Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:797

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
19/01401
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:10865, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1163, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. IPR. Verzoek tot verklaring voor recht dat werkzaamheid internationale Bandidos Motorcycle Club in strijd is met openbare orde (art. 10:122 BW) door hof afgewezen. Heeft OM voldoende omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat sprake is van een internationale ‘corporatie’ als bedoeld in art. 10:117, onder a, BW en art. 10:122 BW?

Verbodenverklaring en ontbinding van Bandidos-motorclub in Nederland (art. 2:20 BW) door hof toegewezen. Treft dit verbod ook de lokale Nederlandse afdelingen ('chapters')? Formele en informele verenigingen (art. 2:26 BW); rechtspersoonlijkheid van afdelingen?

Uitleg van art. 10:122 BW en art. 2:20 BW in licht van grondrecht op vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1146
RvdW 2020/580
OR-Updates.nl 2020-0174
RO 2020/40
JONDR 2020/477
JOR 2020/226 met annotatie van Blanco Fernández, J.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01401

Datum 24 april 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

HET OPENBAAR MINISTERIE (LANDELIJK PARKET),
zetelende te 's-Gravenhage,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: het OM,

advocaten: G.C. Nieuwland en M.W. Scheltema,

tegen

1. De informele vereniging DE NEDERLANDSE AFDELING VAN DE BANDIDOS MOTORCYCLE CLUB,

zonder bekende vestigingsplaats in of buiten Nederland,

hierna: BMC Holland,

2. De buitenlandse corporatie BANDIDOS MOTORCYCLE CLUB,

zonder bekende vestigingsplaats in of buiten Nederland,

hierna: BMC Internationaal,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen,

en

3. De informele vereniging BANDIDOS MC SITTARD,
gevestigd te Nieuwstadt, gemeente Echt-Susteren,

hierna: BMC Sittard,

4. De buitenlandse rechtspersoon BANDIDOS MOTORCYCLECLUB FEDERATION EUROPE,
gevestigd te Helsingør, Denemarken,

hierna: BMC Europe,

BELANGHEBBENDEN in cassatie,

advocaat: R.T. Wiegerink.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikkingen in de zaken C/16/427066 / HA RK 16-266 en C/16/427070 / HA RK 16-267 van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2017 en 7 februari 2018;

  2. de beschikking in de zaak 200.235.799 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018.

Het OM heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. BMC Sittard en BMC Europe hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak gaat over het verbod en de ontbinding door de rechter van Bandidos-motorclubs in Nederland. In cassatie is nog aan de orde (i) of Bandidos Motorcycle Club (in dit geding ‘BMC Internationaal’ genoemd) kan worden aangemerkt als een wereldwijd, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband, en (ii) of een verbod van de Nederlandse afdeling van de Bandidos Motorcycle Club (de informele vereniging BMC Holland) tot gevolg heeft dat ook de lokale Nederlandse ‘chapters’ zijn verboden.

2.2

Motorclubs onder de naam Bandidos zijn ontstaan in de Verenigde Staten. Daarbij waren er aanvankelijk alleen chapters van Bandidos in Noord- en Zuid-Amerika. Later kwamen er ook chapters in Australië, Europa en Azië. Wereldwijd zijn er inmiddels meer dan 200 chapters met meer dan 2.500 leden.
De eerste chapter van Bandidos in Nederland is in 2014 opgericht. Dat was BMC Sittard. Daarna zijn in Nederland nog chapters opgericht in Alkmaar, Utrecht en Nijmegen.

2.3

Het OM heeft in deze procedure verzocht de informele vereniging BMC Holland op grond van art. 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. Daarnaast heeft het OM op grond van art. 10:122 BW een verklaring voor recht gevraagd dat de werkzaamheid van de buitenlandse corporatie BMC Internationaal in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW.

2.4

Het OM heeft hiertoe, kort gezegd, gesteld dat de cultuur van de Bandidos-motorclubs is gericht op het plegen van ernstige strafbare feiten, in het bijzonder het plegen van drugsmisdrijven, wapenmisdrijven en afpersing, het faciliteren en stimuleren daarvan en het aantasten van de rechten en vrijheden van anderen en de eigen leden.

2.5

BMC Holland en BMC Internationaal zijn in deze procedure niet verschenen. Wel zijn, als belanghebbenden, BMC Europe en BMC Sittard verschenen. Laatstgenoemden hebben verweer gevoerd tegen de verzoeken van het OM.

