenoot? Gezag van gewijsde (art. 236 Rv); deelgenootschap (art. 3:166 BW en art. 3:171 BW); processueel ondeelbare rechtsverhouding? Art. 118 Rv. Strekking van art. 1:88 en 1:89 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1148
RvdW 2020/582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/04726

Datum 24 april 2020

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

LEASEPROCES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE in hoger beroep,

hierna: Leaseproces,

advocaten in de prejudiciële procedure: A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE in hoger beroep,

hierna: Dexia,

advocaat in de prejudiciële procedure: J. de Bie Leuveling Tjeenk.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenarrest in de zaak 200.230.325/01 van 15 oktober 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot beantwoording van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen in de in de conclusie onder 2.39 tot en met 2.48 gegeven zin.

2 Beantwoording van de prejudiciële vragen

2.1

Deze zaak gaat over het geval waarin ter zake van een effectenleaseovereenkomst die is gesloten door een van de echtgenoten (hierna ook: de handelende echtgenoot), door de andere echtgenoot (hierna ook: de niet handelende echtgenoot) buiten rechte een beroep is gedaan op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW in verbinding met art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW. De prejudiciële vragen stellen aan de orde of een beslissing over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW, die is gegeven in een procedure waarin slechts een van beide echtgenoten partij was, ook de andere echtgenoot bindt.

Feiten en procesverloop

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) [de man] (hierna: de man) heeft op 23 november 2000 met (de rechtsvoorganger van) Dexia een effectenleaseovereenkomst gesloten.

(ii) Ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was de man gehuwd met [de vrouw] (hierna: de vrouw). De vrouw heeft geen toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.

(iii) De effectenleaseovereenkomst is in 2003 geëindigd met een restschuld.

(iv) De vrouw heeft bij brief van 1 juli 2005 met een beroep op art. 1:89 lid 1 BW en art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst ingeroepen.

(v) De man heeft tegen Dexia een vordering ingesteld tot terugbetaling van al hetgeen hij uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald. De man heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de vrouw de effectenleaseovereenkomst met de hiervoor onder (iv) genoemde brief rechtsgeldig heeft vernietigd.

(vi) Bij vonnis van 27 februari 2013 heeft de kantonrechter de vordering van de man afgewezen op de grond dat de vrouw de overeenkomst niet tijdig – voor afloop van de verjaringstermijn – heeft vernietigd. Tegen dit vonnis (hierna: het vonnis van 27 februari 2013) is geen hoger beroep ingesteld.

(vii) De man en de vrouw hebben in 2016 hun vorderingen op Dexia gecedeerd aan Leaseproces.

2.3

In deze procedure vordert Leaseproces onder meer (i) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en (ii) veroordeling van Dexia tot betaling aan Leaseproces van al hetgeen de man op grond van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald.
Dexia vordert in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond waarop door Leaseproces een beroep kan worden gedaan.

2.4

De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van Leaseproces afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat Dexia jegens Leaseproces aan al haar verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan Leaseproces verschuldigd is. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat het beroep van Dexia op het gezag van gewijsde van het vonnis van 27 februari 2013 slaagt, nu het gaat om dezelfde rechtsbetrekking (de buitengerechtelijke vernietiging op grond van art. 1:89 BW van de effectenleaseovereenkomst), dezelfde partijen (de man en de vrouw enerzijds en Dexia anderzijds) en dezelfde vordering (terugbetaling aan de man van hetgeen hij uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst aan Dexia heeft voldaan).

2.5.1

In zijn eerste tussenarrest heeft het hof als volgt overwogen.1

Op grond van art. 236 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Vast staat dat het vonnis van 27 februari 2013 in kracht van gewijsde is gegaan. Tussen partijen is in geschil of dat vonnis dezelfde rechtsbetrekking betreft die in de onderhavige procedure aan de orde is en of dat vonnis is gewezen tussen dezelfde partijen als de partijen in dit geding. (rov. 3.6)

