Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:72

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2020
Datum publicatie
17-01-2020
Zaaknummer
18/02224
18/02225
18/02226
18/02236
Formele relaties
Herstelde arrest: ECLI:NL:HR:2019:1864
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek tot herstel (art. 31 Rv) dan wel aanvulling (art. 32 Rv) van HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864 (zaken met nummers 18/02225, 18/02224, 18/02226 en 18/02236), omdat niet alle cassatiemiddelen zouden zijn behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0052
RvdW 2020/152
JAR 2020/53
PR-Updates.nl PR-2020-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummers 18/02224, 18/02225, 18/02226 en 18/02236

Datum 17 januari 2020

ARREST

In de zaken van

18/02224

FAIR PLAY CENTERS B.V.,
gevestigd te Kerkrade,

EISERES tot cassatie,

hierna: FPC,

advocaat: S.F. Sagel,

tegen

[werknemer 1],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: [werknemer 1],

advocaat: M.J. van Basten Batenburg,

18/02225

FAIR PLAY CENTERS B.V.,
gevestigd te Kerkrade,

EISERES tot cassatie,

hierna: FPC,

advocaat: S.F. Sagel,

tegen

[werknemer 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: [werknemer 2],

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

18/02226

JANSHEN-HAHNRATHS EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Kerkrade,

EISERES tot cassatie,

hierna: JHE,

advocaat: S.F. Sagel,

tegen

[werknemer 3],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [werknemer 3],

advocaat: H.J.W. Alt,

18/02236

FAIR PLAY CENTERS B.V.,
gevestigd te Kerkrade,

EISERES tot cassatie,

hierna: FPC,

advocaat: S.F. Sagel,

tegen

[werknemer 4],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [werknemer 4],

advocaat: J.H.M. van Swaaij.

1 Het arrest in dit geding

1.1

De Hoge Raad heeft op 29 november 2019 gelijkluidende uitspraken gedaan in geschillen tussen Fair Play c.s. en de werknemers.1 Het cassatieberoep van Fair Play c.s. is in die uitspraken verworpen.

1.2

Op 4 december 2019 hebben Fair Play c.s. bij brief van hun advocaat de Hoge Raad verzocht de genoemde uitspraken te herstellen (art. 31 Rv) dan wel aan te vullen (art. 32 Rv) omdat daarin de onderdelen 2 en 3 van de (gelijkluidende) cassatiemiddelen door de Hoge Raad niet inhoudelijk zijn behandeld, althans niet op een wijze die kenbaar is. Fair Play c.s. hebben aan dit verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat het voor de praktijk belangrijk is te weten welke betekenis de instemming van de ondernemingsraad heeft voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zwaarwichtig belang in de zin van art. 7:613 BW.

1.3

De werknemers hebben schriftelijk aan de Hoge Raad laten weten dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is. In de zaak met nummer 18/02224 heeft de werknemer onder verwijzing naar art. 237 lid 1 Rv in verbinding met art. 6:2 lid 1 BW verzocht een separate proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat het gaat om een evident ongegrond verzoek.

1.4

De Procureur-Generaal is in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen. Hij heeft daarvan afgezien.

1.5.1

Het verzoek wordt op grond van het volgende afgewezen.

1.5.2

In rov. 3.1.1 van de genoemde uitspraken heeft de Hoge Raad overwogen:

“De onderdelen 2 en 3 voegen [aan onderdeel 1] toe dat het hof had moeten meewegen dat de GOR met de wijziging heeft ingestemd en dat het overgrote deel van de werknemers niet tegen de wijziging is opgekomen.”

1.5.3

Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen:

“3.1.3 De hiervoor in 3.1.2 aangehaalde tekst en strekking van art. 7:613 BW brengen mee dat wanneer de werkgever zich beroept op een eenzijdig wijzigingsbeding, de rechter – met inachtneming van alle omstandigheden van het geval – moet beoordelen of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. (…)

3.1.4

De klachten wijzen op zichzelf terecht erop dat het hof in de rov. 3.10-3.15 slechts is ingegaan op de vraag of de door FPC aangevoerde redenen voor de wijziging van de onderhavige arbeidsvoorwaarde een zwaarwichtig belang opleveren en daarbij de aanwezigheid van dat belang niet, overeenkomstig het hiervoor in 3.1.3 overwogene, heeft bezien ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde. Het oordeel van het hof moet echter mede worden gelezen tegen de achtergrond van het vaststaande feit dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarde in dit geval voor de werknemers een substantiële inkomensachteruitgang betekent omdat de werknemers voortaan een belangrijk deel van de pensioenpremie zelf moeten betalen. Het hof wijst ook met zoveel woorden op dit feit in rov. 3.16, waar het spreekt van een ‘loonoffer’ dat FPC van de werknemers vraagt. Daarmee ligt in het oordeel van het hof besloten dat het belang van FPC als werkgever bij de wijziging van de onderhavige arbeidsvoorwaarde, afgezet tegen het belang van de werknemers bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, niet zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemers, van wie een ‘loonoffer’ wordt verlangd, op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Het hof heeft daarbij grote betekenis toegekend aan zijn – in cassatie niet bestreden – oordeel dat voor het loonoffer geen bedrijfseconomische noodzaak bestaat. Het hof heeft de hiervoor in 3.1.3 vermelde maatstaf dus niet miskend.”

1.5.4

In de aangehaalde overwegingen ligt de verwerping besloten van de genoemde klacht van de onderdelen 2 en 3 van de cassatiemiddelen, te weten dat het hof had moeten meewegen dat de GOR met de wijziging heeft ingestemd en dat het overgrote deel van de werknemers niet tegen de wijziging is opgekomen. Uit deze overwegingen volgt voorts dat de in de onderdelen genoemde omstandigheden het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maken, gegeven de grote betekenis die het hof heeft toegekend aan zijn – in cassatie niet bestreden – oordeel dat voor het loonoffer geen bedrijfseconomische noodzaak bestond.

1.6

De Hoge Raad ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken.

2 Beslissing

De Hoge Raad wijst het verzoek tot herstel of aanvulling van de onder 1.1 genoemde uitspraken af.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 17 januari 2020.

1 HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864 (nummer 18/02225; de zaken met nummers 18/02224, 18/02226 en 18/02236 zijn niet op rechtspraak.nl gepubliceerd).