Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
19/00594
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416.1 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding op de grond dat ex art. 366.4 Sv vertaling mededeling verstekuitspraak van Pr aan niet-Nederlandstalige verdachte had moeten worden verstrekt? Art. 366.1 Sv bepaalt dat OvJ - behoudens uitzonderingen die zijn vermeld in art. 366.2 Sv - mededeling van vonnis dat beslissing van Rb o.g.v. art. 349, 351 of 352.2 Sv bevat en dat buiten aanwezigheid van verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan verdachte betekent. Die mededeling bevat tevens in art. 366.3 Sv genoemde gegevens. Art. 366.4 Sv bepaalt dat aan verdachte die Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, schriftelijke vertaling van mededeling in voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Mede gelet op wetsgeschiedenis bij art. 366.4 Sv beoogt deze regeling te waarborgen dat ook verdachte die Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, in kennis wordt gesteld van onderdelen van vonnis die van belang zijn met het oog op mogelijkheid van instellen van h.b. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor h.b. door verdachte verontschuldigbaar doen zijn. Van zo’n geval kan sprake zijn indien verdachte in strijd met art. 366.4 Sv niet schriftelijke vertaling van mededeling a.b.i. art. 366.1 en 366.3 Sv in voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1534). Hof heeft vastgesteld dat verdachte Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat mededeling van uitspraak niet is vertaald. Gelet daarop is ’s hofs oordeel dat overschrijding van beroepstermijn niet verontschuldigbaar is, niet z.m. begrijpelijk. Daaraan doen niet af ‘s hofs vaststellingen dat mededeling van uitspraak hetzelfde parketnummer vermeldde als inleidende dagvaarding, verdachte geen andere Nederlandse strafzaken had lopen en inleidende dagvaarding met daarbij gevoegde bijsluiter met toelichting op procedure wel was vertaald. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0168
NJB 2020/1159
RvdW 2020/597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00594

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 februari 2019, nummer 20/002657-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

2.2.1

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“Aangezien verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, vindt het onderzoek plaats met bijstand van mevrouw T. Coric, zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (met nummer 1875) ingeschreven tolk in de Bosnische taal. Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

(...)

De raadsman deelt desgevraagd mede:

Ik wil de tijdigheid van het instellen van het hoger beroep graag meenemen in de reden van het appel. Cliënt was in eerste aanleg gedagvaard voor de zitting van 7 april 2017. Daarop is schriftelijk verzocht om aanhouding van de behandeling, omdat cliënt verhinderd was. De oproeping voor de nieuwe zitting is vervolgens door het openbaar ministerie ingetrokken en er is kennelijk een nieuwe oproeping uitgegaan voor de zitting van 27 maart 2018. Die oproeping heeft cliënt echter nooit ontvangen.

Hoewel door de officier van justitie op 27 maart 2018 een geldboete is geëist, is cliënt door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf. Hij wist daar niets

van af. Vervolgens is de politie met cliënt in contact gekomen en is aan cliënt iets in een voor hem vreemde taal overhandigd. Cliënt kon zijn advocaat niet bereiken en is uiteindelijk bij mij terecht gekomen. Ik heb toen geprobeerd om na te gaan wat er precies speelde en ik trof uiteindelijk het beroepen vonnis aan. Ik heb toen namens cliënt vanaf dit moment van kennisneming van het vonnis binnen de termijn van 14 dagen hoger beroep ingesteld en contact opgenomen met het openbaar ministerie met de vraag om de signalering in te trekken. Dat bleek niet te kunnen, omdat de zaak al onherroepelijk zou zijn. Ik heb uitgelegd dat cliënt nooit in zijn eigen taal uitgelegd heeft gekregen binnen welke termijn hij hoger beroep kon instellen, zodat hij daar volgens mij niet op vastgepind kan worden. Het openbaar ministerie gaf mij daarin gelijk en heeft de signalering ingetrokken. Op grond van diezelfde omstandigheid stel ik dat het hoger beroep wel tijdig is ingediend, immers gewoon binnen twee weken nadat cliënt daarvan op de hoogte is geraakt.

De oudste raadsheer deelt mede:

Klopt het dat de dagvaarding voor de terechtzitting van 7 april 2017 in persoon aan verdachte is uitgereikt, met daarbij een vertaling van de dagvaarding en de bijbehorende bijlage?

