Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
19/01958
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:14, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:644, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht; enquêterecht; procesrecht. Onderzoek naar beleid en gang van zaken van SNS-vennootschappen. Medewerkingsplicht. Mogen de vennootschappen inzage weigeren in notulen, bestuursbesluiten en correspondentie, voor zover daarin informatie staat die is uitgewisseld met advocaat of notaris? Functioneel verschoningsrecht? Vertrouwelijke informatie. Rol van de raadsheer-commissaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/972
RvdW 2020/492
RBP 2020/44
RO 2020/30
JOR 2020/138 met annotatie van Doorenbos, D.R.
OR-Updates.nl 2020-0173
Ondernemingsrecht 2020/116 met annotatie van M.W. Josephus Jitta
ARO 2020/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01958

Datum 3 april 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

1. Frans Jozef Gerlach Maria CREMERS,
2. Franciscus Daniël STIBBE,

3. Evert Machiel JANSEN SCHOONHOVEN,
VERZOEKERS tot cassatie,

hierna: de onderzoekers,

advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur,

tegen

1. SRH N.V., voorheen SNS REAAL N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. DE VOLKSBANK N.V., voorheen SNS Bank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: SNS Reaal c.s.,

advocaten: J. de Bie Leuveling Tjeenk en J.W.M.K. Meijer,

3. VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

gevestigd te Den Haag,

4. [verweerder 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [verweerder 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6. [verweerster 6] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

7. [verweerder 7] ,

wonende te [woonplaats] ,

8. [verweerder 8] ,

wonende te [woonplaats] ,

9. [verweerder 9] ,

wonende te [woonplaats] ,

10. [verweerder 10] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie, VERZOEKERS in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: VEB c.s.,

advocaten: R.P.J.L. Tjittes en P.J. Tanja, voorheen J.W. de Jong,

11. DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN FINANCIËN,
zetelende te Den Haag,

12. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR BEHEER FINANCIËLE INSTELLINGEN,

gevestigd te Den Haag,

13. STICHTING BEHEER SNS REAAL,

G gevestigd te Utrecht,

14. RESTITUTIE ONTEIGENDE OBLIGATIEHOUDERS SNS STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

15. [verweerder 15] ,

wonende te [woonplaats] ,

16. [verweerder 16] .

wonende te [woonplaats] , Thailand,

BELANGHEBBENDEN in cassatie,

niet verschenen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 200.159.002/02 OK van de raadsheer-commissaris van de ondernemingskamer in het gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2019.

De onderzoekers hebben tegen de beschikking van de raadsheer-commissaris beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. SNS Reaal c.s. heeft verzocht het beroep te verwerpen. VEB c.s. steunen het cassatieberoep van de onderzoekers en hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. SNS Reaal c.s. heeft geconcludeerd tot verwerping in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principale en het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.

De advocaten van de onderzoekers en van VEB c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze zaak heeft de ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. De vraag is of SNS Reaal c.s. mogen weigeren om de onderzoekers inzage te geven in informatie die is uitgewisseld met een advocaat of notaris en is opgenomen in notulen, bestuursbesluiten en correspondentie.

2.2

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 tot en met 1.7. Voor zover in cassatie van belang, komen die op het volgende neer.

(i) Bij beschikking van 26 juli 2018 heeft de ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. over de periode vanaf 1 juli 2006 tot 1 februari 2013, met benoeming van een raadsheer-commissaris zoals bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW.1

(ii) Bij beschikking van 2 augustus 2018 heeft de ondernemingskamer de onderzoekers aangewezen.2

(iii) Het door de onderzoekers opgestelde plan van aanpak omvat als bijlage een lijst van 45 (categorieën van) documenten die de onderzoekers digitaal aangeleverd willen krijgen, waaronder de notulen van de vergaderingen van het bestuur en de raad van commissarissen van SNS Reaal c.s. en Propertize B.V. (voorheen genaamd SNS Property Finance B.V.) over de periode van 1 januari 2006 tot 1 februari 2013.