2.6

De rechtbank heeft de verzoeken van het OM toegewezen.1 Hiertoe heeft de rechtbank, kort gezegd, als volgt overwogen.

BMC Internationaal treedt naar buiten toe op als een zelfstandige, wereldwijde motorclub en moet dan ook worden aangemerkt als een corporatie in de zin van art. 10:122 BW. (rov. 3.8-3.11)

BMC Holland kan als een informele vereniging worden aangemerkt, nu zij als een organisatorisch verband van personen naar buiten toe optreedt. (rov. 3.14-3.15)

Een afweging van alle betrokken belangen en rechten brengt mee dat het in een democratische samenleving noodzakelijk is dat voor recht wordt verklaard dat de werkzaamheid van BMC Internationaal in strijd is met de openbare orde en dat BMC Holland wordt verboden. (rov. 3.35)

Het OM heeft niet van alle lokale chapters in Nederland of daarbuiten voorbeelden genoemd van ernstige strafbare feiten. Dat doet echter niet eraan af dat deze chapters behoren tot BMC Internationaal en zich hebben geconformeerd aan de regels van de Bandidos en de daarbij horende cultuur. (rov. 3.34)

Het verbod en de verklaring als hiervoor bedoeld, houden in dat de aanwezigheid van de Bandidos in Nederland, in welke verschijningsvorm ook, wordt beëindigd. (rov. 3.36)

2.7

Het hof is, evenals de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het OM wat betreft BMC Holland moet worden toegewezen.2 Deze beslissing wordt als zodanig in cassatie niet bestreden.

Wat betreft BMC Internationaal moet het verzoek van het OM volgens het hof worden afgewezen.

Over een en ander heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Ten aanzien van BMC Internationaal

Niet kan worden aangenomen dat BMC Internationaal een wereldwijde, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredende, motorclub is. Hiertoe is het volgende redengevend. (rov. 4.10)

Er zijn aanwijzingen dat tot 2007 wereldwijd tussen de Bandidos-motorclubs in Amerika, Europa, Australië en Azië nauw werd samengewerkt, maar ook is voldoende aannemelijk dat daarvan wegens een conflict tussen de Amerikaanse organisatie en de organisaties in de andere continenten sinds 2007 geen sprake meer is. Het OM heeft niet voldoende gemotiveerde feiten gesteld waaruit blijkt dat er in de Verenigde Staten een internationaal (in de zin van wereldwijd) bestuur, kantoor of organisatie is die op een of andere manier zeggenschap heeft over Bandidos-motorclubs elders in de wereld of daarvoor centraal georganiseerde activiteiten ontplooit. Niet voldoende onderbouwd is dat de president van Bandidos USA ook de wereldwijde president is. Evenmin is gebleken van wereldwijde, besluiten nemende vergaderingen waaraan alle Bandidos-motorclubs in de hele wereld onderworpen zijn. Wel is sprake van een gemeenschappelijke website, maar niet is duidelijk geworden wie deze website beheert en onderhoudt, waardoor niet aannemelijk is geworden dat achter de website een wereldwijde, zelfstandige eenheid schuilgaat. Ook met betrekking tot het beheer en de uitgifte van de clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens voor Bandidos-leden wereldwijd is niet gebleken dat daarvoor een wereldwijde organisatie verantwoordelijk is. Dat internationale activiteiten worden georganiseerd of aangestuurd door een wereldwijde overkoepelende organisatie is evenmin gebleken. (rov. 4.11)

Dat juist geen sprake is van een wereldwijde organisatie van Bandidos, maar dat de Bandidos-leden lokaal en per werelddeel zijn georganiseerd, blijkt ook uit de omstandigheid dat voor bepaalde continenten handboeken bestaan, terwijl er geen wereldwijd, internationaal handboek bestaat en ook niet is gebleken dat de regels uit de bestaande handboeken zijn opgelegd door een overkoepelende wereldwijde organisatie. Europa heeft een eigen president, bestuursleden en kantoor, en contributie wordt op Europees niveau geïnd. De chapters krijgen aanwijzingen vanuit BMC Europe en ook de uitgifte van clubtekens, logo’s en onderscheidingstekens wordt in Europa op Europees niveau gecoördineerd. Al deze omstandigheden vormen aanwijzingen dat BMC Europe een zelfstandige Europese organisatie is en dat de Bandidos-motorclubs lokaal en per werelddeel zijn georganiseerd. (rov. 4.12)