De kantonrechter heeft in het vonnis van 27 februari 2013 het beroep op verjaring van Dexia geslaagd geacht en om die reden de vordering van de man afgewezen.
In de huidige procedure doet Leaseproces een beroep op de stuitende werking van de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure van de stichting Eegalease en anderen tegen Dexia (hierna: de collectieve procedure). De man heeft in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 27 februari 2013 geen beroep gedaan op die stuitende werking. Pas na het vonnis van 27 februari 2013 is komen vast te staan dat de collectieve procedure de verjaring van de mogelijkheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen heeft gestuit en wel tot uiterlijk zes maanden na de beschikking van 25 januari 2007 van het hof Amsterdam waarin de WCAM-overeenkomst verbindend is verklaard. Voor effectenleaseovereenkomsten die na 13 maart 2000 zijn aangegaan, zoals in deze zaak, heeft dit tot gevolg dat de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen niet is verjaard. (rov. 3.7)
In het vonnis van 27 februari 2013 heeft de kantonrechter beslist over de rechtsbetrekking die in dit geding in geschil is, namelijk de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de vrouw op grond van het ontbreken van haar (schriftelijke) toestemming voor het aangaan van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende (restitutie)vordering(en). De bijzondere regeling van art. 1:88 BW in verbinding met art. 1:89 BW maakt het mogelijk dat niet alleen de handelende echtgenoot, maar ook de niet handelende echtgenoot de rechtsvorderingen kan instellen die voortvloeien uit een beroep op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW. Dat roept de vraag op of in het geval waarin beide echtgenoten ieder in een eigen procedure tegen dezelfde wederpartij van deze bevoegdheid gebruik maken, sprake is van dezelfde partijen in de zin van art. 236 Rv. In deze procedure ziet het hof de vordering van Leaseproces als een vordering van alleen de vrouw; dat in dezelfde akte van cessie ook vorderingen van de man aan Leaseproces zijn overgedragen, maakt dit niet anders. (rov. 3.8)
Leaseproces wijst er met juistheid op dat de ratio van art. 1:88 BW is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. Uit eerdere rechtspraak volgt dat, indien de handelende echtgenoot door een vaststellingsovereenkomst met Dexia afstand heeft gedaan van alle rechten uit hoofde van of verband houdende met de effectenleaseovereenkomst, de niet handelende echtgenoot bevoegd blijft om de effectenleaseovereenkomst op grond van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW te vernietigen. Omdat de bevoegdheid tot vernietiging niet aan de handelende echtgenoot toekomt, maar alleen aan de niet handelende echtgenoot, heeft de handelende echtgenoot van die bevoegdheid geen afstand kunnen doen. In het verlengde daarvan heeft de handelende echtgenoot ook geen afstand kunnen doen van de in art. 1:89 lid 5 BW aan de niet handelende echtgenoot toegekende bevoegdheid om alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen in te stellen. (rov. 3.10)

In dit verband doet zich de vraag voor of hier sprake is van een gemeenschappelijke vordering waarvoor geldt dat alle deelgenoten in de gemeenschap als partij in de zin van art. 236 Rv moeten worden beschouwd (vgl. HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0586). In het geval van een gemeenschap is iedere deelgenoot op grond van art. 3:171 BW in beginsel bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De op een dergelijke rechtsvordering verkregen uitspraak heeft bindende kracht voor alle deelgenoten en dus ook voor de deelgenoten die niet als formele procespartij aan het geding hebben deelgenomen. Genoemde uitspraak van de Hoge Raad had betrekking op vorderingen die voortvloeien uit een erfrechtelijke gemeenschap. De Dexia-zaken verschillen daarvan in zoverre dat art. 1:89 lid 5 BW bepaalt dat de niet handelende echtgenoot alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen kan instellen. Dat betekent dat het niet uitmaakt welk huwelijksgoederenregime van toepassing is. De niet handelende echtgenoot kan de uit nietigheid voortvloeiende vordering tot restitutie instellen, ook als de effectenleaseovereenkomst niet valt in een gemeenschap van goederen. De vraag is dan ook of hetgeen door de Hoge Raad in de erfrechtelijke kwestie is beslist van overeenkomstige toepassing is als de effectenleaseovereenkomst niet in een gemeenschap valt, en daarnaast of de beschermingsgedachte van art. 1:88 BW daaraan in de weg staat. (rov. 3.11)