(iv) SNS Reaal c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat aan hen met betrekking tot gedeeltes van de opgevraagde documenten een beroep toekomt op een van advocaten en notarissen afgeleid verschoningsrecht. Vervolgens hebben SNS Reaal c.s. en de onderzoekers afgesproken dat SNS Reaal c.s. de opgevraagde notulen volledig, dus inclusief volgens SNS Reaal c.s. geprivilegieerde informatie, “informeel” aan de onderzoekers ter beschikking zullen stellen, onder de voorwaarde dat de onderzoekers op geen enkele wijze zullen refereren aan de aldus verstrekte informatie en met dien verstande dat de onderzoekers nadien om “formele” verstrekking van die documenten kunnen vragen. In dat geval zullen SNS Reaal c.s. op dat moment beoordelen of zij zich zullen beroepen op een afgeleid verschoningsrecht. SNS Reaal c.s. hebben op deze wijze “informeel” informatie verstrekt aan de onderzoekers.

(v) De onderzoekers hebben vervolgens aanvullende informatieverzoeken aan SNS Reaal c.s. gedaan. De onderzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat aan SNS Reaal c.s. geen beroep toekomt op een afgeleid verschoningsrecht. Zij hebben SNS Reaal c.s. verzocht om alle opgevraagde stukken formeel te verschaffen, met een lijst van stukken ten aanzien waarvan SNS Reaal c.s. zich op een afgeleid verschoningsrecht zouden willen beroepen.

2.3.1

De onderzoekers hebben de raadsheer-commissaris, samengevat weergegeven en voor zover in cassatie van belang, primair verzocht om te bepalen dat SNS Reaal c.s. zich ter zake van de door de onderzoekers opgevraagde en op te vragen documenten en bescheiden niet kunnen beroepen op een (afgeleid) verschoningsrecht en, subsidiair, SNS Reaal c.s. te bevelen (i) terstond althans binnen vijf dagen nadat daarom is verzocht, al die stukken uit te leveren waarvan op het eerste gezicht of na een eerste globale controle vaststaat dat er geen (afgeleid) verschoningsrecht op rust, (ii) binnen tien dagen nadat daarom is verzocht, al die stukken uit te leveren waarvan na tweede lezing is gebleken dat er geen verschoningsrecht op rust dan wel waarbij afstand wordt gedaan van het (mogelijke) verschoningsrecht en (iii) binnen tien dagen nadat daarom is verzocht, gemotiveerd te kennen te geven op welke stukken een beroep op verschoningsrecht wordt gedaan, met toezending van een kopie van deze stukken aan de raadsheer-commissaris of een door de raadsheer-commissaris aan te wijzen onafhankelijke derde, om deze te laten beoordelen of en in hoeverre terecht een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht.

2.3.2

VEB c.s. hebben de raadsheer-commissaris meegedeeld dit verzoek te steunen en hem verzocht om een dwangsom te verbinden aan de verzochte bevelen.

2.3.3

De raadsheer-commissaris heeft als volgt op de verzoeken beslist.3

“beveelt SNS Reaal c.s. om binnen vijf dagen na deze beschikking alle documenten genoemd op de lijst die als bijlage 3 is gevoegd bij de brief van SNS Reaal c.s. aan de onderzoekers van 1 februari 2019, integraal en ongeschoond te verstrekken aan de onderzoekers, voor zover zij die documenten niet eerder “informeel” aan de onderzoekers hebben verstrekt;

beveelt SNS Reaal c.s. om binnen vijf dagen na deze beschikking aan de onderzoekers gespecificeerd en gemotiveerd opgave te doen van de passages uit deze documenten ten aanzien waarvan zij een beroep doet op een afgeleid verschoningsrecht;

verbiedt de onderzoekers om in hun onderzoek op enigerlei wijze gebruik te maken van de informatie ten aanzien waarvan SNS Reaal c.s. zich op een afgeleid verschoningsrecht hebben beroepen, tenzij de raadsheer-commissaris op een daarop gericht verzoek van de onderzoekers SNS Reaal c.s. heeft bevolen die informatie aan de onderzoekers te verstrekken;

beveelt SNS Reaal c.s. in het vervolg binnen 14 dagen te voldoen aan informatieverzoeken van de onderzoekers en binnen deze termijn te bepalen of zij verstrekking van enig deel van die informatie willen weigeren met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht;

beveelt SNS Reaal c.s. in het vervolg om, indien zij door de onderzoekers opgevraagde informatie niet willen verstrekken met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht, binnen 14 dagen na het desbetreffende informatieverzoek aan de onderzoekers toe te lichten – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende informatie hoeven prijs te geven – waarom de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van het verschoningsrecht van een advocaat of notaris valt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.”