De raadsman deelt mede:

Ja, dat klopt.

De oudste raadsheer deelt mede:

Ik neem aan dat de vertaalde tekst overeenkomt met hetgeen in de bijlage bij de Nederlandse dagvaarding staat vermeld. Daarin staat ook uitgelegd binnen welke termijn hoger beroep ingesteld kan worden. Op die aan verdachte in persoon uitgereikte, dagvaarding stond ook het parketnummer van de zaak vermeld.

De voorzitter deelt mede:

De inleidende dagvaarding voor de zitting van 7 april 2017 is aan verdachte in persoon uitgereikt, met daarbij een vertaling van zowel de dagvaarding als de bijsluiter. Daaruit volgt dat de informatie omtrent de termijn voor het instellen van hoger beroep ook voor verdachte is vertaald.

Uiteindelijk heeft de politierechter op 27 maart 2018 vonnis gewezen, in afwezigheid van verdachte. Op 8 juli 2018 is de mededeling van de uitspraak aan verdachte in persoon uitgereikt. Dat gebeurde in een voor verdachte onbegrijpelijk taal, stelt de raadsman. De vraag die dan voorligt is of vanaf dat moment de appeltermijn van 14 dagen al dan niet is gaan lopen. In het eerste geval zou het hoger beroep tardief zijn ingesteld, als dat niet zo zou zijn, dan is het appel wellicht wel tijdig ingesteld.

De raadsman deelt mede:

Dat is inderdaad mijn punt.

De oudste raadsheer deelt mede:

Ik constateer dat op de akte van uitreiking d.d. 8 juli 2018 hetzelfde parketnummer staat vermeld als op de in persoon aan verdachte uitgereikte inleidende dagvaarding.

De advocaat-generaal deelt mede:

Ik had mij ook op dit punt voorbereid. De mededeling van de uitspraak in de Nederlandse taal is op 8 juli 2018 aan verdachte in persoon betekend in Duitsland. Het is duidelijk waarop die veroordeling ziet, aangezien het desbetreffende parketnummer erbij vermeld staat. Ook verdachte moet dat parketnummer herkend hebben. Nu verdachte niet binnen 14 dagen na 8 juli 2018 hoger beroep heeft ingesteld, heeft die veroordeling op 24 juli 2018 de status ‘onherroepelijk’ gekregen.

Hoewel de mededeling van de uitspraak inderdaad niet lijkt te zijn vertaald, is de inleidende dagvaarding voor de zitting van 7 april 2017 op 12 december 2016 in persoon aan verdachte betekend, inclusief een vertaling en met vermelding van het parketnummer van de zaak. Het is derhalve duidelijk waar het om gaat.

De zaak is op 7 april 2017 aangehouden op verzoek van verdachte. Hij was op de hoogte van de aanvang van de zaak. De mededeling van de uitspraak is weliswaar aan verdachte uitgereikt in een taal die hij niet spreekt, maar gelet op de in persoon uitgereikte inleidende dagvaarding, met vertaling daarvan, en gelet op de omstandigheid dat op de mededeling uitspraak hetzelfde parketnummer staat vermeld, meen ik dat verdachte op de hoogte was van het vonnis op 8 juli 2018 en van de mogelijkheden om daartegen in hoger beroep te gaan. De termijn is dus vanaf dat moment gaan lopen.

Ik vorder derhalve dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De raadsman deelt mede:

De verdediging stelt zich op een ander standpunt. De inleidende dagvaarding is weliswaar vertaald in een voor cliënt begrijpelijke taal, maar dat was al in december 2016. Normaal stapt iemand daarmee dan naar zijn advocaat, maar we weten niet of cliënt die stukken nog wel in zijn bezit had in 2018. Dat is immers een behoorlijke tijd later. Cliënt is ook gewoon naar Nederland gekomen om zaken te doen, terwijl het vonnis al was gewezen. Dan wijst alles erop dat hij daarvan niet op de hoogte was. Het is bovendien heel cru als het openbaar ministerie oplegging van een geldboete eist en de politierechter vervolgens een gevangenisstraf oplegt, terwijl dat ook niet eens uit de oriëntatiepunten volgt. De verdediging verzoekt het hof derhalve om cliënt wel ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

De voorzitter deelt mede:

In het dossier bevindt zich ook een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 juli 2018. Op dat moment stond daar slechts één strafzaak op vermeld (en ook thans nog) en dat is de onderhavige zaak. Het is dus niet zo dat verdachte op het moment dat de mededeling van het vonnis hem werd uitgereikt, meer strafzaken had lopen.