Het OM heeft nog aangevoerd dat BMC Internationaal als corporatie aan te merken is omdat leden van motorclubs over de hele wereld onder de naam Bandidos dezelfde kleding en kleuren dragen, dezelfde slogans gebruiken en zichzelf als wereldwijde motorclub omschrijven. Dit laat zich echter verklaren doordat alle Bandidos-motorclubs dezelfde oorsprong hebben en (daardoor) hetzelfde gedachtegoed aanhangen en gelijksoortige regels hanteren. In zoverre zijn Bandidos-motorclubs wereldwijd gelijksoortig, zijn hun leden wereldwijd herkenbaar en zijn die leden wereldwijd loyaal aan elkaar. Dit is onvoldoende voor de conclusie dat (leden van de) Bandidos-motorclubs wereldwijd als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreden. (rov. 4.13)

Het hof overweegt ten overvloede nog dat uit de wetsgeschiedenis niet volgt dat voor het aannemen van een corporatie in de zin van art. 10:122 BW voldoende is dat sprake is van tussen zelfstandige organisaties gemaakte afspraken of afgestemde feitelijke gedragingen. Volgens de wetsgeschiedenis moet de samengaande groep zich als een zelfstandig subject van rechten vertonen en door het recht als eenheid worden behandeld om als zodanige corporatie te kunnen worden aangemerkt. Contractuele of feitelijke samenwerking is niet voldoende, als daarbij het vereiste van zelfstandigheid ontbreekt. (rov. 4.14)

Slotsom is dan ook dat BMC Internationaal niet kan worden aangemerkt als een corporatie zoals bedoeld in art. 10:122 BW. (rov. 4.15)

Ten aanzien van BMC Holland

De vaststaande feiten zijn voldoende om ervan uit te gaan dat sprake is van een naar buiten optredend landelijk organisatorisch verband van lokale verenigingen (chapters) en individuele Bandidos-leden onder de naam BMC Holland. (rov. 4.18)

Uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd en gebagatelliseerd. Een en ander vormt een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. De gedragingen ontwrichten onze samenleving of kunnen die ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen. BMC Holland moet dan ook worden verboden en ontbonden, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde. (rov. 4.29)

In hoger beroep is bezwaar gemaakt tegen de overweging van de rechtbank dat het verbod van BMC Holland inhoudt dat de aanwezigheid van de Bandidos in Nederland, in welke verschijningsvorm ook, wordt beëindigd, en dat ontbinding van BMC Holland tot gevolg heeft dat haar vermogen, dat in ieder geval bestaat uit de vermogens van de lokale chapters van de Bandidos in Nederland, moet worden vereffend. Als dit bezwaar gegrond is, kan dat echter niet tot een andere beslissing op de verzoeken van het OM leiden, zodat het eigenlijk niet besproken hoeft te worden. Toch zal het hof er iets over zeggen. (rov. 4.31)

De lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden zijn lid van BMC Holland. Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten. (rov. 4.32)

Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid – voor zover die niet ook als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt – voort te zetten. De chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden. Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Dit leidt het hof af uit de omstandigheden dat zij een eigen bestuur, een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding hebben en uit de omstandigheid dat zij zich naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren. Het hof heeft alleen de werkzaamheid beoordeeld van de rechtspersoon waartegen het verzoek zich richt, BMC Holland, en niet de werkzaamheid van de chapters. Het zou zich met de eigen rechtspersoonlijkheid van de chapters niet verdragen als met het verbod en de ontbinding van BMC Holland ook hun aanwezigheid in Nederland wordt beëindigd. Daarvoor had het OM moeten verzoeken om de chapters verboden te verklaren en te ontbinden. (rov. 4.33)

Dat het voor het OM heel moeilijk wordt om de aanwezigheid van Bandidos in Nederland te beëindigen als het OM van elke chapter met eigen rechtspersoonlijkheid een verbod en ontbinding moet vragen, maakt het voorgaande niet anders. De mogelijkheden die art. 2:20 BW biedt hebben uitdrukkelijk betrekking op rechtspersonen. Daarbij, en bij de door de rechter bij de toepassing van art. 2:20 BW geboden terughoudendheid en het recht van een rechtspersoon om zich tegen een dergelijk verzoek te kunnen verweren, past dat in beginsel voor elke rechtspersoon afzonderlijk moet worden vastgesteld of sprake is van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde. (rov. 4.34)

