Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:713

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/05016
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1339
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang van de wet. Euthanasie op demente patiënt, tuchtzaak. Beslissing Centraal Tuchtcollege voor Gezondheidszorg over arts die euthanasie heeft toegepast op patiënt die leed aan voortgeschreden dementie. CTG heeft geoordeeld dat arts niet heeft voldaan aan zorgvuldigheidseisen van art. 2.1.a en 2.1.f Wtl en heeft arts waarschuwing opgelegd. 1. Door CTG gehanteerd beoordelingskader. Is tuchtrechter gebonden aan oordeel Regionale Toetsingscommissies Euthanasie? 2. Uitleg van wilsverklaring. Voldoen schriftelijke verklaringen van patiënt aan eisen van art. 2.1.a Wtl?

Ad 1. CTG heeft geoordeeld dat het bij beantwoording van “vraag of arts heeft gehandeld overeenkomstig zorgvuldigheidseisen zoals vastgelegd in art. 2 Wtl” oordeel van RTE tot uitgangspunt moet nemen. V.zv. CTG daarmee heeft geoordeeld dat hij in concreet aan hem voorgelegd geval als tuchtrechter voor gezondheidszorg niet bevoegdheid of vrijheid heeft tot eigen, onafhankelijk oordeel te komen over door hem te beantwoorden vraag of arts in desbetreffend geval heeft gehandeld in strijd met in art. 47.1 Wet BIG bedoelde maatstaf, geeft dit oordeel blijk van onjuiste, want te beperkte rechtsopvatting. Ook in gevallen waarin tuchtrechtelijke procedure vervolg is op oordeel van RTE dat arts niet heeft gehandeld overeenkomstig zorgvuldigheidseisen van art. 2.1 Wtl, heeft tuchtrechter taak om (binnen kaders van tuchtrechtelijke procedure en daaruit voortvloeiende procedurele waarborgen) tot zelfstandig oordeel te komen omtrent vraag of beroepsmatig handelen van arts is gebleven binnen grenzen van redelijk bekwame beroepsuitoefening en dus of dit handelen niet in strijd is met in art. 47.1 Wet BIG bedoelde maatstaf. Het voorgaande staat er overigens niet aan in de weg dat tuchtrechter bij zijn beoordeling van beroepsmatig handelen van arts betekenis kan toekennen aan eerder, overeenkomstig art. 8 en 9 Wtl tot stand gekomen oordeel van RTE over het al dan niet handelen overeenkomstig zorgvuldigheidseisen van art. 2.1 Wtl. Dat CTG daarnaast heeft overwogen dat zijn oordeel over inhoud van m.b.t. zorgvuldigheidseisen van art. 2.1 Wtl te hanteren norm of standaard doorgaans samenvalt met “door RTE’s gehanteerde toetsingskaders”, leidt niet tot ander oordeel. Deze algemene toetsingskaders (waarbij het i.h.b. gaat om EuthanasieCode 2018) geven immers geen antwoord op door tuchtrechter in tuchtrechtelijke procedure te beantwoorden vraag of arts in desbetreffend geval heeft gehandeld in strijd met in art. 47.1 Wet BIG bedoelde maatstaf.

Ad 2. Uit overwegingen HR in ECLI:NL:HR:2020:712 over vaststelling van inhoud van schriftelijk verzoek om levensbeëindiging a.b.i. 2.2 Wtl blijkt dat opvatting van RTG en CTG dat er, in lijn met oordeel van RTE, “in beginsel geen ruimte [is] voor interpretatie” van schriftelijk verzoek, niet juist is. Enkele omstandigheid dat arts verzoek(en) moet interpreteren om tot zinvolle uitleg daarvan te komen, staat aan rechtsgeldigheid van verzoek(en) niet in de weg. Uit het voorgaande volgt verder dat klacht ook slaagt v.zv. beslissing van CTG steunt op oordeel van RTG dat verzoeken niet rechtsgeldig zijn omdat zij “tegenstrijdigheden bevatten t.a.v. moment waarop patiënte levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien”. In dat verband is van belang dat CTG er met RTG van uit is gegaan dat patiënt het moment waarop zij “in verpleegtehuis voor demente bejaarden moet worden opgenomen” heeft aangewezen als moment waarop zij levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien alsmede dat die opname plaatsvond op 3-3-2016. Duidelijkheid van die aanwijzing wordt niet aangetast door daarnaast door CTG en RTG in aanmerking genomen omstandigheid dat patiënt in periode waarin zij nog wel in staat was tot uiten van hierop betrekking hebbende wil (welke periode volgens vaststellingen waarvan CTG is uitgegaan eindigde “in de loop van 2015”, dus geruime tijd voor moment van opname) geen verzoek tot levensbeëindiging heeft gedaan. Dat patiënt geen eerder verzoek heeft gedaan dat betrekking had op periode vóórdat zij moest worden opgenomen, maakt immers aanwijzing van moment van opname als moment met ingang waarvan patiënt in haar schriftelijke verklaring om levensbeëindiging verzoekt, niet dubbelzinnig of onduidelijk.

