Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:762

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/02800
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1464
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen smaadschrift door samen met zijn partner artikel op website van krant te plaatsen waarin vader en grootvaders van kinderen van partner worden beschuldigd van seksueel misbruik van die kinderen, art. 261.1 Sr. 1. Kan beroep op (partiële) niet-ontvankelijkheid OM op de grond dat één van de grootvaders zijn klacht niet binnen wettelijke termijn van 3 maanden heeft ingediend, voor het eerst in cassatie worden gedaan? 2. Verzuim te beslissen over door verdachte gemaakte kosten i.v.m. vordering b.p. Art. 361, 592a (oud) en (vanaf 1-1-2020) 532 Sv.

Ad 1. P-v’s van tz. in h.b. houden niet in dat verdachte en raadsman verweer hebben gevoerd dat één van de grootvaders zijn klacht niet binnen wettelijke termijn van 3 maanden heeft ingediend, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zo’n verweer niet is gevoerd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat klacht onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is, kan hierover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd.

Ad 2. O.g.v. art. 592a (oud) Sv (vanaf 1-1-2020: art. 532 Sv) dient rechter, indien zich b.p. in het geding heeft gevoegd, in zijn uitspraak tevens te beslissen over kosten door b.p. en verdachte gemaakt en ten behoeve van tenuitvoerlegging nog te maken. O.g.v. art. 361.6 Sv dient deze beslissing in de uitspraak te worden opgenomen. Aangezien zodanige beslissing in ‘s hofs uitspraak niet voorkomt, is middel gegrond. In ’s hofs oordeel ligt besloten dat het geen gronden aanwezig heeft geacht om b.p. dan wel verdachte te veroordelen in kosten van andere partij en dat het heeft verzuimd te bepalen dat b.p. en verdachte ieder eigen kosten dragen. HR herstelt dit verzuim en bepaalt dat b.p. en verdachte ieder eigen kosten dragen.

Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:3493. Samenhang met 18/02798.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0149
RvdW 2020/610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02800

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 mei 2018, nummer 21/000238-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht.

De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof heeft verzuimd te bepalen dat de benadeelde partij [betrokkene 1] en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen, tot voorziening in dit verzuim en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geoordeeld in de vervolging ter zake van - kort gezegd - medeplegen van smaadschrift jegens de aangever [betrokkene 1], nu de aangever zijn klacht niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden heeft ingediend.

2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2017 en dat van 17 mei 2018 houdt telkens in dat de verdachte aldaar is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman. De processen-verbaal houden niet in dat het verweer is gevoerd dat de aangever [betrokkene 1] zijn klacht niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden heeft ingediend, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zo een verweer niet is gevoerd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de klacht in het cassatiemiddel een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is, kan hierover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd.

2.3

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen over de door de verdachte gemaakte kosten in verband met de vordering van de benadeelde partij.

4.2

De, ook in hoger beroep toepasselijke, bepalingen voor zover die hier van belang zijn luidden ten tijde van het arrest van het hof van 31 mei 2018:

- artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt.

(...)

6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt.”

- artikel 592a (oud) Sv:

“Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.”

Met ingang van 1 januari 2020 is artikel 592a (oud) Sv vervangen door artikel 532 Sv (Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82). Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 592a (oud) Sv.

4.3.1

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2017 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“8. De vordering benadeelde partij [betrokkene 1]

(...)

Kosten

8.10

Nu ik de afwijzing van de vordering subs. niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij bepleit, verzoek ik u tevens de benadeelde partij te veroordelen in de kosten van mijn cliënt, waaronder in elk geval mijn honorarium. (art. 361 lid 6 en 592a Sv). Tot dusverre zijn er 3 uren besteed aan de voorbereiding van het verweer tegen de vordering benadeelde partij. Het aantal uren dient te worden vermenigvuldigd met het uurtarief van € 150,-, vermeerderd met 21% BTW en 6% kantoorkosten. In totaal kom ik dan voor de kosten rechtsbijstand in verband met de vordering benadeelde partij tot aan deze zitting uit op een totaalbedrag van € 577,17. Daar komt nog bij de zittingstijd die met de behandeling van de vordering is gemoeid, waarbij het honorarium op dezelfde wijze wordt berekend. Er is geen reden van de werkelijke kosten af te wijken en ik vraag u dan ook de benadeelde partij te veroordelen tot betaling van dit bedrag.

Conclusie:

afwijzing, subs. niet-ontvankelijkverklaring vordering, met kostenveroordeling.”

4.3.2

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2018 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“1.12 (Ad 8.10 kosten veroordeling benadeelde partij) De wet biedt wel degelijk de mogelijkheid de benadeelde partij te veroordelen in de kosten rechtsbijstand van de verdachte: zie art. 592a Sv. Aangezien de zitting is aangehouden en ik ook - ter zitting en ter voorbereiding - tijd heb moeten besteden aan de vordering van de benadeelde partij verzoek ik om vergoeding van 1 uur extra t.o.v. de pleitnota onder 8.10. De vorige zitting heeft in totaal bijna 4 uur geduurd en het komt mij alleszins redelijk voor daarvan 1 uur toe te rekenen aan de behandeling van de vordering benadeelde partij. Ik kom dan uit op 5 uren in totaal.

1.13

Mocht u cliënten veroordelen in de kosten rechtsbijstand van de benadeelde partij, dan verzoek ik u uit te gaan van het zogeheten liquidatietarief, d.w.z. dat per verrichting een forfaitair bedrag wordt vergoed.”

4.3.3

Het arrest van het hof houdt het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt thans € 23.014,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, mede gelet op de civiele procedures waarin reeds een bedrag aan proceskosten en voorschot schadevergoeding zijn toegewezen. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(...)
BESLISSING

Het hof:

(...)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

4.4

Op grond van artikel 592a (oud) Sv (vanaf 1 januari 2020: artikel 532 Sv) dient de rechter, indien zich een benadeelde partij in het geding heeft gevoegd, in zijn uitspraak tevens te beslissen over de kosten door de benadeelde partij en de verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Op grond van artikel 361 lid 6 Sv dient deze beslissing in de uitspraak te worden opgenomen. Aangezien zodanige beslissing in de uitspraak van het hof niet voorkomt, is het cassatiemiddel gegrond.

4.5

In het oordeel van het hof ligt besloten dat het geen gronden aanwezig heeft geacht om de benadeelde partij dan wel de verdachte te veroordelen in de kosten van de andere partij en dat het heeft verzuimd te bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover het hof heeft verzuimd te beslissen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.