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie zijn in de kern nog twee vragen aan de orde. De eerste vraag is of BMC Internationaal kan worden aangemerkt als een wereldwijde motorclub die als een zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt, en daarmee als een corporatie in de zin van art. 10:122 BW (onderdeel A). De tweede vraag is of het verbod van BMC Holland tot gevolg heeft dat ook de lokale Nederlandse chapters verboden zijn (onderdeel B).

Is BMC Internationaal een corporatie als bedoeld in art. 10:122 BW?

3.2.1

Onderdeel A van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.10-4.15) dat niet voldoende is komen vast te staan dat BMC Internationaal kan worden aangemerkt als een corporatie als bedoeld in art. 10:122 BW.

3.2.2

Onderdeel A1 klaagt (onder 2.2) dat voornoemd oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘corporatie’ zoals bedoeld in art. 10:122 BW en zoals gedefinieerd in art. 10:117, onder a, BW.

Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het begrip corporatie ruim moet worden geïnterpreteerd en heeft het ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat sprake moet zijn van een samengaande groep die zich als zelfstandig subject van rechten moet vertonen. Het hof heeft bovendien miskend dat hiërarchie en organisatiestructuur niet vereist zijn voor het zijn van een corporatie, althans dat in het kader van een verzoek op grond van art. 10:122 BW – mede gelet op doel en strekking van dat artikel – van het OM niet kan worden gevergd dat het inzicht geeft in die (exacte) hiërarchie en organisatiestructuur. Voldoende is dat sprake is van een lichaam of samenwerkingsverband dat als organisatie of eenheid naar buiten optreedt. Het hof heeft dus te strenge, en in ieder geval onjuiste eisen gesteld aan het zijn van een corporatie, althans aan hetgeen het OM daaromtrent aannemelijk moet maken, aldus het onderdeel.

3.2.3

Art. 10:122 lid 1 BW bepaalt dat het OM kan verzoeken voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Blijkens art. 10:117, aanhef en onder a, BW wordt hierbij onder ‘corporatie’ verstaan “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”.

3.2.4

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW volgt dat het begrip ‘corporatie’ een ruim te interpreteren verzamelbegrip is voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend. Niet is vereist dat sprake is van een rechtspersoon. Evenmin is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden. Voldoende is dat als zelfstandige eenheid naar buiten wordt opgetreden, waarbij het niet behoeft te gaan om economische of bedrijfsmatige zelfstandigheid.3

3.2.5

Art. 10:117, aanhef en onder a, BW is materieel gelijkluidend aan art. 1 van de – inmiddels vervallen – Wet conflictenrecht corporaties.4

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 1 Wet conflictenrecht corporaties volgt dat het enige criterium voor het zijn van een ‘corporatie’ is dat de corporatie als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt en dat het toepasselijke recht daar bepaalde gevolgen aan verbindt. Het beslissende criterium bestaat dus in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert. Het vereiste van zelfstandigheid vormt daarbij de grens tussen een samenwerkingsovereenkomst die leidt tot een corporatie met naar het incorporatierecht geregelde eigen rechten en plichten, en een samenwerkingsovereenkomst die dat gevolg niet kent.5

3.2.6

Als het OM een verzoek doet op de voet van art. 10:122 lid 1 BW, moet het stellen en, zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117, onder a, BW.

Welke eisen in dit verband kunnen worden gesteld aan de stelplicht van het OM en in hoeverre het OM zijn stellingen moet onderbouwen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat met toewijzing van een op de voet van art. 10:122 lid 1 BW gedaan verzoek vaststaat dat het doel of de werkzaamheid van de desbetreffende corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, waarna deelname in Nederland aan de werkzaamheden van de corporatie strafbaar is.6 In dit verband is van belang dat de in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting grondbeginselen zijn van de democratische rechtsstaat, en dat het voor recht verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW een ernstige inbreuk op deze grondrechten betekent, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen.7

Daarom moeten hoge eisen worden gesteld aan een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan. Uit die motivering en onderbouwing moet onder meer blijken dat sprake is van een corporatie zoals bedoeld in art. 10:122 BW. Het hof heeft het voorgaande in rov. 4.7 terecht tot uitgangspunt genomen.