De raadsman deelt mede:

Datzelfde geldt voor het buitenland.”

2.2.2

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Uit het dossier blijkt dat het vonnis, waarvan beroep, op 8 juli 2018 aan verdachte in persoon is betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is echter eerst na het verstrijken van die termijn ingesteld, immers op 13 augustus 2018.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat die overschrijding van de termijn verschoonbaar is, nu bij de uitreiking van het vonnis op 8 juli 2018 geen vertaling was gevoegd, zodat verdachte de inhoud daarvan niet heeft begrepen en derhalve ook niet op de hoogte was dat hij binnen 14 dagen na de betekening hoger beroep diende in te stellen.

Het hof overweegt daartoe dat uit het dossier volgt dat de inleidende dagvaarding voor de zitting van 7 april 2017 aan verdachte op 12 december 2016 in persoon is uitgereikt, met daarbij een vertaling van zowel de dagvaarding (inclusief de tenlastelegging) als de toelichting op de procedure (de bijsluiter bij de dagvaarding), waarin ook de mogelijkheden voor het instellen van hoger beroep en de daarvoor geldende termijn worden uitgelegd. Gelet daarop, moet verdachte op de hoogte zijn geweest van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Voorts stond op de op 8 juli 2018 in persoon uitgereikte mededeling van de uitspraak hetzelfde parketnummer vermeld als op de inleidende dagvaarding. Nu verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2018, alleen de onderhavige zaak in Nederland had lopen, moet het naar het oordeel van het hof voor verdachte duidelijk zijn geweest dat de op 8 juli 2018 uitreikte mededeling van de uitspraak zag op de onderhavige zaak en dat hij vanaf dat moment 14 dagen de tijd had om daartegen hoger beroep in te stellen. Dat de mededeling van de uitspraak niet is vertaald, doet daaraan niet af, gelet op de reeds op 12 december 2016 uitgereikte vertaling van de procedure.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de termijn. Verdachte is derhalve niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”

2.3.1

Artikel 366 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:

"1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.

2. Deze mededeling wordt niet gedaan

a. aan de verdachte aan wie de dagvaarding of aan wie de oproeping voor de nadere terechtzitting na schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd, in persoon is betekend,

b. aan de verdachte die op de terechtzitting of op de nadere terechtzitting aanwezig is geweest,

c. indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting dan wel die van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.

4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt."

2.3.2

Artikel 366 lid 4 Sv is ingevoerd bij de Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 85, tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, houdt onder meer het volgende in:

“Vertolking en vertaling dragen eraan bij dat een verdachte die de taal waarin de procedure wordt gevoerd niet of onvoldoende beheerst, effectief kan deelnemen aan zijn strafproces, dat wil zeggen dat hij kan begrijpen van welk feit hij wordt verdacht en dat hij in staat wordt gesteld zich daartegen te verdedigen.

(...)

3.3.

Het recht op vertaling van essentiële processtukken

Artikel 3 van de richtlijn bevat bepalingen over het recht op vertaling van essentiële processtukken. In het eerste lid van artikel 3 van de richtlijn wordt het algemene uitgangspunt omschreven dat de verdachte recht heeft op vertaling van die processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht op verdediging kan uitoefenen en om het eerlijk verloop van de procedure te garanderen. Dit uitgangpunt wordt in de overige leden van artikel 3 uitgewerkt. (...)

Uit artikel 3, zevende lid, volgt dat als hoofdregel geldt dat de stukken waarvan vertaling is vereist, schriftelijk worden vertaald. Als uitzondering daarop kan worden volstaan met een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting, op voorwaarde dat dit het eerlijk verloop van de procedure onverlet laat.

(...)

Vertaling van het schriftelijke vonnis

Het derde document dat ingevolge artikel 3, tweede lid, van de richtlijn moet worden vertaald voor de verdachte betreft het vonnis. (...) de richtlijn [sluit], wat betreft de verstrekking van schriftelijke vertalingen aan bij het nationale recht ten aanzien van het verstrekken van afschriften. Van schriftelijke vertaling van het vonnis zal in de Nederlandse situatie dus alleen sprake zijn indien en voor zover schriftelijk vonnis wordt gewezen en de verdachte daarvan een afschrift wordt verstrekt. Voor de gevallen waarin mondeling vonnis wordt gewezen – dit betreft vooral zaken bij de politierechter of kantonrechter – geldt dat wanneer de verdachte tijdens de behandeling van de zaak is bijgestaan door een tolk, de tolk tevens de uitspraak zal vertolken.