Volgt vernietiging in belang van de wet. Samenhang met 19/04910 CW (strafzaak).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0146
NJB 2020/1152
GZR-Updates.nl 2020-0145
TT 2020/24 met annotatie van Leon-van den Berg, N.A. de
RvdW 2020/600
GJ 2020/71 met annotatie van Hubben, J.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05016 CW

Datum 21 april 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 19 maart 2019, nummer C2018.352, in de zaak

van

[de arts] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

hierna: de arts

tegen

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD.

1 Het onderwerp van deze zaak

Het gaat in deze zaak om een beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) over een arts die euthanasie heeft toegepast op een patiënt die leed aan voortgeschreden dementie. Het CTG heeft geoordeeld dat de arts niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 lid 1, aanhef en onder a en f, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, en heeft de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Naar aanleiding van dit oordeel heeft de procureur-generaal cassatieberoep in het belang van de wet ingesteld.

2 Het cassatieberoep en de uitspraak van het CTG

2.1

De procureur-generaal J. Silvis heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld tegen de uitspraak van het CTG. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van die uitspraak.

2.2

Het CTG is tot het oordeel gekomen dat de arts niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 lid 1, aanhef en onder a en f, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, en heeft aan de arts de maatregel van waarschuwing opgelegd.

3 Wettelijk kader

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

Artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):

“1. Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.”

Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl):

- Artikel 2 lid 1 en 2:

“1. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts:

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,

b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,

c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,

d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,

e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en

f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

2. Indien de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.”

- Artikel 3:

“1. Er zijn regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, onderscheidelijk 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Een commissie bestaat uit een oneven aantal leden, waaronder in elk geval één rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, één arts en één deskundige inzake ethische of zingevingsvraagstukken. Van een commissie maken mede deel uit plaatsvervangende leden van elk van de in de eerste volzin genoemde categorieën.”

- Artikel 8:

“1. De commissie beoordeelt op basis van het verslag bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, of de arts die levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend, heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2.

2. De commissie kan de arts verzoeken zijn verslag schriftelijk of mondeling aan te vullen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is.

3. De commissie kan bij de gemeentelijke lijkschouwer, de consulent of de betrokken hulpverleners inlichtingen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts noodzakelijk is.”

- Artikel 9 lid 1 en 2:

“1. De commissie brengt haar gemotiveerde oordeel binnen zes weken na ontvangst van het verslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, schriftelijk ter kennis van de arts.

2. De commissie brengt haar oordeel ter kennis van het College van procureurs-generaal en de inspecteur van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd:

a. indien de arts naar het oordeel van de commissie niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2; of

b. indien de situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 12, laatste volzin van de Wet op de lijkbezorging.

De commissie stelt de arts hiervan in kennis.”

- Artikel 19 lid 2:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen Onze Ministers met betrekking tot de commissies nadere regels stellen betreffende

a. hun omvang en samenstelling;

b. hun werkwijze en verslaglegging.”

Artikel 5 van het Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, Stb. 2002, 141 (hierna: Vaststellingsbesluit):

“1. De voorzitters stellen richtlijnen vast voor de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen en de daarbij te volgen procedure.

2. Deze richtlijnen bevatten in ieder geval regels omtrent:

a. de wijze waarop de gemelde gevallen aan de zorgvuldigheidseisen worden getoetst;

b. de gevallen waarin de behandelende arts in ieder geval wordt gehoord;

c. de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, van de wet worden vastgelegd.”

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG):

- Artikel 47:

“1. Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die die beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van:

1°. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is ingeroepen;

2°. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand behoeft;

3°. de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

2. De in het eerste lid bedoelde hoedanigheden zijn die van:

arts,

(...)

3. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale tuchtcolleges en in beroep door een centraal tuchtcollege.”

- Artikel 55 lid 1 tot en met 4:

“1. Een regionaal tuchtcollege telt twee rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in artikel 47, tweede lid, of krachtens artikel 36a, eerste lid, aangegeven categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, drie leden‑beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende leden-beroepsgenoten.