3.2.7

Het hof heeft in rov. 4.10 overwogen dat het erom gaat of BMC Internationaal een wereldwijde, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredende motorclub is; het heeft daarmee de juiste maatstaf vooropgesteld (zie hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5). In de door het onderdeel bestreden rov. 4.10-4.15 heeft het hof geoordeeld dat het OM onvoldoende omstandigheden heeft aangevoerd om te kunnen aannemen dat BMC Internationaal een wereldwijde, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredende motorclub is. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de volgende overwegingen (rov. 4.11 en 4.12): (i) dat voldoende aannemelijk is dat vanaf 2007 niet meer wereldwijd wordt samengewerkt tussen de Amerikaanse organisatie en de organisaties in de andere continenten, (ii) dat het OM niet voldoende gemotiveerde feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat er in de Verenigde Staten toch (nog) een internationaal (in de zin van wereldwijd) bestuur, kantoor (“hoofdkwartier”) of organisatie is die op een of andere manier zeggenschap heeft over Bandidos-motorclubs elders in de wereld of daarvoor centraal georganiseerde activiteiten ontplooit, (iii) dat niet voldoende onderbouwd is dat de president van Bandidos USA ook de wereldwijde president is, (iv) dat niet gebleken is van wereldwijde, besluiten nemende vergaderingen waaraan alle Bandidos-motorclubs in de hele wereld onderworpen zijn, (v) dat het OM niet duidelijk heeft gemaakt wie de gemeenschappelijke website beheert en onderhoudt waarop kan worden doorgeklikt naar landelijk of lokaal opererende Bandidos-motorclubs, en dus ook niet aannemelijk is geworden dat achter die website een (in de Verenigde Staten gevestigde) wereldwijde, zelfstandige eenheid schuilgaat, (vi) dat niet is gebleken dat een wereldwijde organisatie verantwoordelijk is voor het beheer en de uitgifte van de clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens voor Bandidos-leden wereldwijd, (vii) dat niet is gebleken dat een wereldwijde overkoepelende organisatie activiteiten organiseert of aanstuurt en dat uit de gegevens van het OM eerder blijkt dat de organisatie daarvan in handen is van de lokale of continentale organisaties, (viii) dat de handboeken voor Bandidos-leden per werelddeel zijn georganiseerd en dat niet is gebleken dat er ook een wereldwijd, internationaal handboek is of dat de regels in de bestaande handboeken zijn opgelegd vanuit een overkoepelende, wereldwijde organisatie, en, tot slot, (ix) dat BMC Europe een eigen president heeft, een eigen Europees kantoor, dat Europese contributie wordt geïnd van lokale chapters, dat chapters aanwijzingen krijgen vanuit BMC Europe en dat op Europees niveau afspraken worden gemaakt over de te publiceren informatie op de website.

Het hof heeft hieraan in rov. 4.13 nog toegevoegd dat de omstandigheid dat leden van motorclubs over de hele wereld onder de naam Bandidos dezelfde kleding en kleuren (met logo’s en onderscheidingstekens) dragen, dezelfde slogans gebruiken, zichzelf als een wereldwijde motorclub omschrijven en daarmee als eenheid naar buiten optreden, niet voldoende is om BMC Internationaal als corporatie aan te merken, omdat die gemeenschappelijke kenmerken zich laten verklaren doordat alle Bandidos-motorclubs dezelfde oorsprong hebben en daardoor hetzelfde gedachtegoed aanhangen en dezelfde regels hanteren.

3.2.8

Het hof heeft – anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt – niet als vereiste gesteld dat een bepaalde mate van hiërarchie of organisatiestructuur moet bestaan, maar heeft aan de hand van omstandigheden die (mede) te maken hebben met hiërarchie en organisatiestructuur – en waarop het OM een beroep heeft gedaan – beoordeeld of voldaan is aan het vereiste van art. 10:122 BW dat het moet gaan om een corporatie (en dus om een als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband). Aldus heeft het hof niet te hoge of onjuiste eisen gesteld aan het zijn van een corporatie.

3.2.9

In het licht van het voorgaande falen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven klachten, voor zover zij gericht zijn tegen de rov. 4.10-4.13 en 4.15.

