Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:726

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
18/05327
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1267, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:2633, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Goederenrecht. Geschil over erfgrens. Comparitie na aanbrengen in hoger beroep. Onmiddellijkheidsbeginsel. Had het hof partijen moeten wijzen op hun recht op een mondelinge behandeling ten overstaan van de drie raadsheren die zouden gaan beslissen? Verkrijgende verjaring. Heeft gedaagde de stelling van eiser voldoende gemotiveerd betwist? Passeren aanbod tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/1060
RvdW 2020/545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/05327

Datum 17 april 2020

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: R.K. van der Brugge,

tegen

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

advocaat: N.C. van Steijn.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/09/508679/HA ZA 16-410 van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2016 en 12 oktober 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.206.401/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2017 en 16 oktober 2018.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 16 oktober 2018 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van het arrest en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) [eisers] en [verweerder] zijn achterburen van elkaar. [verweerder] is sinds 1999 eigenaar van zijn perceel. [eisers] zijn sinds 2015 eigenaar van hun perceel. Het perceel van [eisers] grenst aan de achterzijde ook aan het perceel van de buren van [verweerder].

(ii) Tussen de percelen van [eisers] enerzijds en [verweerder] en zijn buren anderzijds stond voorheen over de hele lengte een schutting. [verweerder] heeft in 2001 achter op zijn perceel een schuur gebouwd, en daartoe een deel van de schutting verwijderd. De achterste muur (bezien vanuit het perceel van [verweerder]) van de schuur loopt in het verlengde van de schutting tussen het perceel van [eisers] en de buren van [verweerder].

(iii) Volgens een relaas van bevindingen van het Kadaster staat de schuur van [verweerder] gedeeltelijk op het perceel van [eisers]

2.2

[eisers] vorderen, voor zover in cassatie van belang, (a) een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen de percelen overeenkomt met de kadastrale grens zoals vastgelegd in het (hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde) relaas van bevindingen van het Kadaster; (b) een verklaring voor recht dat de schuur van [verweerder] zich gedeeltelijk op het perceel van [eisers] bevindt; en (c) een veroordeling van [verweerder] om dat gedeelte van de schuur te verwijderen.

In reconventie vordert [verweerder] (a) een verklaring voor recht dat het in geding zijnde stukje grond door verjaring zijn eigendom is geworden en (b) veroordeling van [eisers] om mee te werken aan de aanpassing van de registratie van de eigendomssituatie door middel van een door de notaris op te stellen akte en de inschrijving daarvan in de registers.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [eisers] in conventie afgewezen en de vorderingen van [verweerder] in reconventie toegewezen.

2.4

Bij tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Het tussenarrest luidt, voor zover in cassatie van belang:

“Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling. De comparitie kan ook worden benut om de mogelijkheden van mediation te bezien. Indien geen regeling tot stand komt en de zaak niet naar mediation wordt verwezen, zal de zaak in beginsel naar de rol worden verwezen. De comparitie zal dan verder worden benut om procedureafspraken te maken, zoals afspraken over termijnen en eventuele bewijslevering.

(…)

Beslissing

Het hof:

- beveelt partijen in persoon, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris (…).”

2.5

De zitting heeft plaatsgevonden ten overstaan van de in het tussenarrest genoemde raadsheer-commissaris. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie, heeft de raadsheer-commissaris de zaak met partijen besproken en een schikking beproefd. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor memorie van grieven. Het proces-verbaal bevat drie pagina’s aan verklaringen van partijen en hun advocaten.