2.5.2

In zijn tweede tussenarrest heeft het hof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld die, gelezen in samenhang met rov. 2.9 van dat arrest, als volgt luiden.2

1. Dienen de vorderingen (i) tot een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd en (ii) tot restitutie van hetgeen ter uitvoering van de leaseovereenkomst is voldaan, te worden beschouwd als gemeenschappelijke vorderingen die zijn ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis bindende kracht hebben voor beide echtgenoten, dus ook voor de echtgenoot die niet als formele procespartij is opgetreden, zodat zij beiden als partij in de zin van art. 236 Rv moeten worden beschouwd, of verzet de beschermingsgedachte van artikel 1:88 BW zich daartegen?

2. Heeft de beslissing op het verweer tegen de genoemde vorderingen, dan wel op de vordering van Dexia tot een verklaring voor recht dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst is verjaard, bindende kracht in de zin van art. 236 Rv niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook tegen de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding?

3. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit welk huwelijksgoederenregime in het concrete geval van toepassing is?

4. Maakt het bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 uit of de handelende of niet handelende echtgenoot als formele procespartij is opgetreden in de procedure die heeft geleid tot het in kracht van gewijsde gegane vonnis?

Inleiding

De vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW in verbinding met art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW

2.6.1

Op grond van art. 1:88 lid 1 BW behoeft de handelende echtgenoot toestemming van de niet handelende echtgenoot voor bepaalde rechtshandelingen. De ratio van art. 1:88 lid 1 BW is om echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie.3 Beoogd wordt te voorkomen dat de handelende echtgenoot, door een van de in die bepaling genoemde rechtshandelingen te verrichten, zijn vermogen of het gemeenschappelijke vermogen zonder toestemming van de niet handelende echtgenoot uitholt.4
Het sluiten van een effectenleaseovereenkomst valt onder de rechtshandelingen waarvoor op grond van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW toestemming van de niet handelende echtgenoot is vereist.5

2.6.2

Indien de handelende echtgenoot zonder toestemming van de niet handelende echtgenoot een effectenleaseovereenkomst sluit, is die overeenkomst op grond van art. 1:89 lid 1 BW vernietigbaar. Slechts de niet handelende echtgenoot kan een beroep doen op deze vernietigingsgrond.6 Deze bevoegdheid kan de niet handelende echtgenoot niet worden ontnomen doordat de handelende echtgenoot een vaststellingovereenkomst sluit met zijn wederpartij.7

2.6.3

De regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW geldt ongeacht het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime.8 Op die bepalingen kan ook een beroep worden gedaan indien de vernietigbare rechtshandeling geen gevolgen heeft voor het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten of wanneer de echtgenoten iedere vorm van gemeenschap hebben uitgesloten, en dus alleen het privévermogen van de handelende echtgenoot in het geding is.

Procederen over het beroep op de vernietigingsgrond

2.6.4

In het geval waarin de handelende echtgenoot een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten en vervolgens de niet handelende echtgenoot buitengerechtelijk een beroep heeft gedaan op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW in verbinding met art. 1:88 BW, kunnen de handelende echtgenoot, de niet handelende echtgenoot en de wederpartij bij de effectenleaseovereenkomst ieder het initiatief nemen tot een procedure waarin, al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer, van de rechter een beslissing wordt verlangd over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW. De niet handelende echtgenoot ontleent de bevoegdheid daartoe aan art. 1:89 BW, de handelende echtgenoot en de wederpartij ontlenen die bevoegdheid aan hun hoedanigheid van partij bij de overeenkomst waarop het beroep op de vernietigingsgrond betrekking heeft. De niet handelende echtgenoot kan het beroep op de vernietigingsgrond niet alleen buiten rechte, maar ook in rechte doen door een rechtsvordering tot vernietiging in te stellen (art. 3:51 lid 2 BW en art. 1:89 lid 4 BW).

Gezag van gewijsde

2.7.1

Ingevolge art. 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Onder partijen worden mede begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet anders voortvloeit (lid 2).

2.7.2

Indien degene die als formele procespartij optreedt dat doet namens een ander, is die ander als materiële procespartij aan een in kracht van gewijsde gegane uitspraak gebonden.