2.3.4

De raadsheer-commissaris heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Het functionele verschoningsrecht van onder meer advocaten en notarissen berust op een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. (rov. 3.4)

Een belangrijke doelstelling van het enquêterecht is het verkrijgen van openheid van zaken. De wet bevat bepalingen die erop gericht zijn die openheid van zaken te bewerkstelligen met inachtneming van het belang van de onderzochte rechtspersoon. (rov. 3.5)

In de wettelijke bepalingen met betrekking tot het enquêterecht en in de wetsgeschiedenis is evenwel geen steun te vinden voor de opvatting dat deze wetsbepalingen ertoe strekken om in het kader van het onderzoek het verschoningsrecht van advocaten of notarissen buiten werking te stellen. (rov. 3.6)

Het verschoningsrecht komt toe aan de verschoningsgerechtigde advocaat of notaris zelf en niet aan SNS Reaal c.s. als cliënt van de verschoningsgerechtigde. Het belang dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een vertrouwenspersoon te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, brengt – toegesneden op het onderhavige geval – mee dat SNS Reaal c.s. een beroep toekomt op een afgeleid verschoningsrecht met betrekking tot hetgeen zij aan een advocaat of notaris in zijn hoedanigheid hebben toevertrouwd en hetgeen de advocaat of notaris in zijn hoedanigheid aan SNS Reaal c.s. heeft meegedeeld. (rov. 3.7)

Dat bij het verkrijgen van openheid van zaken met betrekking tot de periode voorafgaand aan de nationalisatie van SNS Reaal c.s. een zwaarwichtig publiek belang bestaat, is geen uitzonderlijke omstandigheid waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht. (rov. 3.9)

De omstandigheid dat SNS Reaal c.s. zich kennelijk bij hun keuze om al dan niet een beroep te doen op een afgeleid verschoningsrecht laten leiden door hun eigen belang of dat van derden bij (de uitkomst van) het onderzoek, is geen omstandigheid waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat SNS Reaal c.s. niet langer een beroep op een afgeleid verschoningsrecht toekomt. (rov. 3.10)

Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de verschoningsgerechtigden zelf jegens de onderzoekers een beroep hebben gedaan op hun verschoningsrecht. De opgevraagde stukken behoren tot de administratie van SNS Reaal c.s. Dit betekent dat SNS Reaal c.s. vooralsnog zelf hebben bepaald welke passages uit de opgevraagde stukken zij, met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht, niet aan de onderzoekers willen tonen. Deze standpuntbepaling van SNS Reaal c.s. is niet aan rechterlijke toetsing onttrokken. (rov. 3.11)

Bij die rechterlijke toetsing komt het niet aan op een afweging van geval tot geval van de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding. Indien een advocaat of notaris zich op zijn verschoningsrecht beroept, is geen ruimte voor een zodanige belangenafweging. Wel moet getoetst kunnen worden of de informatie die SNS Reaal c.s. met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht niet willen verstrekken, daadwerkelijk onder de reikwijdte van het desbetreffende verschoningsrecht valt, meer in het bijzonder of de informatie aan een notaris of advocaat in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. (rov. 3.12)

De raadsheer-commissaris zoekt voor de rechterlijke toetsing aansluiting bij de eerder tussen de onderzoekers en SNS Reaal c.s. gemaakte afspraken over “informele” en “formele” verstrekking van documenten en de omstandigheid dat SNS Reaal c.s. naar eigen zeggen aan de onderzoekers hebben bevestigd dat die afspraken blijven gelden gedurende de “formele” uitlevering. Alle, althans het overgrote deel van de 104 documenten waarin informatie besloten ligt die SNS Reaal c.s. met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht niet “formeel” aan de onderzoekers willen verstrekken, zijn volgens SNS Reaal c.s. op grond van die afspraken volledig (in ongeschoonde vorm) “informeel” aan de onderzoekers ter beschikking gesteld. Voor zover dit feitelijk nog niet volledig is gebeurd, zal de raadsheer-commissaris daartoe een bevel geven. Dit stelt de onderzoekers in staat zich een inhoudelijk oordeel te vormen over de aanvaardbaarheid van een beroep op een afgeleid verschoningsrecht op enig onderdeel van deze stukken. (rov. 3.13)