2. Aan de behandeling van een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door het andere rechtsgeleerde lid en door de drie leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan de voorzitter bepalen dat aan de behandeling van een zaak die hem daartoe geschikt voorkomt, wordt deelgenomen door de voorzitter en door twee leden‑beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging. Indien de zaak naar het oordeel van een van deze leden ongeschikt is voor behandeling overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin, wordt de behandeling voortgezet met toepassing van de eerste volzin.

3. De voorzitter en zijn plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor de tijd van zes jaar benoemd en zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt hun bij koninklijk besluit tussentijds ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is te hunnen aanzien van overeenkomstige toepassing.

4. De overige leden en plaatsvervangende leden worden bij besluit van Onze Minister voor de tijd van zes jaar benoemd en zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt hun door Onze Minister tussentijds ontslag verleend. Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Artikel 5, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is ten aanzien van de in de eerste volzin bedoelde personen, voor zover zij rechtsgeleerden zijn, van overeenkomstige toepassing. De leden-beroepsgenoten en de plaatsvervangende leden‑beroepsgenoten worden benoemd uit personen die ingeschreven staan in het desbetreffende register.”

- Artikel 56 lid 1 tot en met 3:

“1. Het centrale tuchtcollege telt drie rechtsgeleerde leden van wie één tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in artikel 47, tweede lid, of krachtens artikel 36a, eerste lid, aangegeven categorieën van aan tuchtrechtspraak onderworpen personen, twee leden‑beroepsgenoten. Van het college maken mede deel uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën, plaatsvervangende leden-beroepsgenoten.

2. Aan de behandeling van een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door de twee andere rechtsgeleerde leden en door de twee leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe de beklaagde behoort, een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging.

3. Ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de voorzitter en zijn plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers en van de overige leden en plaatsvervangende leden is artikel 55, derde onderscheidenlijk vierde lid, van overeenkomstige toepassing.”

- Artikel 65 lid 1, aanhef en onder d:

“Een zaak wordt in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door:

(...).

d. de inspecteur.”

- Artikel 73 lid 1:

“Tegen een eindbeslissing van het regionale tuchtcollege kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van die beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep worden ingesteld door:

a. de klager, voor zover zijn klacht is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. de beklaagde;

c. de inspecteur.”

- Artikel 75:

“Tegen een beslissing van het centrale tuchtcollege staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.”

Artikel 7 lid 1 en 2 van de Wet op de lijkbezorging:

“1. Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.

2. Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht, geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van dit overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.”

4 Beoordelingskader levensbeëindiging op verzoek

4.1.1 Uit de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen volgt dat een levensbeëindiging door een arts op verzoek van de patiënt als bedoeld in artikel 293 lid 2 Sr, primair wordt beoordeeld door gespecialiseerde Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (hierna: RTE’s). Op grond van artikel 7 lid 2 van de Wet op de lijkbezorging meldt de arts die levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast dit bij de gemeentelijke lijkschouwer. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 Wtl. De gemeentelijke lijkschouwer stuurt de melding met bijbehorende stukken ter beoordeling naar de RTE van de regio waarin de euthanasie is uitgevoerd. Op grond van artikel 8 lid 1 Wtl dient de RTE op basis van het verslag van de lijkschouwer te beoordelen of de arts die levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast, heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 Wtl.

4.1.2 Indien een RTE tot het oordeel komt dat de arts niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, brengt zij op grond van artikel 9 lid 2 Wtl haar oordeel ter kennis van het College van procureurs-generaal en de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de Inspecteur). Het College van procureurs-generaal beoordeelt vervolgens of strafrechtelijke vervolging wenselijk is. De Inspecteur beoordeelt of een tuchtrechtelijke procedure tegen de arts wenselijk is.

4.1.3 Acht de Inspecteur een tuchtrechtelijke procedure tegen de arts wenselijk, dan wordt de zaak in eerste aanleg bij het bevoegde Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: RTG) aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door de Inspecteur. Tegen de eindbeslissing van het RTG staat op grond van artikel 73 lid 1 Wet BIG hoger beroep open bij het CTG. Op grond van artikel 75 Wet BIG staat tegen een beslissing van het CTG geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

4.1.4 De tuchtrechter in eerste aanleg en hoger beroep dient zich naar aanleiding van het klaagschrift van de Inspecteur, op basis van wat over en weer is aangevoerd en de overgelegde stukken, een oordeel te vormen omtrent, kort gezegd, de vraag of het handelen of nalaten van de arts in strijd is met de zorg die de arts behoort te betrachten of met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, als bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG.