2.7.3

Ingeval van een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW is iedere deelgenoot in beginsel bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW). In deze regel ligt besloten dat een deelgenoot in zijn vordering of verzoek kan worden ontvangen, ook indien de andere deelgenoten niet als formele procespartijen aan het geding deelnemen. Indien een of meer deelgenoten van deze bevoegdheid gebruik maken, heeft de daarop gewezen en in kracht van gewijsde gegane uitspraak bindende kracht voor alle deelgenoten, dus ook voor diegenen die niet als formele procespartijen aan het geding hebben deelgenomen. Zij moeten dan immers allen als partij in de zin van art. 236 Rv worden beschouwd.9

2.7.4

Naast de oorspronkelijke procespartijen kunnen ook anderen aan een uitspraak gebonden raken doordat zij in een later stadium van het geding als partij in de procedure worden betrokken. Dat kan het geval zijn indien zij in die procedure zich voegen of tussenkomen, dan wel op de voet van art. 118 Rv in die procedure worden betrokken.

2.7.5

Ingeval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding geldt dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechter over die rechtsverhouding steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is sprake indien het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over een rechtsverhouding in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Indien over een processueel ondeelbare rechtsverhouding wordt geprocedeerd, moeten alle bij de rechtsverhouding betrokkenen, zo nodig met toepassing van art. 118 Rv, in de procedure worden betrokken.10

2.7.6

De eerste twee prejudiciële vragen stellen aan de orde of het gezag van gewijsde van een tussen Dexia en een van de echtgenoten gedane uitspraak over de rechtsbetrekking in geschil (de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW) ook tegen de andere echtgenoot kan worden ingeroepen. In dat kader rijst ook de vraag of van belang is welk huwelijksgoederenregime tussen de echtgenoten geldt, respectievelijk wie van beide echtgenoten als procespartij is opgetreden in de procedure die heeft geleid tot de in kracht van gewijsde gegane uitspraak (zie de derde en de vierde prejudiciële vraag).

De eerste prejudiciële vraag

2.8.1

De eerste prejudiciële vraag stelt aan de orde of rechtsvorderingen tot vernietiging, dan wel berustend op vernietiging, van de effectenleaseovereenkomst, moeten worden beschouwd als ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten, zodat de daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, bindende kracht hebben jegens beide echtgenoten. Uit rov. 3.11 van het eerste tussenarrest (hiervoor in 2.5.1 weergegeven) blijkt dat het hof daarbij het oog heeft op de mogelijkheid dat ter zake van de in geding zijnde vorderingsrechten een gemeenschap bestaat als bedoeld in art. 3:166 BW, in welk geval iedere deelgenoot rechtsvorderingen kan instellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap (art. 3:171 BW, zie hiervoor in 2.7.3).

Binding op grond van art. 3:171 BW?

2.8.2

Ingevolge art. 3:189 lid 1 BW gelden de bepalingen van titel 7 (Gemeenschap) van Boek 3 BW, waarvan de art. 3:166 BW en 3:171 BW deel uitmaken, niet voor een huwelijksgemeenschap, zolang deze niet is ontbonden. Indien de vorderingsrechten en schulden voortvloeiend uit een door een van de echtgenoten gesloten effectenleaseovereenkomst in een tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap vallen, is art. 3:171 BW daarop dus niet van toepassing.

2.8.3

Voor buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, doet de regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW voor de daaruit voortvloeiende vorderingen van een echtgenoot tot vernietiging, dan wel berustend op vernietiging, niet een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW ontstaan. Weliswaar kan de niet handelende echtgenoot de hiervoor in 2.8.1 bedoelde rechtsvorderingen instellen, maar die bevoegdheid berust op art. 1:89 lid 5 BW en niet op de grond dat de in geding zijnde vorderingsrechten mede tot diens vermogen behoren.

2.8.4

Anders dan Dexia betoogt, is voor overeenkomstige toepassing van art. 3:171 BW geen plaats. Het gevolg daarvan zou immers kunnen zijn dat de niet handelende echtgenoot gebonden raakt aan een uitspraak in een procedure waarbij deze echtgenoot niet als partij betrokken is geweest, in welk geval de aan deze echtgenoot in art. 1:89 BW toegekende onafhankelijke rechtspositie illusoir zou zijn (zie ook hierna in 2.9.6).