De meeste documenten betreffen notulen van vergaderingen van leidinggevende of toezichthoudende organen van SNS Reaal c.s. en Property Finance. Die notulen zijn opgemaakt om zowel ten opzichte van de organen van de vennootschap als in het maatschappelijk verkeer schriftelijk vast te leggen wat in de desbetreffende vergaderingen is verhandeld. Van SNS Reaal c.s. kan daarom verwacht worden dat zij toelichten waarom hun met betrekking tot in deze notulen besloten liggende informatie een afgeleid verschoningsrecht toekomt. Dat laatste geldt ook waar SNS Reaal c.s. zich op een afgeleid verschoningsrecht beroepen met betrekking tot schriftelijke besluiten van de directie van SNS Bank en de correspondentie tussen SNS Reaal c.s. enerzijds en DNB en het ministerie van Financiën anderzijds. (rov. 3.14)

Dit brengt de raadsheer-commissaris ertoe bevelen te geven die ertoe strekken dat: - SNS Reaal c.s. tegenover de onderzoekers specificeren en motiveren welke informatie uit de genoemde 104 documenten onder het bereik van een afgeleid verschoningsrecht valt en om die reden buiten het onderzoek zou moeten blijven;

- de onderzoekers aan de hand daarvan kunnen beoordelen of zij het beroep op een afgeleid verschoningsrecht in elk van die gevallen al dan niet aanvaardbaar achten;

- de onderzoekers een geschil daarover kunnen voorleggen aan de raadsheer-commissaris door deze te verzoeken aan SNS Reaal c.s. een bevel te geven om de desbetreffende informatie alsnog “formeel” aan de onderzoekers te verstrekken;

- in welk geval de raadsheer-commissaris daarover zal beslissen nadat de onderzoekers en SNS Reaal c.s. alsmede de verschoningsgerechtigde zelf in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. (rov. 3.15)

Indien SNS Reaal c.s. – of anderen die op de voet van art. 2:351 lid 1 BW verplicht zijn inlichtingen te verschaffen – in een later stadium van het onderzoek met een beroep op een afgeleid verschoningsrecht aan de onderzoekers (volledige) inzage weigeren in door de onderzoekers opgevraagde stukken en zij die stukken niet “informeel” aan de onderzoekers verstrekken of hebben verstrekt, geldt het volgende. SNS Reaal c.s. – respectievelijk die anderen – dienen dan aan de onderzoekers toe te lichten – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende informatie hoeven prijs te geven – op grond waarvan de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van een verschoningsrecht van een advocaat of notaris valt. De onderzoekers kunnen een geschil daarover voorleggen aan de raadsheer-commissaris door hem te verzoeken betrokkene een bevel te geven om de desbetreffende informatie alsnog aan de onderzoekers te verstrekken. In dat geval zal de raadsheer-commissaris daarover beslissen, zo nodig na kennisneming van de desbetreffende informatie en nadat de verschoningsgerechtigde zelf in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten en zonder dat de onderzoekers inzage hebben in die informatie. (rov. 3.16)

De in 3.15 en 3.16 genoemde rol van de raadsheer-commissaris kan meebrengen dat de raadsheer-commissaris te zijner tijd geen deel zal uitmaken van de zetel van de ondernemingskamer die heeft te oordelen over een eventueel verzoek op de voet van art. 2:355 BW na deponering van het verslag. (rov. 3.17)

Mede gelet op de toezegging van SNS Reaal c.s. dat zij bevelen van de raadsheer- commissaris zullen opvolgen, is er vooralsnog geen aanleiding een dwangsom op te leggen. (rov. 3.19)

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep en in het voorwaardelijk incidentele beroep

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep van de onderzoekers richt zich met diverse klachten tegen het oordeel van de raadsheer-commissaris dat SNS Reaal c.s. jegens de onderzoekers een beroep kunnen doen op een afgeleid verschoningsrecht (rov. 3.4-3.9). Samengevat komen deze klachten erop neer dat, gelet op de doelstellingen van de enquête en de taak en de positie van de onderzoekers, SNS Reaal c.s. aan de onderzoekers zonder voorbehoud inzage moeten geven in alle stukken die de onderzoekers nodig achten voor het uitvoeren van het bevolen onderzoek.