Voor zover zij zich richten tegen rov. 4.14 kunnen zij alleen al bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden omdat rov. 4.14 een overweging ten overvloede is. Bovendien heeft het hof, waar het – in navolging van de toelichting op de inmiddels vervallen Wet conflictenrecht corporaties8 – in rov. 4.14 overweegt dat om te kunnen aannemen dat een buitenlandse corporatie bestaat, de samengaande groep zich als een ‘zelfstandig subject van rechten’ moet vertonen, gelet op de context van die overweging kennelijk (en terecht) slechts bedoeld dat contractuele of feitelijke samenwerking tussen (rechts)personen niet voldoende is maar dat sprake moet zijn van een door het recht erkende zelfstandige eenheid.

3.2.10

De overige klachten van onderdeel A kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

Betekent het verbod van BMC Holland dat ook de lokale Nederlandse chapters verboden zijn?

3.3

Onderdeel B is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.31-4.34) dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland niet tot gevolg hebben dat de aanwezigheid van de lokale Nederlandse chapters wordt beëindigd, nu het OM daartoe had moeten verzoeken de lokale chapters verboden te verklaren en te ontbinden.

Bij de beoordeling van het onderdeel – waarbij het OM belang heeft omdat de bestreden overwegingen de reikwijdte van het verbod bepalen – wordt het volgende vooropgesteld.

3.4.1

De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid,9 ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband.10 Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is.11 Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld.12

3.4.2

Zowel een formele als een informele vereniging kan afdelingen hebben waarbinnen leden van de vereniging bijvoorbeeld geografisch of functioneel zijn ingedeeld. Voor het antwoord op de vraag of een vereniging afdelingen heeft, komt onder meer betekenis toe aan de statuten of reglementen van die vereniging. Het is mogelijk dat een afdeling van een vereniging ook zelf rechtspersoonlijkheid heeft.13 Zo kan een afdeling op haar beurt een formele of informele vereniging zijn.

3.4.3

Als een vereniging op de voet van art. 2:20 lid 1 BW wordt verboden, strekt dat verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. Hiervoor is het volgende redengevend.

Art. 2:20 lid 1 BW moet worden uitgelegd in het licht van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Met de toewijzing van een op de voet van art. 2:20 lid 1 BW gedaan verzoek wordt immers een ernstige inbreuk gemaakt op deze vrijheden, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen.14 Dit betekent dat art. 2:20 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd (vergelijk hetgeen hiervoor in 3.2.6 met betrekking tot art. 10:122 lid 1 BW is overwogen).

Art. 2:20 lid 1 BW, dat uitdrukkelijk bepaalt dat ‘een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’ op verzoek van het OM verboden wordt verklaard en wordt ontbonden, dient daarom aldus te worden uitgelegd dat toewijzing van dat verzoek tot gevolg heeft dat uitsluitend de rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek is gedaan, verboden wordt verklaard en wordt ontbonden. Toewijzing van een dergelijk verzoek heeft dus niet tot gevolg dat daarmee tevens een andere rechtspersoon wordt verboden.15 Dat zou zich ook niet verdragen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht van die andere rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede rechtsgevolg kan hebben voor zijn eigen voortbestaan.

3.4.4

Het voorgaande laat onverlet dat het een andere rechtspersoon – waaronder begrepen de afdeling die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt – niet vrijstaat om de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon voort te zetten.

3.4.5

Blijkens het voorgaande kan het verbod van BMC Holland alleen de lokale Nederlandse chapters treffen als die chapters zelf geen rechtspersoon zijn. Nu de lokale Nederlandse chapters naar het oordeel van het hof zijn aan te merken als rechtspersonen, heeft het hof in het midden kunnen laten of de lokale Nederlandse chapters ook afdelingen zijn van BMC Holland.

3.5.1

Onderdeel B1 klaagt dat het hof (in rov. 4.33) heeft miskend dat de verbodenverklaring en ontbinding van een vereniging zich mede uitstrekken over de afdelingen van die vereniging, ook indien die afdelingen informele verenigingen zijn en dus rechtspersoonlijkheid bezitten.

3.5.2

Hiervoor in 3.4.3 is overwogen dat een verbod van een vereniging op de voet van art. 2:20 BW zich niet uitstrekt tot de afdelingen van die vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. Daaruit volgt dat onderdeel B1 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het faalt daarom.

