Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:73

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2020
Datum publicatie
17-01-2020
Zaaknummer
18/01948
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:798, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:476, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Bestuurdersaansprakelijkheid. Faillissementsrecht. Selectieve betaling in zicht van faillissement. Maatstaf voor aansprakelijkheid bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/236
INS-Updates.nl 2020-0034
RvdW 2020/154
NJ 2020/51
RN 2020/13
JIN 2020/28 met annotatie van Krieckaert, L.
AA20200274 met annotatie van Bartman S.M. Steef
JOR 2020/55 met annotatie van Salemink, T.
RO 2020/18
RAV 2020/23
JONDR 2020/144
TvOB 2020, afl. 2, p. 61 met annotatie van mr. dr. W.A. Westenbroek
RI 2020/33
OR-Updates.nl 2020-0043
Ondernemingsrecht 2020/107 met annotatie van J. van Bekkum
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/01948

Datum 17 januari 2020

ARREST

In de zaak van

MR. P. INGWERSEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

EISER tot cassatie,

hierna: de curator,

advocaat: R.D. Boesveld,

tegen

1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [verweerster 1] ,

2. [verweerder 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 2] ,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: [verweerders] ,

advocaat: J. van der Beek.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/15/236351/HA ZA 15-829 van de rechtbank Noord-Holland van 9 november 2016;

b. het arrest in de zaak 200.208.782/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2018.

De curator heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [verweerders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [A] B.V. (hierna: [A] ) handelde in diepgevroren vlees en gevogelte. [verweerster 1] was bestuurder van [A] . [verweerder 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 1] .

(ii) Op 4 december 2014 heeft [verweerster 1] een verzoek tot faillietverklaring van [A] ingediend.

(iii) Op 6 januari 2015 is [A] failliet verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.

(iv) [B] B.V. (hierna: [D] ) exploiteerde van 4 maart 2014 tot 9 januari 2015 een uitzendbureau onder de naam [D] B.V. In deze periode was [verweerster 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [D] .

(v) Bij factuur van 12 december 2014 (hierna: de factuur) heeft Limes International Tax + Expat B.V. (hierna: Limes) een bedrag van € 29.711,55 aan [A] in rekening gebracht. De factuur heeft betrekking op verleende diensten van 1 september 2014 tot en met 30 november 2014. Bij de factuur is een specificatie van de verleende diensten gevoegd. Op 22 december 2014 heeft [D] de factuur in opdracht van [A] voldaan.

(vi) [A] heeft de betaling aan Limes door [D] als creditbedrag ten gunste van [D] geboekt in rekening-courant.

(vii) Op 22 mei 2015 heeft de curator schriftelijk het volgende aan [D] meegedeeld:

“Afgezien van de vraag of de gefactureerde werkzaamheden wel ten behoeve van [A] zijn verricht en of sprake is van een selectieve betaling, is de curator van mening dat de verrekening tussen [D] B.V. en [A] in de rekening-courant verhouding paulianeus is. In dit kader is onder andere van belang [dat] er voor [D] B.V. geen verplichting bestond om de (nog niet opeisbare) vordering namens [A] te betalen. Ook geen verplichting bestond voor [A] om de door [D] B.V. verrichte betaling te boeken c.q. te verrekenen in de rekening-courant verhouding.

Met een beroep op art. 42 j° 43 Fw vernietigt de curator hierbij de betreffende verrekening in de rekening-courant verhouding. Tevens vernietigt de curator hierbij zo nodig de rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de genoemde verrekening. Dit betekent dat de rekening-courant schuld van [D] B.V. aan [A] als gevolg van de vernietiging niet met een bedrag van € 29.711,55 is afgenomen.

Gezien het voorgaande verzoek ik u, met kracht van sommatie, om binnen 10 dagen na heden het bedrag ad € 29.711,55 over te maken aan de faillissementsrekening van [A] (…).”

(viii) [D] heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie van de curator. Bij brief van 29 mei 2015 heeft zij als volgt gereageerd:

“(…) [D] B.V. begrijpt niet waarom u meent dat er sprake is van een verrekening die vernietigd kan worden. Zoals u bekend was het geld op de rekening van [D] B.V. van [A] B.V. Er is dan ook gewoon met het geld van [A] B.V. betaald, gelijk de andere betalingen. De betaling aan LIMES moet dan ook gezien worden als een reguliere betaling door [A] B.V. Mede gezien de betalingen die [A] B.V. in december 2014 nog heeft gedaan, is deze betaling ook niet selectief.”

2.2

De curator vordert in deze procedure van [verweerders] betaling van een bedrag van € 29.711,55. Hij heeft zich daarvoor in eerste aanleg beroepen op de faillissementspauliana en op onrechtmatig handelen van de bestuurders [verweerster 1] en, indirect, [verweerder 2] .

2.3

De rechtbank heeft de vordering van de curator afgewezen.

2.4

De curator heeft in hoger beroep zijn vordering uitsluitend gebaseerd op onrechtmatig handelen van [verweerders] , erin bestaand dat zij als (direct respectievelijk indirect) bestuurders van [A] hebben bewerkstelligd dat [A] (via [D] ) op 22 december 2014 de factuur van Limes heeft betaald, terwijl [verweerster 1] al eerder, op 4 december 2014, het faillissement van [A] had aangevraagd.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover in cassatie van belang heeft het daartoe het volgende overwogen:

“3.5. Wil een jegens (indirect) bestuurders van een vennootschap op grond van onrechtmatige daad ingestelde vordering kunnen slagen dan is vereist dat hen van het gewraakte handelen (of nalaten) namens de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit is in het geval van een betaling die heeft plaatsgevonden in het zicht van een (mogelijk) faillissement niet anders.