Wanneer schriftelijk vonnis wordt gewezen (meervoudige strafkamer), heeft de verdachte ingevolge de richtlijn recht op een schriftelijke vertaling van de relevante onderdelen van het vonnis. In de huidige Nederlandse systematiek (artikel 365, derde lid, Sv) wordt de verdachte slechts een afschrift van het vonnis verstrekt wanneer hij daarom heeft verzocht. Alleen wanneer de verdachte niet bij de uitspraak aanwezig was en niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaatsvinden, wordt de verdachte door het openbaar ministerie in kennis gesteld van een beknopte weergave van het vonnis (de vonnismededeling, artikel 366 Sv). De beknopte weergave van het vonnis stelt de veroordeelde in staat te beslissen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel. Voorgesteld wordt ter implementatie van de richtlijn de genoemde artikelen 365 en 366 Sv aan te passen.

(...)

Onderdelen U (artikel 365) en V (artikel 366)

(...) Artikel 366 Sv regelt dat de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was en kort gezegd niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaatsvinden, door het openbaar ministerie in kennis wordt gesteld van een beknopte weergave van het vonnis door middel van een vonnismededeling die aan hem wordt betekend. De vonnismededeling bevat die onderdelen uit het vonnis die de verdachte in voldoende mate op de hoogte stellen van wat voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep van belang is (HR 7 december 2004, LJN AR3278). Omdat de ratio van de vonnismededeling is de verdachte in kennis te stellen van het tegen hem gewezen vonnis met het oog op de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, blijft een vonnismededeling achterwege indien de verdachte van de gehele tenlastelegging in eerste aanleg is vrijgesproken. Daartegen staat voor de verdachte immers geen rechtsmiddel open. Naast enkele feitelijke gegevens zoals de naam van de rechter, de dagtekening van het vonnis en de personalia van de verdachte, indien deze in het vonnis zijn vermeld, dient de vonnismededeling de volgende gegevens te bevatten:

– de beslissing op de formele vragen, indien daartoe aanleiding bestaat (nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie);

– de beslissing met betrekking tot het tenlastegelegde feit (veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging);

– de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit met het tijdstip waarop en de plaats waar het is gepleegd;

– indien een straf of maatregel is opgelegd, de opgelegde straf of maatregel met de wettelijke bepalingen waarop deze is gestoeld.

Voorgesteld wordt in artikel 366 Sv te bepalen dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, hem een schriftelijke vertaling van de vonnismededeling in een voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Aldus wordt de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was en die niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaats vinden, in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de relevante onderdelen van het vonnis.”

(Kamerstukken II 2011/12, 33355, nr. 3, p. 1, 12, 14, 36-37)

2.4

Artikel 366 lid 1 Sv bepaalt dat de officier van justitie – behoudens de uitzonderingen die zijn vermeld in het tweede lid van artikel 366 Sv – de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352 lid 2 Sv bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekent. Die mededeling bevat tevens de in artikel 366 lid 3 Sv genoemde gegevens. Het vierde lid van artikel 366 Sv bepaalt dat aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis beoogt deze regeling te waarborgen dat ook de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, in kennis wordt gesteld van de onderdelen van het vonnis die van belang zijn met het oog op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep.

2.5

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706). Van zo’n geval kan sprake zijn indien de verdachte in strijd met artikel 366 lid 4 Sv niet een schriftelijke vertaling van de mededeling als bedoeld in artikel 366 lid 1 en lid 3 Sv in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen (vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534).

2.6

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat de mededeling van de uitspraak niet is vertaald. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is, niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan doen niet af de vaststellingen van het hof dat de mededeling van de uitspraak hetzelfde parketnummer vermeldde als de inleidende dagvaarding, de verdachte geen andere Nederlandse strafzaken had lopen en de inleidende dagvaarding met de daarbij gevoegde bijsluiter met toelichting op de procedure wel was vertaald.

2.7

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.