4.2.1 Naast de beoordeling van individuele zaken zijn de voorzitters van de hiervoor onder 4.1.1 en 4.1.2 genoemde RTE’s verantwoordelijk voor de totstandkoming van algemene richtlijnen met betrekking tot de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 Wtl en de daarbij te volgen procedure. Artikel 19 lid 2 Wtl opent namelijk de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen betreffende de omvang en samenstelling alsmede de werkwijze en verslaglegging van de RTE’s. Van deze mogelijkheid is gebruikgemaakt bij het Vaststellingsbesluit. Artikel 5 lid 1 van het Vaststellingsbesluit schrijft voor dat de voorzitters van de RTE’s richtlijnen vaststellen voor de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen en de daarbij te volgen procedure. Op grond van artikel 5 lid 2 Vaststellingsbesluit bevatten deze richtlijnen in ieder geval regels omtrent (a) de wijze waarop de gemelde gevallen aan de zorgvuldigheidseisen worden getoetst; (b) de gevallen waarin de behandelende arts in ieder geval wordt gehoord; en (c) de wijze waarop de inlichtingen bedoeld in artikel 8 lid 2 en 3 Wtl worden vastgesteld.

4.2.2 Aan het bepaalde in artikel 5 Vaststellingsbesluit is door de voorzitters van de RTE’s gevolg gegeven met het opstellen van de EuthanasieCode 2015, die inmiddels is vervangen door de EuthanasieCode 2018. De EuthanasieCode 2018 geeft een overzicht op hoofdlijnen van de aspecten en overwegingen die de RTE’s relevant achten met betrekking tot de wettelijke zorgvuldigheidseisen betreffende euthanasie.

5 Het door het CTG gehanteerde beoordelingskader

5.1

Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het CTG blijk geeft van een te beperkt en dus onjuist toetsingskader.

5.2

Over het in deze zaak te hanteren beoordelingskader heeft het CTG het volgende overwogen:

“4.7 Het Centraal Tuchtcollege stelt het volgende voorop. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het professionele handelen gaat het om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij haar beroepsmatig handelen vanuit tuchtrechtelijk standpunt bezien is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. De onderhavige zaak onderscheidt zich in zoverre van veel andere zaken die aan de tuchtrechter worden voorgelegd, dat een door de beroepsgroep geaccordeerde norm of standaard niet in het bijzonder is vastgesteld en vastgelegd. Bij de huidige stand van zaken valt, waar het de bepaling van de inhoud van deze norm of standaard betreft, deze norm/standaard samen met de door de RTE’s gehanteerde toetsingskaders. Daarbij komt, dat de wetgever het primaat voor de beoordeling van de vraag of een arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen zoals vastgelegd in artikel 2 Wtl bij de RTE’s heeft gelegd.
Deze wettelijke toedeling van taken brengt mee dat het Centraal Tuchtcollege, in het bijzonder wanneer het de vraag naar een rechtsgeldig verzoek tot euthanasie krijgt voorgelegd, het oordeel van de RTE als uitgangspunt neemt. Daarbij zij opgemerkt dat het uiteraard in het algemeen denkbaar is dat de tuchtrechter en de RTE tot uiteenlopende oordelen kunnen komen, in het bijzonder waar het gaat om de beantwoording van die even-vermelde vraag, doch in de regel mag worden aangenomen dat de tuchtrechtelijke normering in beginsel samenvalt met, zo niet opgaat in, wat de RTE in het bestek van die vraag heeft overwogen en geoordeeld.”