2.8.5

Blijkens het voorgaande luidt het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, in samenhang met de derde en vierde vraag, als volgt.

Door een echtgenoot ingestelde rechtsvorderingen tot vernietiging, dan wel berustend op vernietiging, van de effectenleaseovereenkomst, kunnen niet op grond van (overeenkomstige toepassing van) art. 3:171 BW worden beschouwd als ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke echtgenoten. De daarop gegeven beslissingen die zijn vervat in een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, hebben dan ook niet uit dien hoofde bindende kracht jegens beide echtgenoten.

In dat kader doet niet ter zake welk huwelijksgoederenregime tussen de echtgenoten geldt, noch wie van beiden de rechtsvorderingen heeft ingesteld.

De tweede prejudiciële vraag

2.9.1

De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of een rechterlijke beslissing over de vraag of de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst is verjaard – en daarmee over de vraag of die overeenkomst nog door een buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd (zie art. 3:52 lid 2 BW) bindende kracht heeft in de zin van art. 236 Rv (de Hoge Raad begrijpt: op andere gronden dan bedoeld in de eerste vraag) niet alleen jegens de echtgenoot die in het geding als procespartij is opgetreden, maar ook jegens de andere echtgenoot die geen formele procespartij was in dat geding.

Huwelijksgoederenregime van belang?

2.9.2

De art. 1:88 BW en 1:89 BW bevatten een eigensoortige regeling, die los staat van het tussen de echtgenoten toepasselijke huwelijksgoederenregime (zie hiervoor in 2.6.1-2.6.4). Ongeacht het tussen partijen geldende huwelijksgoederenregime, kan uitsluitend de niet handelende echtgenoot een rechtshandeling als bedoeld in art. 1:88 BW vernietigen op de grond dat hij of zij daarvoor niet de vereiste toestemming heeft gegeven (art. 1:89 lid 1 BW), en is deze echtgenoot bevoegd de daaruit voortvloeiende rechtsvorderingen onafhankelijk van de handelende echtgenoot in te stellen (art. 1:89 leden 4 en 5 BW).

Processueel ondeelbare rechtsverhouding?

2.9.3

Uit de hiervoor in 2.6.1-2.6.4 en 2.9.2 weergegeven strekking en kenmerken van de regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW moet worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever de rechtsverhouding tussen de partijen bij die rechtshandeling enerzijds en tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij van de handelende echtgenoot anderzijds, niet kan worden aangemerkt als processueel ondeelbaar. Dat blijkt ook uit art. 1:89 lid 4 BW, waarin is bepaald dat de niet handelende echtgenoot de verklaring of rechtsvordering tot vernietiging, in afwijking van de art. 3:50 lid 1 BW en 3:51 lid 2 BW, niet mede behoeft te richten tot de echtgenoot die de handeling heeft verricht.

2.9.4

Het voorgaande brengt mee dat een onherroepelijke beslissing in een procedure als hiervoor in 2.6.4 bedoeld, waarin slechts een van beide echtgenoten als procespartij is opgetreden, niet op de voet van art. 236 Rv gezag van gewijsde heeft jegens de echtgenoot die niet (van de aanvang af, of na voeging, tussenkomst, of oproeping op de voet van art. 118 Rv) als procespartij in die procedure betrokken is geweest.

2.9.5

Met het voorgaande is echter niet voor alle gevallen antwoord gegeven op de onderliggende vraag of de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW opnieuw aan de orde kan worden gesteld in een procedure tussen de wederpartij en de niet in de eerdere procedure betrokken echtgenoot. Het antwoord op die vraag verschilt naar gelang de handelende, dan wel de niet handelende echtgenoot partij was in de eerdere procedure.

