Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:766

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/05577
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:411
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBROT:2018:3703
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Letsel door schuld in het verkeer t.g.v. aanrijding van motor van motoragent door vrachtwagencombinatie van aanvrager, art. 6 WVW 1994. Aangevoerd wordt dat uit verklaring van niet eerder gehoorde getuige blijkt dat motoragent voorafgaand aan ongeval anders heeft gehandeld dan blijkens bewijsvoering is vastgesteld in uitspraak Rb. HR: Op in CAG vermelde gronden kan in aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. CAG: V.zv. als novum opgevoerde verklaring inhoudt dat motoragent, van achteren komend, door aanvrager bestuurde vrachtwagen (rechts) heeft ingehaald waarna motoragent vlak voor vrachtwagen naar links is “geschoten”, is daarvoor in verklaringen van zowel slachtoffer als van aanvrager zelf geen steun te vinden. Ook andere getuigen, van wie verklaringen in dossier zijn opgenomen, vermelden die omstandigheid niet. Doorslaggevend is dat waarneming van getuige in aanvraag, dat motor aan (linker)zijkant werd geraakt door vrachtwagen, afstuit op objectieve gegevens m.b.t. botspositie uit VOA-rapport. V.zv. in aanvraag wordt aangevoerd dat door nieuwe getuige gestelde gang van zaken beter zou passen bij tachograafgegevens van vrachtwagen, afgezet tegen snelheidsgegevens van motor, geldt dat genoemde gegevens niet nieuw zijn te noemen, nu deze zich in dossier bevinden en blijkens p-v van zitting van Rb ook ruim aandacht hebben gehad. Aangevoerde gegevens leiden niet tot ernstig vermoeden dat Rb, ware zij daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken van tlgd. Afwijzing aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0161
RvdW 2020/624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05577 H

Datum 21 april 2020

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2018, nummer 10/710280-15, ingediend door P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray,

namens

[aanvrager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de aanvrager.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van
2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 236 uren, subsidiair
118 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

2 De aanvraag tot herziening

2.1

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van de niet eerder gehoorde getuige, [betrokkene 1], blijkt dat de motoragent [slachtoffer] voorafgaand aan het ongeval – bestaande uit een aanrijding van de motor van de motoragent door de vrachtwagencombinatie van de aanvrager – anders heeft gehandeld dan blijkens de bewijsvoering is vastgesteld in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Uit de verklaring van deze nieuwe getuige zou blijken dat – anders dan door de rechtbank is vastgesteld – de motoragent zich direct voorafgaand aan het ongeval niet steeds aan de voorzijde van de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft bevonden. Ter staving van deze stelling is onder meer een e-mailbericht van 21 mei 2018 van [betrokkene 1] bijgevoegd, waarin zij verklaart te hebben gezien dat de motoragent direct voorafgaand aan het ongeval vanaf een naastgelegen rijstrook een snelle manoeuvre van rechts naar links voorlangs de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft gemaakt en dat de motor vervolgens door de aanvrager “aan de zijkant achter” werd geraakt.

3 De conclusie van de advocaat-generaal

3.1

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

3.2

De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, op grond van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2

Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 9 tot en met 16 vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge artikel 470 Sv worden afgewezen.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.