2.6

Bij eindarrest heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tot aan de lijn waarop voorheen de schutting stond en thans de achtermuur van de schuur staat. Het heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring zal [verweerder] moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij en zijn rechtsvoorgangers de betwiste strook grond gedurende twintig jaar in bezit hebben gehad. (rov. 13)

[verweerder] heeft zijn stelling dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, onderbouwd met schriftelijke verklaringen van vier omwonenden. (rov. 14)

Volgens [eisers] zijn de verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar, omdat het onwaarschijnlijk is dat zij zich na zo’n lange tijd nog kunnen herinneren waar de schutting precies heeft gestaan. Het hof volgt [eisers] daarin niet. Het verwijt van [eisers] aan [verweerder] komt erop neer dat laatstgenoemde de achtermuur van de schuur én de schutting van het buurperceel bijna 80 cm naar achteren zou hebben geplaatst ten opzichte van de oorspronkelijke erfafscheiding. Aangenomen moet worden dat dit de aandacht zou hebben getrokken van de omwonenden. (rov. 15)

Dat het niet aannemelijk is dat [verweerder] de erfafscheiding met bijna 80 cm naar achteren heeft geplaatst, blijkt ook uit de wijze waarop de voormalige eigenares van het perceel van [eisers] heeft gereageerd op de verwijdering van de schutting tussen haar perceel en dat van [verweerder]. Zij heeft alleen bezwaar gemaakt tegen de verwijdering van de schutting en niet tegen een verkleining van haar tuin. (rov. 16)

[eisers] hebben de stelling van [verweerder] dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, ook nog bestreden met fotomateriaal en aan de hand daarvan uitgevoerde reconstructies. (rov. 17)

Het hof kan uit de foto gemaakt tijdens de bouw van de schuur, niet afleiden dat de weggenomen schutting alleen kan hebben gestaan op de door [eisers] gestelde plaats. (rov. 18)

De door [eisers] overgelegde reconstructie door RBZ Recherche (hierna: RBZ) is deels onbegrijpelijk. Uit het rapport valt niet op te maken hoe RBZ de reconstructie heeft uitgevoerd. Op de foto uit 1988 is de schutting vrijwel niet zichtbaar. Het rapport legt onvoldoende gewicht in de schaal. (rov. 19)

Met de door [eisers] zelf met behulp van Google Maps uitgevoerde reconstructie wordt de stelling van [verweerder] dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, niet ontkracht. (rov. 20)

Nu de stellingen van [verweerder] door hem voldoende zijn onderbouwd en door [eisers] onvoldoende (gemotiveerd) zijn betwist, staat vast dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en heeft dan ook geen behoefte aan een deskundigenbericht en evenmin aan het horen van RBZ. (rov. 21)

De schutting is gedurende meer dan twintig jaar aanwezig geweest, waardoor de strook grond zowel feitelijk als visueel geheel werd afgescheiden van het perceel van [eisers] en deel is gaan uitmaken van het perceel van [verweerder]. Nadat de schutting was geplaatst, hadden de opvolgende eigenaren van het perceel van [eisers] geen toegang meer tot de strook grond achter de schutting. [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers hadden dus het exclusieve gebruik van de strook grond. Daarom dient ervan uitgegaan te worden dat er naar verkeersopvattingen sprake was van bezit. (rov. 24)

De stelling van [eisers] dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] de strook grond niet exclusief hebben kunnen gebruiken vanwege de aanwezigheid van een voor derden toegankelijke brandgang achter het perceel van [verweerder], is door [verweerder] gemotiveerd betwist en hebben [eisers] ook in hoger beroep niet onderbouwd. (rov. 25)

Door het exclusieve gebruik van de grond door [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers in combinatie met de aanwezigheid van een erfafscheiding, moet voor de toenmalige eigenares van het perceel van [eisers] kenbaar zijn geweest dat [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers de feitelijke macht over de strook grond uitoefenden met de pretentie eigenaar te zijn. De stelling van [eisers] dat die eigenares het gebruik van de strook grond door [verweerder] en diens rechtsvoorgangers slechts heeft gedoogd zonder de eigendom ervan prijs te geven, hebben [eisers] niet onderbouwd. (rov. 26)

Het staat dus vast dat [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers de strook grond gedurende meer dan twintig jaar in bezit hebben gehad. (rov. 27)

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [eisers] geen voldoende specifiek bewijsaanbod hebben gedaan dat, als het succes heeft, tot een ander oordeel zou kunnen leiden. (rov. 30)

3 Beoordeling van de middelen

3.1

Middel I klaagt dat het hof einduitspraak heeft gedaan zonder dat het partijen heeft gewezen op hun recht om een mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de raadsheren die in een meervoudige kamer over de zaak zouden gaan beslissen. Nu de comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, had deze comparitie dienen plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zouden nemen, aldus de klacht.