3.6.1

Onderdeel B2 klaagt dat het hof (in rov. 4.33) heeft miskend dat (i) een afdeling van een vereniging in beginsel zelf geen vereniging is en dus in beginsel geen rechtspersoonlijkheid bezit, (ii) een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de statuten of reglementen van de hoofdvereniging of de afdeling daarin expliciet of impliciet voorzien, en (iii) een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer, althans heeft het hof miskend dat daarvoor is vereist dat de afdeling in overwegende mate onafhankelijk van de vereniging functioneert. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd, aldus het onderdeel.

3.6.2

Hiervoor in 3.4.2 is overwogen dat een afdeling van een vereniging op haar beurt een vereniging kan zijn en rechtspersoonlijkheid kan hebben. Wanneer die afdeling geen formele vereniging is, hangt het af van de omstandigheden van het geval of die afdeling een informele vereniging is en aldus rechtspersoonlijkheid heeft. Anders dan onderdeel B2 onder (ii) tot uitgangspunt neemt, is niet doorslaggevend of de statuten of reglementen van de hoofdvereniging of de afdeling expliciet of impliciet voorzien in rechtspersoonlijkheid van die afdeling. Op het voorgaande stuiten de onder (i) en (ii) geformuleerde klachten van onderdeel B2 af.

De klacht die is geformuleerd onder (iii) mist feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft miskend dat een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging kan zijn en dus rechtspersoonlijkheid kan bezitten, indien de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer. Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen volgt dat het in overwegende mate onafhankelijk functioneren van de afdeling ten opzichte van de vereniging niet geldt als een vereiste voor rechtspersoonlijkheid, zodat ook de daarop gerichte klacht van onderdeel B2 faalt.

Het hof heeft geoordeeld dat de lokale Nederlandse chapters zijn aan te merken als informele verenigingen. Het heeft daartoe – na te hebben overwogen dat zowel de lokale chapters als hun leden (tevens) lid zijn van BMC Holland – redengevend geacht dat de lokale chapters zelf een bestendige organisatie met leden vormen, beschikken over een eigen bestuur, een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en zich naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren. Dit oordeel van het hof is feitelijk, en voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Daarom faalt ook de hierop gerichte motiveringsklacht van onderdeel B2.

3.7

De onderdelen B3 en B4 zijn voorgesteld voor het geval de beschikking van het hof zo gelezen moet worden dat het hof ervan uitgaat dat de lokale Nederlandse chapters geen afdelingen zijn van BMC Holland. Zoals hiervoor in 3.4.5 is overwogen, kon het hof in het midden laten of de chapters afdelingen van BMC Holland waren. De onderdelen B3 en B4 kunnen daarom wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

Voor zover onderdeel B4 een klacht richt tegen het oordeel van het hof dat de chapters zelfstandige informele verenigingen zijn, stuit deze af op hetgeen hiervoor in 3.6.2, laatste alinea, is overwogen.

Overige klachten

3.8

De klachten van onderdeel D zijn ingesteld onder de voorwaarde dat tegen de conclusie van het hof dat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd is met de openbare orde, incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld en dat dit cassatieberoep doel treft. Deze voorwaarde is niet vervuld, zodat aan de behandeling van onderdeel D niet wordt toegekomen.

3.9

De klachten van het middel die hiervoor nog niet zijn behandeld, kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt het OM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BMC Europe en BMC Sittard begroot op € 879,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 24 april 2020.

1 Rechtbank Midden-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6241.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865.

3 Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 67.

4 Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 67.

5 Kamerstukken II 1994/95, 24141, nr. 3, p. 14.

6 Kamerstukken II 2004/05, 28764, nr. 6, p. 10.

7 Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 (Vereniging Martijn), rov. 3.5-3.6.

8 Kamerstukken II 1994/95, 24141, nr. 3, p. 15.

9 Zie art. 2:30 lid 1 BW.

10 Parl. Gesch. Inv. Boek 2 BW, p. 1160-1161 (MvA II).

11 Vgl. ABRvS 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6406, rov. 2.3.

12 Parl. Gesch. Inv. Boek 2 BW, p. 1160-1161 (MvA II).

13 Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 26.

14 HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948 (Vereniging Martijn), rov. 3.5-3.6; HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Harlingen), rov. 3.3-3.4.

15 Vgl. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Harlingen), rov. 3.6.