Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:613

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
18/05138
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:4340
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2020-0149 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/05138

Datum 10 april 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 oktober 2018, nrs. 17/00487 en 17/00488, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 15/2937 en HAA 15/2938) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.2

Belanghebbende heeft tijdens de cassatieprocedure verzocht om een vergoeding van rente over de in strijd met het Unierecht nageheven en door haar betaalde douanerechten, indien het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt verworpen. Aangezien belanghebbende dit verzoek niet eerder heeft gedaan en een zodanig verzoek niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, is het niet toewijsbaar.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/05137 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.050, derhalve € 525, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.