3.2.1

Indien een zaak meervoudig wordt beslist, dient een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters die de beslissing zullen nemen. Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Daarnaast kan van dit doel sprake zijn bij een mondelinge behandeling in een andere stand van het geding, maar dat hoeft niet het geval te zijn.1

Indien in een meervoudig te beslissen zaak wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris, en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, zal uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zodanig verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.2

3.2.2

De hiervoor in 3.2.1 vermelde regels zijn niet van toepassing indien de mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter-commissaris niet mede tot doel heeft dat partijen de gelegenheid krijgen om hun stellingen toe te lichten, maar bijvoorbeeld uitsluitend ertoe strekt om een schikking te beproeven of om inlichtingen in te winnen.3 Dat is evenwel anders indien een dergelijke mondelinge behandeling in werkelijkheid (ook) wordt benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten.4 In dat laatste geval zal aan partijen alsnog gelegenheid moeten worden gegeven om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. De rechter-commissaris kan partijen die gelegenheid al bij de behandeling geven. Partijen kunnen dan desgewenst tijdens de behandeling afstand doen van de mogelijkheid om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer te verzoeken.5

3.2.3

Voornoemde regels houden verband met de betekenis van de mondelinge behandeling, waarbij de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter. Het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, in beginsel behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, dient ertoe te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing.6

3.3.1

Het middel stelt de vraag aan de orde in hoeverre dit uitgangspunt en deze regels ook gelden voor de comparitie na aanbrengen in hoger beroep.

3.3.2

De comparitie na aanbrengen (of comparitie vóór grieven) in hoger beroep heeft een eigen doel en karakter. Deze comparitie strekt met name ertoe om, nog voordat een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten plaatsvindt, de mogelijkheid van een schikking te beproeven of afspraken over het procesverloop in hoger beroep te maken.7 De rechtsstrijd in hoger beroep is op dat moment nog niet omlijnd, en de comparitie is niet bedoeld om op de grondslag van hetgeen aldaar wordt besproken tot een inhoudelijke beslissing van de zaak te komen. Indien partijen op deze zitting een toelichting geven op hun standpunten, kan dat niet worden aangemerkt als een toelichting van hun stellingen in de zin bedoeld hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2. Partijen krijgen, indien zij geen schikking hebben bereikt of geen andersluidende procesafspraken hebben gemaakt, na de comparitie de gelegenheid om bij memorie van grieven respectievelijk memorie van antwoord hun standpunten in hoger beroep kenbaar te maken en toe te lichten. Ook wordt hun daarna nog de gelegenheid gegeven om een mondelinge behandeling te verzoeken,8 op welke mondelinge behandeling dan de regels van toepassing zijn zoals hiervoor in 3.2.1 weergegeven.

Dit alles brengt met zich dat de hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 bedoelde regels niet zien op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep,9 ook niet indien partijen die zitting mede hebben benut om hun stellingen toe te lichten.

3.3.3

In dit geval is sprake geweest van een comparitie na aanbrengen zoals hiervoor in 3.3.2 beschreven. Daarop zijn dus niet van toepassing de regels die door de klachten van middel I tot uitgangspunt zijn genomen. Die klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

3.4

Middel II klaagt dat het hof [eisers] ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Het middel betoogt daartoe dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd en dat een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose over het resultaat van de bewijslevering. De beslissing om [eisers] niet tot het leveren van tegenbewijs toe te laten is onbegrijpelijk, omdat de stellingen van [eisers] voldoende waren onderbouwd. Het tegenbewijsaanbod zou, indien het succes zou hebben, wel tot een ander oordeel kunnen leiden, aldus de klacht.