Eerdere procedure tussen de handelende echtgenoot en de wederpartij

2.9.6

Indien de eerdere procedure is gevoerd tussen de handelende echtgenoot en de wederpartij, bindt de daarin gedane uitspraak de andere echtgenoot niet. Ook indien in de eerdere procedure onherroepelijk is beslist dat aan de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de rechtshandeling door de niet handelende echtgenoot geen rechtsgevolg toekomt, kan de niet handelende echtgenoot de vraag of aan die verklaring rechtsgevolg toekomt in een nieuwe procedure aan de orde stellen zonder dat het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak tegen deze echtgenoot kan worden ingeroepen. Een andere uitkomst zou niet stroken met de strekking van art. 1:88 BW en de onafhankelijke rechtspositie die in art. 1:89 BW aan de niet handelende echtgenoot is toegekend.

De wederpartij bij de rechtshandeling en de handelende echtgenoot kunnen voorkomen dat een uitspraak in een tussen hen te voeren procedure de andere echtgenoot niet bindt, door ook deze echtgenoot in het geding te betrekken, dan wel de rechter te verzoeken toe te staan dat deze echtgenoot op de voet van art. 118 Rv in het geding wordt betrokken.

Eerdere procedure tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij

2.9.7

Uit de strekking en de kenmerken van de regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW vloeit voort dat met een onherroepelijke beslissing over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW, die is gegeven in een procedure tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij, ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot vaststaat of de vernietiging van de rechtshandeling rechtsgevolg heeft gehad, ook indien laatstgenoemde niet als partij in die procedure betrokken is geweest. De bevoegdheid tot vernietiging komt immers uitsluitend toe aan de niet handelende echtgenoot (zie hiervoor in 2.6.2). Als tussen de wederpartij en de niet handelende echtgenoot onherroepelijk is komen vast te staan dat die bevoegdheid met succes is uitgeoefend, geldt dus ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot dat de rechtshandeling nietig is. Is tussen de wederpartij en de niet handelende echtgenoot onherroepelijk komen vast te staan dat die bevoegdheid tevergeefs is uitgeoefend, dan staat daarmee ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot vast dat die uitoefening niet heeft geleid tot aantasting van de rechtshandeling.

Conclusie naar aanleiding van de tweede prejudiciële vraag

2.10

Blijkens het voorgaande luidt het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, in samenhang met de derde en vierde vraag, als volgt.
Een onherroepelijke beslissing in een procedure over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW, waarin slechts een van beide echtgenoten als procespartij is opgetreden, heeft niet op de voet van art. 236 Rv gezag van gewijsde jegens de echtgenoot die niet (van de aanvang af, of na voeging, tussenkomst, of oproeping op de voet van art. 118 Rv) als procespartij in die procedure betrokken is geweest.
Echter, uit de strekking en de kenmerken van de regeling van de art. 1:88 BW en 1:89 BW vloeit voort dat met een onherroepelijke beslissing over de gegrondheid van het beroep op art. 1:89 lid 1 BW die is gegeven in een procedure tussen de niet handelende echtgenoot en de wederpartij, ook tussen de wederpartij en de handelende echtgenoot vaststaat of de vernietiging rechtsgevolg heeft gehad, ook indien laatstgenoemde niet als partij in die procedure betrokken is geweest.

Is de niet handelende echtgenoot geen partij geweest in de eerdere procedure, dan kan de wederpartij jegens deze echtgenoot niet met succes een beroep doen op het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak.

In geen van deze gevallen doet ter zake welk huwelijksgoederenregime tussen de echtgenoten geldt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 2.8.5 en 2.10 weergegeven wijze;

- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van Leaseproces en op € 1.800,-- aan de zijde van Dexia.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 24 april 2020.

1 Gerechtshof Amsterdam 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1101.

2 Gerechtshof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735.

3 Zie onder meer HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41, rov. 3.3.2.

4 Vgl. Parl. Gesch. BW Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 27.

5 HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, rov. 4.1-4.8.

6 Vgl. HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506, rov. 4.1.2.

7 HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936, rov. 4.3.2; HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822, rov. 3.3.5.

8 Parl. Gesch. Boek 1, p. 261, met verwijzing naar Kamerstukken II 1955/56, 1430, nr. 16, p. 6.

9 Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1283 e.v. en HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0586, rov. 3.2.

10 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, rov. 3.4, 3.5.4, 3.6.1 en 3.6.2.