De onderdelen 2.1 en 2.2 richten zich tegen het in rov. 3.14-3.19 en het dictum besloten liggende oordeel van de raadsheer-commissaris dat indien met een verschoningsgerechtigde uitgewisselde informatie door een bevoegd orgaan van de rechtspersoon is opgenomen in zijn notulen en bestuursbesluiten, deze informatie nog steeds als ‘toevertrouwd’ heeft te gelden. Door het gegeven te notuleren of in een besluit op te nemen, houdt het op ‘toevertrouwde informatie’ te zijn, aldus de klachten.

Onderdeel 2.3 richt zich tegen de rechtsopvatting in de aangevallen overwegingen en het dictum dat ook informatie die is opgenomen in correspondentie tussen de vennootschap en een ander dan haar advocaat of notaris, als aan die laatste ‘toevertrouwd’ kan gelden.

3.1.2

Het incidentele beroep van VEB c.s. is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het middel in het principale beroep wordt verworpen.

Onderdeel 1 van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep richt zich tegen het oordeel van de raadsheer-commissaris (in rov. 3.9) dat de door de onderzoekers aangevoerde omstandigheid dat bij het verkrijgen van openheid van zaken met betrekking tot de periode voorafgaande aan de nationalisatie van SNS Reaal c.s. een zwaarwichtig publiek belang bestaat, niet prevaleert boven het verschoningsrecht.

Onderdeel 2 richt zich tegen de rov. 3.15 en 3.16 van de bestreden beschikking, voor zover de raadsheer-commissaris daarin de mogelijkheid heeft opengelaten dat hij een beroep van SNS Reaal c.s. op een afgeleid verschoningsrecht honoreert, zonder dat een verschoningsgerechtigde zich terzake op een verschoningsrecht heeft beroepen. Hiermee miskent de raadsheer-commissaris dat hij een beroep op een afgeleid verschoningsrecht in geen geval kan toestaan voor zover de verschoningsgerechtigde zelf zich daarop niet beroept, aldus de klacht.

3.1.3

Uit het hiernavolgende zal blijken dat de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, is vervuld. Het principale beroep en het voorwaardelijk incidentele beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Plicht tot medewerking aan het onderzoek

3.2.1

De raadsheer-commissaris kan op de voet van art. 2:350 lid 4 BW aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Ten aanzien van de rechtspersoon waarop het onderzoek betrekking heeft, geeft art. 2:351 lid 1 BW de onderzoekers onder meer het recht tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan zij de kennisneming nodig achten voor een juiste vervulling van hun taak. De rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers zijn verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Wanneer een onderzoeker inzage wordt geweigerd, kan de raadsheer-commissaris op grond van art. 2:352 lid 1 BW de bevelen geven die de omstandigheden nodig maken.

Verschoningsrecht

3.2.2

Advocaten en notarissen behoren tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. In verband daarmee komt hun tevens het recht toe zich te dien aanzien te verschonen van een eventuele verplichting tot het verschaffen van informatie. De grondslag van dit verschoningsrecht is een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij deze vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is besproken om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.4 Dit beginsel vindt voor het burgerlijk recht onder meer uitdrukkelijk erkenning in art. 165 lid 2, onder b, en lid 3 Rv en art. 843a lid 3 Rv.

3.2.3

Het hiervoor genoemde algemene rechtsbeginsel geldt ook in het verband van een onderzoek zoals bedoeld in art. 2:345 BW. In de regeling van het enquêterecht of de wetsgeschiedenis daarvan, is geen steun te vinden voor de gedachte dat het functionele verschoningsrecht in het kader van deze regeling niet geldt. Ook in het kader van een enquête komt aan advocaten en notarissen dus verschoningsrecht toe.