5.3

Het CTG heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het bij de beantwoording van “de vraag of een arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen zoals vastgelegd in artikel 2 Wtl” het oordeel van de RTE tot uitgangspunt moet nemen.
Voor zover het CTG daarmee heeft geoordeeld dat hij in een concreet aan hem voorgelegd geval als tuchtrechter voor de gezondheidszorg niet de bevoegdheid of vrijheid heeft tot een eigen, onafhankelijk oordeel te komen over de door hem te beantwoorden vraag of de arts in het desbetreffende geval heeft gehandeld in strijd met de in artikel 47 lid 1 Wet BIG bedoelde maatstaf, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste, want te beperkte rechtsopvatting. Ook in de gevallen waarin de tuchtrechtelijke procedure een vervolg is op het oordeel van een RTE dat de arts niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 lid 1 Wtl, heeft de tuchtrechter de taak om - binnen de kaders van de tuchtrechtelijke procedure en de daaruit voortvloeiende procedurele waarborgen - tot een zelfstandig oordeel te komen omtrent de vraag of, kort gezegd, het beroepsmatig handelen van de arts is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, en dus of dit handelen niet in strijd is met de in artikel 47 lid 1 Wet BIG bedoelde maatstaf. Het voorgaande staat er overigens niet aan in de weg dat de tuchtrechter bij zijn beoordeling van het beroepsmatig handelen van de arts betekenis kan toekennen aan het eerdere, overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de Wtl tot stand gekomen oordeel van de RTE over het al dan niet handelen overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 lid 1 Wtl.
Dat het CTG daarnaast heeft overwogen dat zijn oordeel over de inhoud van de met betrekking tot de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 lid 1 Wtl te hanteren norm of standaard doorgaans samenvalt met “de door de RTE’s gehanteerde toetsingskaders”, leidt niet tot een ander oordeel. Deze algemene toetsingskaders - waarbij het in het bijzonder gaat om de hiervoor genoemde EuthanasieCode 2018 - geven immers geen antwoord op de door de tuchtrechter in de tuchtrechtelijke procedure te beantwoorden vraag of de arts in het desbetreffende geval heeft gehandeld in strijd met de in artikel 47 lid 1 Wet BIG bedoelde maatstaf.

5.4

De hierop betrekking hebbende klachten slagen.

6 Uitleg van de schriftelijke wilsverklaring

6.1

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het CTG dat de schriftelijke verklaringen van de patiënt niet voldoen aan de eisen van artikel 2 lid 1, aanhef en onder a, Wtl.

6.2

Met betrekking tot de vraag of sprake was van een rechtsgeldig verzoek om levensbeëindiging als bedoeld in artikel 2 Wtl, heeft het CTG het volgende overwogen:

“4.8 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, het al dan niet aanwezig zijn van een rechtsgeldig verzoek tot euthanasie bij de, in het onderhavige geval, volledig wilsonbekwame patiënte, komt het Centraal Tuchtcollege tot hetzelfde oordeel als het Regionaal Tuchtcollege, welk oordeel ook in lijn is met de beslissing van het RTE. De verklaringen van patiënte, opgesteld toen zij nog wilsbekwaam was, zijn onvoldoende duidelijk ten aanzien van het moment waarop zij het toepassen van euthanasie wenste. Bezien in het licht van wat tegen dit onderdeel van de klacht is ingebracht en met inachtneming van wat hierboven is overwogen met betrekking tot het op dit punt door de tuchtrechter te hanteren toetsingskader, kan niet met vrucht worden gesteld dat de tuchtrechtelijke beoordeling van de gang van zaken tot een andere uitkomst dient te leiden dan eerder door de RTE is geoordeeld.
Op grond daarvan voldoen de euthanasieverklaringen niet aan de eisen van artikel 2, lid 1, aanhef en onder a van de Wtl. Het beroep van de arts faalt op dit punt.”

6.3

Het oordeel van het CTG dat de schriftelijke verklaringen die de patiënt had opgesteld toen zij nog wilsbekwaam was, onvoldoende duidelijk zijn ten aanzien van het moment waarop de patiënt levensbeëindiging wenste, steunt kennelijk op het gelijkluidende oordeel van het RTG. Aan dit oordeel heeft het RTG onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

“5.8 Allereerst verdient opmerking dat vaststaat dat patiënte op het moment van de levensbeëindiging volledig wilsonbekwaam was. Zij was toen dus niet langer in staat om weloverwogen haar wil te vormen en te uiten. Dit betekent dat teruggegrepen moet worden naar haar schriftelijke euthanasieverklaringen met dementieclausule (...).

