Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:670

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/01999
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:3198
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:415
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal d.m.v. braak (meermalen gepleegd), art. 311.1 Sr. Tul van 5 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, waarbij gelet op taakstrafverbod van art. 22b Sr slechts 3 gevangenisstraffen zijn vervangen door taakstraffen. Staat art. 14g.2 jo. 22b Sr in de weg staat aan omzetten van alle 5 eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen in taakstraffen? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01999

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2017, nummer 22/001170-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Tamas, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 104 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 101 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.