3.2.4

Het oordeel omtrent de vraag of boeken, bescheiden of andere gegevensdragers object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde advocaat of notaris. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de onderzoekers te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.5 Daarbij doet niet terzake of deze informatie zich bij de advocaat of notaris of bij de rechtspersoon bevindt.6

Bij de beoordeling of het verschoningsrecht van de advocaat of notaris zich uitstrekt tot de door de onderzoekers verlangde informatie, komt het aan op de vraag of deze informatie aan de advocaat of notaris in zijn hoedanigheid is toevertrouwd. De aard van het verschoningsrecht brengt mee dat de informatie niet behoeft te worden verstrekt, en medewerking aan raadpleging en inzage daarvan dus mag worden geweigerd, zolang de raadsheer-commissaris aan redelijke twijfel onderhevig acht of die verstrekking zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.7 Voor zover dat voor de beoordeling noodzakelijk is, mag de raadsheer-commissaris van de desbetreffende stukken kennisnemen.8

Afgeleid verschoningsrecht

3.2.5

De plicht tot geheimhouding geldt in beginsel ook voor personen die werkzaamheden voor de advocaat of notaris verrichten en aan wie uit dien hoofde iets wordt toevertrouwd. Voor zover deze informatie valt onder de reikwijdte van het verschoningsrecht van de advocaat of notaris, kunnen de bedoelde personen zich op een afgeleid verschoningsrecht beroepen. Het oordeel of voor het inroepen van het verschoningsrecht daadwerkelijk aanleiding is, komt toe aan degene van wie dit verschoningsrecht is afgeleid,9 in dit geval dus de advocaat of notaris.

3.2.6

De rechtspersoon die zich om advies of bijstand tot een advocaat of notaris heeft gewend, heeft zelf geen afgeleid verschoningsrecht, ook niet voor zover de rechtspersoon met de advocaat of notaris uitgewisselde vertrouwelijke gegevens onder zich heeft. Hij kan immers niet worden aangemerkt als een persoon aan wie de door hem benaderde geheimhouder vertrouwelijke gegevens heeft toevertrouwd, met als gevolg dat hem uit dien hoofde een afgeleid verschoningsrecht toekomt.10

Recht van de rechtspersoon om inzage te weigeren

3.3.1

Hoewel de rechtspersoon zelf zich niet op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen, kan hij niettemin een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren mee te werken aan het onderzoek, voor zover door de onderzoekers inzage wordt verlangd in informatie die hij met zijn advocaat of notaris in diens hoedanigheid heeft uitgewisseld, en waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon enerzijds en zijn advocaat of notaris anderzijds, verborgen dient te blijven. Het belang dat een ieder de vrijheid heeft om een vertrouwenspersoon te raadplegen zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan die vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, zou immers onaanvaardbaar worden geschaad indien degene die een geheimhouder wil raadplegen, niet vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking zou kunnen vastleggen en bewaren hetgeen hij zelf aan de geheimhouder heeft toevertrouwd en hetgeen de geheimhouder hem heeft meegedeeld.11

3.3.2

De vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie kan voor de rechtspersoon dan ook een gegronde reden opleveren om in zoverre niet te voldoen aan zijn plicht om inzage te geven in alle stukken die de onderzoekers nodig achten voor het uitvoeren van het onderzoek. Gelet op het hiervoor in 3.3.1 genoemde belang, kan de rechtspersoon zich ook op de vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie beroepen, indien de advocaat of notaris zich ter zake van deze informatie niet op een verschoningsrecht beroept.

3.3.3

Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep gaat ervan uit dat SNS Reaal c.s. aan de onderzoekers zonder voorbehoud inzage moeten geven in alle stukken die de onderzoekers nodig achten voor het uitvoeren van het bevolen onderzoek. Daarmee berust het, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1-3.3.2 is overwogen, op een onjuiste rechtsopvatting en kan het dus niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 2 van het middel in het incidentele beroep miskent eveneens dat de rechtspersoon onder omstandigheden de onderzoekers inzage mag weigeren in met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie, ook indien de advocaat of notaris zich ter zake van deze informatie niet op een verschoningsrecht beroept. Het kan daarom evenmin tot cassatie leiden.

