Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:80

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
18/03443
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:943
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

N-o verklaring in h.b. omdat het te laat is ingesteld. Uit de stukken blijkt dat volstaan is met een aantekening mondeling vonnis a.b.i. art. 378a Sv (stempelvonnis), inhoudend o.m. dat het op 10-5-2017 op tegenspraak is gewezen. Een mededeling uitspraak van dat vonnis is op 2-10-2017 i.p. aan verdachte betekend. Namens verdachte is op 10-10-2017 h.b. ingesteld. HR stelt voorop dat in het geval de Rb. gelet op art. 378.2.c Sv heeft mogen afzien van het uitwerken van het p-v van de tz. in e.a., het Hof op zich zelf aan de inhoud van het stempelvonnis kan ontlenen dat het op tegenspraak is gewezen, behoudens wanneer door of namens verdachte bij de behandeling van de zaak in h.b. is aangevoerd dat en waarom de inhoud van dat stempelvonnis in strijd met de waarheid is (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB2951) en/of wanneer uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen niet juist is. Nu de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat het vonnis bij verstek is gewezen en het Hof heeft vastgesteld dat aan verdachte een mededeling uitspraak a.b.i. art. 366 Sv is uitgereikt, is ‘s Hofs oordeel dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, niet z.m. begrijpelijk. De n-o verklaring van verdachte in het h.b. is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0018
NJB 2020/303
RvdW 2020/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03443

Datum 21 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 augustus 2018, nummer 21/005510-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen UT, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

2.2.1

In de conclusie van de Advocaat-Generaal is onder 4 de inhoud van een aantal aan de Hoge Raad gezonden stukken weergegeven. Uit die stukken kan onder meer het volgende worden afgeleid. De Politierechter heeft op 10 mei 2017 uitspraak gedaan en volstaan met een aantekening mondeling vonnis als bedoeld in art. 378a Sv (hierna: stempelvonnis). Het stempelvonnis houdt in dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Een mededeling uitspraak betreffende voormeld vonnis is op 2 oktober 2017 in persoon aan de verdachte betekend. Namens de verdachte is op 10 oktober 2017 hoger beroep ingesteld.

2.2.2

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een stuk met als opschrift “Appelschriftuur” van C.C. Polat, advocaat te Breukelen. Dit stuk houdt onder meer het volgende in:

“Betekeningsstukken
Cliënt is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Het is onduidelijk bij de verdediging of betekening van cliënt in persoon of niet in persoon heeft plaatsgevonden. De verdediging wenst derhalve in het bezit te worden gesteld van de betekeningsstukken in eerste aanleg.“

2.2.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat allereerst de vraag beantwoord dient te worden of het hoger beroep tijdig is ingediend nu in de aantekening mondeling vonnis staat dat het een vonnis op tegenspraak betreft.

De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verwijs naar de appelschriftuur. Naar ons idee betreft het een verstekvonnis.

De jongste raadsheer merkt op dat mr. Tuma is opgeroepen voor de zitting van 10 mei 2017.

De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:

De dagvaarding is niet in persoon uitgereikt. Er is geen proces-verbaal waaruit blijkt wie en of er iemand verschenen is. Ik weet niet of mr. Tuma voor de zitting is opgeroepen. Ik durf niet te zeggen hoe het destijds is verlopen. Mr. Polat is uitgegaan van een verstekvonnis. Ik neem aan dat mr. Polat dat heeft nagevraagd bij de rechtbank. Dat is gebruikelijk. Ik weet niet of hij heeft gehoord dat het een vonnis op tegenspraak betrof.

Het hoger beroep is mijns inziens niet tardief.

(...)

De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik beschik niet over een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Ik ga er van uit dat het een verstekvonnis betreft. Dat blijkt ook uit de appelschriftuur. Mijn cliënt kwam op 2 oktober 2017 op de hoogte van de uitspraak, waarna er tijdig hoger beroep is ingesteld.”

2.2.4

Het Hof heeft de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

“Op 7 februari 2017 is door de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland als kennisgeving een afschrift van de dagvaarding van verdachte verzonden aan de raadsman van verdachte, mr. V.P.J. Tuma te Amersfoort.

De dagvaarding voor de zitting van de politierechter is op 3 april 2017 ter griffie van de rechtbank betekend en op dezelfde dag per post verzonden naar het adres: [a-straat 1], [postcode] [plaats].

In het dossier bevindt zich een aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 10 mei 2017. Het vonnis is blijkens deze aantekening op tegenspraak gewezen.

Op 2 oktober 2017 is in het kader van een signalering een mededeling uitspraak aan verdachte uitgereikt.

Verdachte is daarop op 10 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de politierechter.

Het hof stelt voorop dat het voor de beantwoording van de vraag of een vonnis op tegenspraak of bij verstek is gewezen, uitgaat van de mededeling die hierover in het vonnis is vermeld. Als de juistheid van deze mededeling door de verdediging betwist wordt, dan dient deze betwisting gemotiveerd te zijn. De enkele vermelding in de appelschriftuur van 31 oktober 2017 dat verdachte bij verstek is veroordeeld, is daartoe niet voldoende. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de verdediging ligt te onderzoeken of het een vonnis op tegenspraak dan wel een verstekvonnis betreft indien daar in de visie van de verdediging onduidelijkheid over bestaat.

Nu dit onderzoek niet is gedaan ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vermelding op de aantekening mondeling vonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

2.3

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het geval de rechtbank, gelet op art. 378, tweede lid, onder c, Sv heeft mogen afzien van het uitwerken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, kan het Hof op zich zelf aan de inhoud van het stempelvonnis als bedoeld in art. 378a Sv ontlenen dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, behoudens wanneer door of namens de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevoerd dat en waarom de inhoud van dat stempelvonnis in strijd met de waarheid is (vgl. HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2951) en/of wanneer uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen niet juist is.

2.4

In aanmerking genomen dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat het vonnis bij verstek is gewezen en het Hof heeft vastgesteld dat aan de verdachte een mededeling uitspraak als bedoeld in art. 366 Sv is uitgereikt, is het oordeel van het Hof dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, niet zonder meer begrijpelijk. De niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2020.