3.5.1

Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring, op de weg van [verweerder] ligt om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hij of zijn rechtsvoorgangers de betwiste strook grond gedurende twintig jaar in bezit hebben gehad. In dit verband heeft [verweerder] onder meer gesteld dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Deze stelling heeft [verweerder] onderbouwd met verklaringen van vier omwonenden.

[eisers] hebben betwist dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Volgens [eisers] heeft [verweerder] destijds de erfafscheiding verplaatst. Zij hebben de verklaringen van de omwonenden bestreden, en de betwisting onderbouwd met fotomateriaal en met reconstructies die door RBZ en door [eisers] zelf zijn gemaakt op basis van dat fotomateriaal. Tegenover deze reconstructies heeft [verweerder] een contra-expertise in het geding gebracht. [eisers] hebben de inhoud van deze contra-expertise bij akte gemotiveerd en onderbouwd met producties bestreden.

In het licht van dit partijdebat, is zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk het oordeel van het hof (in rov. 21) dat [eisers] de stelling van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Mede gelet op de omstandigheid dat [eisers] pas sinds 2015 eigenaar zijn van hun perceel, valt niet in te zien wat van [eisers] nog meer kon worden verlangd om hun betwisting voldoende te motiveren.

3.5.2

Het hof heeft (in rov. 30) [eisers] niet toegelaten tot bewijslevering.

Voor zover deze beslissing erop is gegrond dat [eisers] de stelling van [verweerder] dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, onvoldoende hebben betwist, is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk, gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.1 is overwogen.

Voor zover de beslissing van het hof erop is gebaseerd dat op grond van een waardering (in rov. 14-21) van het in de processtukken al voorhanden bewijsmateriaal, reeds vaststaat dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, heeft het hof miskend dat het [eisers] ingevolge art. 151 lid 2 Rv vrijstaat tegenbewijs te leveren, voordat een definitieve waardering van de bewijsmiddelen wordt gegeven.

Voor zover de beslissing van het hof erop is gebaseerd dat het bewijs waarop het aanbod van [eisers] ziet, niet tot een ander oordeel kan leiden, is zijn oordeel eveneens onbegrijpelijk. Dat het bewijsaanbod terzake dienend is, volgt reeds uit de omstandigheid dat het betrekking heeft op een feitelijke stelling die dragend is geweest voor het oordeel van het hof. Een bewijsaanbod mag voorts niet worden gepasseerd op grond van een prognose van het resultaat van (tegen)bewijslevering die nog niet heeft plaatsgevonden.10

Tot slot geldt dat aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd,11 zodat ook dat geen grond voor het passeren van het bewijsaanbod kan zijn.

3.5.3

De klachten tegen het oordeel van het hof dat [eisers] niet worden toegelaten tot tegenbewijslevering slagen dan ook, voor zover het betreft de stelling van [verweerder] dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan.

3.6

Voor het overige kunnen de klachten van middel II niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 508,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 17 april 2020.

1 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.1.

2 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.6.2-3.6.4 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, rov. 3.4.1.

3 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.2.

4 Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, rov. 4.1.4.

5 Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202, rov. 3.2.5.

6 Zie o.a. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, rov. 3.4.2 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, rov. 3.4.1.

7 Vgl. HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, rov. 3.9 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.3.2.

8 Art. 2.23 van het Landelijk procesreglement voor civiel dagvaardingszaken van de gerechtshoven (tiende versie, oktober 2019).

9 Vgl. HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, rov. 3.9 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, rov. 3.5.2.

10 Vgl. o.a. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, rov. 3.8 en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, rov. 4.1.6.

11 Vgl. o.a. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320, rov. 3.5.2 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860, rov. 3.4.3.