3.4.1

De onderzoekers moeten wel in de gelegenheid zijn om de bewering van de rechtspersoon dat de door de onderzoekers verlangde informatie zich in de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en diens advocaat of notaris bevindt en daarom verborgen dient te blijven, te (laten) toetsen.12

Indien de rechtspersoon aan de onderzoekers weigert om inzage te geven in de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon wegens de vertrouwelijkheid van de daarin vervatte, met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie, zonder dat de advocaat of notaris zich ten aanzien van deze informatie op zijn verschoningsrecht heeft beroepen (zie hiervoor in 3.2.4), dient de raadsheer-commissaris, op verzoek of ambtshalve, in het kader van een eventueel te geven aanwijzing (art. 2:350 lid 4 BW) of bevel (art. 2:352 lid 1 BW), te beoordelen of de vertrouwelijkheid van de met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie voor de rechtspersoon een voldoende gewichtige reden oplevert om in zoverre niet te voldoen aan de plicht om mee te werken aan het onderzoek. Van een dergelijke gewichtige reden is, in het licht van het hiervoor in 3.3.1 genoemde belang, in beginsel sprake indien het gaat om informatie waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en zijn advocaat of notaris, verborgen dient te blijven.

3.4.2

Ook notulen en schriftelijk vastgelegde bestuursbesluiten kunnen met de advocaat of notaris in zijn hoedanigheid uitgewisselde informatie bevatten, waarvan de raadpleging of verstrekking niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en zijn advocaat of notaris, verborgen dient te blijven. De enkele omstandigheid dat deze informatie (ook) is opgenomen of verwerkt in notulen of in schriftelijk vastgelegde bestuursbesluiten van de rechtspersoon, is niet voldoende voor de conclusie dat de informatie is onttrokken aan de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en de verschoningsgerechtigde. De onderdelen 2.1 en 2.2 van het middel in het principale beroep falen dus.

3.4.3

In het oordeel van de raadsheer-commissaris dat SNS Reaal c.s. dienen toe te lichten waarom bepaalde informatie in de correspondentie tussen SNS Reaal c.s. en De Nederlandsche Bank en het ministerie van Financiën vertrouwelijk moet blijven, ligt besloten dat ook deze correspondentie vertrouwelijke, met de advocaat of notaris uitgewisselde informatie kan bevatten. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in dergelijke correspondentie kan informatie besloten liggen waarvan de raadpleging door of verstrekking aan de onderzoekers niet kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en diens advocaat of notaris, verborgen dient te blijven. Onderdeel 2.3 van het middel in het principale beroep faalt dus ook.

3.5

Onderdeel 3 van het middel in het principale beroep bouwt voort op de voorgaande onderdelen, en deelt in het lot daarvan.

3.6

De klachten van onderdeel 1 van het middel in het incidentele beroep kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

Slotsom

3.7

De slotsom is dat geen van de klachten in het principale beroep en in het incidentele beroep tot cassatie kan leiden. Het principale en het incidentele beroep zullen worden verworpen.

3.8

VEB c.s. hebben in hun verweerschrift in het principale beroep steun betuigd aan het standpunt van de onderzoekers en zijn dus in het principale beroep niet in het gelijk gesteld. De onderzoekers zullen daarom niet in de proceskosten van VEB c.s. worden veroordeeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de onderzoekers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SNS Reaal c.s. begroot op € 882,34 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris,

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt VEB c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SNS Reaal c.s. begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.

1 Gerechtshof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2651.

2 Gerechtshof Amsterdam (ondernemingskamer) 2 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2716.

3 Gerechtshof Amsterdam (ondernemingskamer) 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:644.

4 Vgl. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 (Notaris Maas), rov. 3.1.

5 Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, rov. 3.3.

6 Vgl. o.a. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, rov. 3.2.2 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4402, rov. 3.6.

7 Vgl. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066 (Notaris Maas), rov. 3.5.

8 Vgl. HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:277, rov. 2.7.1.

9 Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, rov. 3.5.4.

10 Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, rov. 3.5.2.

11 Vgl. HR 19 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9105, rov. 5.3.1.

12 Vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3426, rov. 3.5.3.