5.9

Niet voor betwisting vatbaar is dat patiënte daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat zij niet in een verpleeghuis wilde worden opgenomen. Zij had dit met haar moeder meegemaakt en vreselijk gevonden. Het probleem met deze euthanasieverklaringen is echter dat deze verklaringen tegenstrijdigheden bevatten ten aanzien van het moment waarop patiënte de levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien. Enerzijds lijkt het moment duidelijk ‘wanneer patiënte in een verpleegtehuis voor demente bejaarden moet worden opgenomen’, maar daar staat tegenover dat patiënte het moment waarop zij (in de terminologie van de eerste dementieverklaring) ‘nog enigszins wilsbekwaam was’ voorbij heeft laten gaan en toen geen ‘vrijwillig’ verzoek heeft gedaan. Hier komt bij dat de (van toepassing zijnde) tweede dementieverklaring inhoudt ‘wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht’ en ‘op mijn verzoek’. Hierin wordt dus nog een tijdselement en een persoonlijke keuze ingebouwd. Niet dus het moment van opname in een verpleeghuis is bepalend, maar het eigen (nog te uiten) verzoek van patiënte. De schriftelijke euthanasieverklaring, met dementieclausule, is dus niet eenduidig en bevat onduidelijkheden.
Gelet op de onomkeerbaarheid van levensbeëindiging en de ethische aspecten die verbonden zijn aan het bewust beëindigen van het leven van een medemens, dient een schriftelijke euthanasieverklaring om deze te kunnen gebruiken niet voor meer uitleg vatbaar te zijn. Er is in beginsel geen ruimte voor interpretatie ervan. Dit betekent dat de euthanasieverklaring(en) in dit geval niet voldoen aan de eisen van artikel 2, lid 2 onder a. van de Wtl. Op deze basis had verweerster niet de overtuiging mogen krijgen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënte om (op dat moment) tot levensbeëindiging over te gaan.”

6.4

In zijn heden uitgesproken arrest in de samenhangende strafzaak 19/04910 CW (ECLI:NL:HR:2020:712), rechtsoverweging 4.5.2, heeft de Hoge Raad over de vaststelling van de inhoud van een schriftelijk verzoek om levensbeëindiging als bedoeld in artikel 2 lid 2 Wtl het volgende overwogen:

“Dit vergt allereerst de vaststelling van de inhoud van het schriftelijke verzoek. De in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat de arts daartoe het verzoek - en eventuele opvolgende verzoeken - uitlegt met het oog op het achterhalen van de bedoelingen van de patiënt. Daarbij moet hij letten op alle omstandigheden van het geval en niet slechts op de letterlijke bewoordingen van het verzoek. Onduidelijkheden of tegenstrijdigheden van wezenlijke aard kunnen eraan in de weg staan dat aan een verzoek gevolg kan worden gegeven. Dat geldt echter niet voor iedere onduidelijkheid of tegenstrijdigheid, bijvoorbeeld omdat deze slechts betrekking heeft op - voor het toetsen van het verzoek aan de actuele situatie waarin de patiënt zich bevindt - irrelevante delen van de schriftelijke verklaring of omdat het uit te leggen verzoek in wezen maar één zinvolle interpretatie toelaat.”

6.5

Hieruit blijkt dat de opvatting van het RTG en het CTG dat er, in lijn met het oordeel van de RTE, “in beginsel geen ruimte [is] voor interpretatie” van een schriftelijk verzoek, niet juist is. De enkele omstandigheid dat de arts het verzoek of de verzoeken moet interpreteren om tot een zinvolle uitleg daarvan te komen, staat aan de rechtsgeldigheid van het verzoek of de verzoeken niet in de weg. De hierop betrekking hebbende klacht slaagt.

6.6

Uit het voorgaande volgt verder dat de klacht ook slaagt voor zover de beslissing van het CTG steunt op het oordeel van het RTG dat de verzoeken niet rechtsgeldig zijn omdat zij “tegenstrijdigheden bevatten ten aanzien van het moment waarop patiënte de levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien”. In dat verband is van belang dat het CTG er met het RTG van uit is gegaan dat de patiënt het moment waarop zij “in een verpleegtehuis voor demente bejaarden moet worden opgenomen” heeft aangewezen als het moment waarop zij de levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien, alsmede dat die opname plaatsvond op 3 maart 2016. De duidelijkheid van die aanwijzing wordt niet aangetast door de daarnaast door het CTG en het RTG in aanmerking genomen omstandigheid dat de patiënt in de periode waarin zij nog wel in staat was tot het uiten van een hierop betrekking hebbende wil - welke periode volgens de vaststellingen waarvan het CTG is uitgegaan eindigde “in de loop van 2015”, dus geruime tijd voor het moment van opname - geen verzoek tot levensbeëindiging heeft gedaan. Dat de patiënt geen eerder verzoek heeft gedaan dat betrekking had op de periode vóórdat zij moest worden opgenomen, maakt immers de aanwijzing van het moment van opname als het moment met ingang waarvan de patiënt in haar schriftelijke verklaring om levensbeëindiging verzoekt, niet dubbelzinnig of onduidelijk.

6.7

De op het voorgaande betrekking hebbende klachten slagen.

7 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en C.H. Sieburgh, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.