3.6.

[verweerders] wijzen er terecht op dat een debiteur in beginsel gehouden is om de door hem aangegane financiële verplichtingen na te komen. Mede in het licht daarvan kan niet worden aanvaard dat het enkele feit dat een zodanige nakoming/betaling door de vennootschap plaatsvindt terwijl de handelende (indirect) bestuurder weet dat het faillissement van de vennootschap is aangevraagd reeds meebrengt dat deze zich jegens de overige schuldeisers schuldig maakt aan een onrechtmatige daad. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist waarbij met name kan worden gedacht aan een samenspanning tussen de betrokken bestuurder en schuldeiser met als oogmerk deze laatste boven andere schuldeisers te bevoordelen, dan wel een betaling waarbij de bestuurder direct of indirect persoonlijk baat heeft.

3.7.

Van de aanwezigheid van dergelijke bijkomende omstandigheden is in het onderhavige geval onvoldoende gebleken. [verweerders] hebben gemotiveerd uiteengezet dat [A] (via [D] , die haar gelden beheerde) na 4 december 2015 [lees: 2014, HR] is voortgegaan met het voldoen van opeisbare vorderingen op haar, waarvan die aan Limes er een was en waartoe ook de salarissen van het personeel van [A] behoorden. Dat [verweerders] Limes bewust hebben willen bevoordelen boven andere crediteuren dan wel persoonlijk baat hadden bij het doen van juist deze betaling vindt in het feitenmateriaal onvoldoende steun. Het feit dat er een (fiscale) adviesrelatie bestond niet alleen tussen Limes en [A] doch tevens tussen Limes en [verweerster 1] is in dit verband onvoldoende. Voorts is van belang dat door de curator niet is weersproken dat [A] gebukt ging onder een aandeelhoudersgeschil en dat [verweerders] gemotiveerd hebben gesteld dat zij ten tijde van de betaling aan Limes nog trachtten met de (indirect) meerderheidsaandeelhouder van [A] , [betrokkene 1] (die gelieerd was aan de belangrijkste leverancier en financier van [A] , Heidemark), tot een regeling te komen waardoor het faillissement mogelijk had kunnen worden afgewend en dat de faillissementsaanvraag mede diende om druk op [betrokkene 1] uit te oefenen.

3.8

Dit brengt mee dat de aangevoerde feiten geen grondslag bieden voor toewijzing van een vordering jegens [verweerders] gebaseerd op een door dezen gepleegde onrechtmatige daad.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

De onderdelen 2.2 en 3.2 van het middel betogen, kort gezegd, dat een bestuurder van een vennootschap onrechtmatig handelt jegens onbetaald gebleven schuldeisers van die vennootschap als hij het faillissement van die vennootschap heeft aangevraagd en daarna een schuldeiser selectief betaalt, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Dit is in elk geval zo als de bestuurder op het moment van die selectieve betaling ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat andere schuldeisers onbetaald zouden blijven, althans wist of redelijkerwijs had behoren te weten dat andere schuldeisers onbetaald zouden blijven, aldus de onderdelen. De onderdelen klagen dat het hof het voorgaande in rov. 3.6 en 3.7 heeft miskend, althans dat zijn oordeel hierover onvoldoende is gemotiveerd.

3.2

Een bestuurder van een vennootschap is niet persoonlijk aansprakelijk jegens een vennootschapsschuldeiser die is benadeeld wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering, op de enkele grond dat die bestuurder het faillissement van de vennootschap heeft aangevraagd en daarna heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven die vennootschapsschuldeiser. De betrokken bestuurder kan ter zake van deze benadeling persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.1

Het hof heeft in rov. 3.5 terecht het voorgaande tot uitgangspunt genomen bij zijn oordeel over de aansprakelijkheid van [verweerders]

3.3

Het hof heeft in rov. 3.7 vastgesteld dat de feiten onvoldoende steun bieden om een persoonlijk belang van [verweerders] bij de betaling aan Limes aan te nemen. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, zodat het tegen dit oordeel gerichte onderdeel 3.3 faalt. Voorts laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat Limes niet aan [A] of [verweerders] is gelieerd.

3.4

Het hof heeft in rov. 3.7 tevens vastgesteld dat [A] gebukt ging onder een aandeelhoudersgeschil en dat [verweerders] ten tijde van de betaling aan Limes nog trachtten met de (indirecte) meerderheidsaandeelhouder van [A] , die gelieerd was aan de belangrijkste leverancier en financier van [A] , tot een regeling te komen waardoor het faillissement mogelijk had kunnen worden afgewend, en dat de faillissementsaanvraag mede diende om druk op de meerderheidsaandeelhouder uit te oefenen. Ook dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, zodat ook het tegen dit oordeel gerichte onderdeel 3.4 faalt.

3.5

In het licht van het hiervoor in 3.3 en 3.4 overwogene komen de onderdelen 2.2 en 3.2 tevergeefs op tegen het oordeel van het hof dat de aangevoerde feiten geen grondslag bieden voor toewijzing van de vordering jegens [verweerders] In dat oordeel ligt immers besloten dat [verweerders] persoonlijk geen ernstig verwijt treft. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.707,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 17 januari 2020.

1 HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen ).