Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:598

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
18/04673
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:3338, Meerdere afhandelingswijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1270, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Uitleg overeenkomst. Voorlopig bewijsoordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/968
RvdW 2020/500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/04673

Datum 3 april 2020

ARREST

In de zaak van

VDL ENABLING TECHNOLOGIES GROUP EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Eindhoven,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: VDL,

advocaat: B.I. Kraaipoel,

tegen

[verweerder], handelende onder de naam BIQE,
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: [verweerder],

advocaat: H.J.W. Alt.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/01/278817/HA ZA 14-385 van de rechtbank Oost-Brabant van 10 december 2014 en 16 februari 2015;

  2. de arresten in de zaak 200.182.957 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 augustus 2017 en 7 augustus 2018.

VDL heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor VDL mede door J.M. Atema.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.8. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) [verweerder] is in 1986 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) VDL ETG Research B.V., een vennootschap die – evenals VDL – behoort tot de VDL-Groep.

(ii) De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden per 1 januari 2011 beëindigd. In verband daarmee zijn drie overeenkomsten gesloten: een ‘Beëindigingsovereenkomst dienstverband’ (hierna: de beëindigingsovereenkomst), een ‘Overeenkomt van vergoeding’ (hierna: de vergoedingsovereenkomst) en een ‘Overeenkomst van opdracht’ (hierna: de opdrachtovereenkomst).

(iii) De beëindigingsovereenkomst is gesloten tussen [verweerder] als werknemer en VDL ETG Research B.V. als werkgever, en bepaalt dat laatstgenoemde een beëindigingsvergoeding van € 175.000,-- bruto aan [verweerder] verschuldigd is en dat de uitbetaling plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in de vergoedingsovereenkomst.

(iv) De vergoedingsovereenkomst is gesloten tussen [verweerder] en vier vennootschappen behorend tot de VDL-Groep (waaronder VDL en VDL ETG Research B.V.), die tezamen ‘ETG’ genoemd worden. In deze overeenkomst is bepaald dat VDL ETG Research B.V. voor eind februari 2011 € 35.000,-- zal voldoen, hetgeen in mindering wordt gebracht op de beëindigingsvergoeding (art. 2.1), en dat de restantschuld van € 140.000,-- zoveel mogelijk zal worden verrekend via (delen van) vergoedingen waarop [verweerder] recht verkrijgt in verband met het verwerven van subsidies voor ETG, waartoe [verweerder] afzonderlijke overeenkomsten van opdracht met ETG ten behoeve van subsidiebegeleiding zal aangaan (art. 2.2). Voorts is onder meer bepaald dat partijen in de overeenkomsten van opdracht een aan [verweerder] te betalen fee overeenkomen (art. 2.2, onder a), dat de vergoedingsovereenkomst een looptijd van vijf jaar heeft (art. 4.1) en dat, als na afloop van die looptijd een restschuld van VDL ETG Research B.V. aan [verweerder] resteert, deze restschuld vervalt (art. 4.2).

(v) De opdrachtovereenkomst is gesloten tussen [verweerder] als opdrachtnemer en VDL als opdrachtgever. Deze overeenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 2: Verrichten van diensten

2.1

Opdrachtnemer zal Opdrachtgever voor de duur van deze overeenkomst ondersteunen bij het verkrijgen van subsidies. Dit betreft in elk geval subsidies in het kader van de WBSO en de Innovatiebox. Partijen besluiten in onderling overleg voor welke andere subsidieprogramma’s of -regelingen een subsidieaanvraag wordt opgestart. Afspraken daarover worden schriftelijk vastgelegd en aan deze overeenkomst gehecht.

2.2

De in het kader van deze overeenkomst door Opdrachtnemer te verrichten diensten houden onder meer in:

- het inventariseren van subsidiemogelijkheden in samenwerking met Opdrachtgever;

- het opstellen van subsidieaanvragen;

- het onderhouden van contacten met subsidiegevers, waaronder AgentschapNL;

- het beoordelen op redelijkheid van de onderbouwing van de subsidieaanvraag, en

- het adviseren ten aanzien van administratieve verplichtingen voor ingediende aanvragen.

(…)

Artikel 6: Vergoeding

6.1

Opdrachtgever is Opdrachtnemer voor het verlenen van de in artikel 2 omschreven diensten een vergoeding verschuldigd wanneer de werkzaamheden tijdens (of tot twaalf maanden voor) de looptijd van deze overeenkomst zijn uitgevoerd en leiden tot een beschikking tot verlening van een subsidie tijdens de looptijd van deze overeenkomst of erna.

6.2

De grondslag van de vergoeding is het bedrag verbonden aan toegekende subsidie, inclusief eventuele vervolg- of extra subsidies, ongeacht of dat bedrag reeds (volledig) aan Opdrachtgever is of wordt uitgekeerd en ongeacht of dat bedrag of die bedragen later wordt/worden verlaagd of wordt/worden ingetrokken.

(…)

6.4

De hoogte van de fee bedraagt 10%, exclusief BTW.”

(vi) De voormalige zelfstandige subsidieadviseur van VDL (de voorganger van [verweerder]) ontving voor zijn werkzaamheden in het kader van de subsidieaanvragen een gestaffelde vergoeding (in dit geding aangeduid als de ‘staffel [betrokkene 1]’). Die vergoeding bedroeg voor een toegekende subsidie van € 100.000,-- of minder 10%, voor het gedeelte van de toegekende subsidie tussen € 100.000,-- en € 250.000,-- 7,5%, voor het gedeelte van de toegekende subsidie tussen € 250.000,-- en € 1.000.000,-- 5%, en voor het gedeelte van de toegekende subsidie boven € 1.000.000,-- 3% (telkens exclusief BTW).

(vii) Art. 2.2, onder b, van de vergoedingsovereenkomst tussen [verweerder] en ETG refereert aan de zojuist genoemde staffel [betrokkene 1], en bepaalt het volgende:

“b. Vanaf 1 januari 2011 geldt dat per aan ETG verleende subsidie-beschikking zal worden bepaald wat de te verdienen fee zou hebben bedragen volgens de [staffel [betrokkene 1]].

(…)

Voor elke subsidie-beschikking wordt het verschil bepaald tussen het bedrag dat resulteert uit de berekening zoals vermeld in de actuele overeenkomst van opdracht en die volgens de [staffel [betrokkene 1]]. Het verschil wordt, gespecificeerd op de factuur, steeds verrekend met de restschuld (zoals deze op enig moment luidt). Zodra de restschuld niet meer bestaat, stopt de hiervoor vermelde verrekening.”

(viii) In juni 2013 en maart 2014 heeft [verweerder] twee facturen bij VDL ingediend voor werkzaamheden met betrekking tot de aanvraag van twee Europese subsidies (hierna: de ENIAC-subsidies). In deze facturen verzoekt hij VDL over te gaan tot betaling van een bedrag van € 105.875,-- en een bedrag van € 1.576.330,85. VDL heeft deze beide facturen onbetaald gelaten.

2.2.1

In dit geding vordert [verweerder] betaling van de beide facturen, in totaal ten bedrage van € 1.682.205,85. Hij legt hieraan ten grondslag, voor zover in cassatie van belang, dat hij voor de ENIAC-subsidies werkzaamheden als bedoeld in art. 2.2 van de opdrachtovereenkomst heeft verricht die hebben geleid tot toekenning van subsidies van € 875.000,-- en € 13.027.527,71, en dat hij op grond van art. 6 van de opdrachtovereenkomst recht heeft op een vergoeding van 10% exclusief BTW van de toegekende subsidiebedragen, zoals door hem gefactureerd.

VDL verweert zich hiertegen met het betoog, kort samengevat, dat de opdrachtovereenkomst alleen ziet op WBSO- en Innovatieboxsubsidies, dat partijen voor andere vormen van subsidie nadere schriftelijke afspraken moesten maken, hetgeen niet is gebeurd, en dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om iedere subsidie op basis van een vergoeding van 10% van de toegekende subsidie af te rekenen. Gelet op de art. 6 en 2 van de opdrachtovereenkomst kan [verweerder] dan ook geen aanspraak maken op enige vergoeding.

De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] afgewezen.

2.2.2

Het hof heeft de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen. In zijn tussenarrest heeft het hof daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Het komt aan op uitleg van de art. 2 en 6 van de opdrachtovereenkomst (rov. 6.8).

[verweerder] heeft voor VDL diverse subsidieaanvragen verzorgd die niet in de vergoedingsovereenkomst of de opdrachtovereenkomst zijn genoemd. VDL heeft voor deze aanvragen een vergoeding van 10% aan [verweerder] betaald. VDL heeft aangevoerd dat partijen voor de niet in de overeenkomsten genoemde aanvragen een vergoeding overeenkomstig de staffel [betrokkene 1] zijn overeengekomen, maar VDL wordt daarin niet gevolgd. VDL heeft immers zonder protest een factuur voldaan voor een subsidie (SILVER) die meer dan € 100.000,-- bedroeg en waarvoor [verweerder] een vergoeding ten bedrage van 10% in rekening heeft gebracht, terwijl dat volgens de staffel [betrokkene 1] op een lager bedrag zou uitkomen. (rov. 6.9.3)

Voor zover hier van belang zijn tussen partijen geen afspraken over de hoogte van de vergoeding gemaakt die van de opdrachtovereenkomst afwijken. (rov. 6.9.4)

Uit de uitvoering die partijen aan de opdrachtovereenkomst hebben gegeven maakt het hof op dat tussen partijen tot een bepaald moment in confesso was dat de vergoeding van 10% gold voor alle door [verweerder] voor VDL aangevraagde subsidies (behalve de Innovatiebox-subsidies). Hoewel VDL voor de ENIAC-subsidies heeft getracht te komen tot een andere vergoeding, is niets anders overeengekomen. Op 25 maart 2013 heeft VDL per e-mail aan [verweerder] bericht dat hij zijn werkzaamheden in het kader van beide subsidies stil moest leggen, maar enige tijd daarna heeft VDL hem gevraagd zijn werkzaamheden te continueren. Voor VDL was op dat moment duidelijk dat [verweerder] betaling verlangde conform het tarief van 10%. Uit de opdracht om zijn werkzaamheden voort te zetten mocht [verweerder] begrijpen dat VDL (alsnog) instemde met de vergoeding van 10% zoals in de opdrachtovereenkomst genoemd (rov. 6.9.9).

Dat de opdrachtovereenkomst alleen gold ten aanzien van WBSO- en Innovatiebox-subsidies is niet aannemelijk geworden. Vast staat dat [verweerder] meerdere andere subsidies heeft aangevraagd en daarvoor telkens een vergoeding van 10% betaald kreeg. Ten aanzien van de ENIAC-subsidies is niet gebleken dat [verweerder] zijn werkzaamheden zonder opdracht heeft verricht. Uit overgelegde e-mailberichten blijkt dat VDL voortdurend op de hoogte gesteld is van de vorderingen van [verweerder] bij de subsidieaanvraag. (rov. 6.9.10).

De overgelegde e-mailberichten waaruit de opdracht van VDL aan [verweerder] blijkt kunnen in beginsel worden beschouwd als schriftelijke vastlegging van de afspraken. (rov. 6.9.11)

De tekst van de overeenkomst, de betalingen die VDL aan [verweerder] heeft gedaan, de gedragingen van partijen en de getuigenverklaringen ten overstaan van de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen voorshands – behoudens tegenbewijs – de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden in het kader van de ENIAC-subsidies aanspraak kan maken op een vergoeding van 10% van de toegekende subsidiebedragen. Het reeds door VDL geleverde tegenbewijs door getuigen acht het hof in dit kader onvoldoende overtuigend en specifiek. VDL zal in de gelegenheid worden gesteld nader tegenbewijs te leveren. (rov. 6.9.12)

2.2.3

In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat VDL niet geslaagd is in het tegenbewijs. (rov. 9.3)

Voorts overwoog het hof dat er geen aanleiding is voor een ander oordeel over de vier aspecten (tekst van de overeenkomst, betalingen van VDL aan [verweerder], gedragingen van partijen en de getuigenverklaringen ten overstaan van de rechtbank) die het hof in rov. 6.9.12 van het tussenarrest heeft vermeld. (rov. 9.5)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Het middel is uitsluitend gericht tegen de rov. 6.9.4 en 6.9.9-6.9.12 van het tussenarrest. Het strekt ten betoge dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de tekst van de overeenkomst, de betalingen die VDL aan [verweerder] heeft gedaan, de gedragingen van partijen en de getuigenverklaringen ten overstaan van de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien de conclusie rechtvaardigen dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden in het kader van de ENIAC-subsidies aanspraak kan maken op een vergoeding van 10% van de toegekende subsidiebedragen.

Onder 19 klaagt het middel daartoe dat het hof miskend heeft dat het nimmer de bedoeling van partijen is geweest om bij iedere subsidie standaard een vergoeding van 10% toe te kennen, omdat die afspraak louter was gemaakt in verband met de beëindigingsvergoeding die VDL aan [verweerder] zou betalen; los daarvan zou met een staffel en niet met een vast percentage worden gerekend. Het onderdeel verwijst daartoe naar de punten 86-88 van de conclusie van antwoord van VDL in eerste aanleg. De relevante passages daarvan zijn geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5.

3.2

Deze klacht strekt, in samenhang met de genoemde passages in de conclusie van antwoord, kennelijk ertoe te betogen dat [verweerder] een vergoeding volgens de staffel [betrokkene 1] zou ontvangen en dat het verschil tussen die vergoeding en de vergoeding van 10% diende als betaling van de restantschuld van VDL ter zake van de beëindigingsvergoeding. Hiervoor geldt het volgende.

[verweerder] heeft in zijn memorie van grieven onder meer erop gewezen dat in art. 2.2, onder a, van de vergoedingsovereenkomst is bepaald dat partijen de aan [verweerder] te betalen vergoeding overeenkomen in de overeenkomsten van opdracht, dat dit tussen VDL en [verweerder] is gebeurd in art. 6.4 van de opdrachtovereenkomst, en dat daarin voor [verweerder] een vergoeding is overeengekomen van 10% van de toegekende subsidie; in geen enkele overeenkomst is een andere of anders berekende vergoeding vastgelegd. Art. 2.2, onder b, van de vergoedingsovereenkomst bepaalt dat het verschil tussen de vergoeding van 10% en een vergoeding berekend naar de staffel [betrokkene 1] in mindering komt op de restschuld van VDL ETG Research B.V. ter zake van de beëindigingsvergoeding, en dat die verrekening stopt zodra de restschuld niet meer bestaat. [verweerder] heeft in zijn memorie van grieven betoogd dat in laatstgenoemde bepaling staat dat ‘de verrekening stopt’, en dus niet dat de vergoeding van 10% dan beëindigd wordt of gewijzigd wordt. Hij heeft in dit verband voorts uiteengezet dat hij het risico liep dat de restschuld tijdens de looptijd van vijf jaar van de vergoedingsovereenkomst niet kon worden afgelost en dat de restschuld dan op grond van art. 4.2 van die overeenkomst zou vervallen, en dat hij hiertegenover aanspraak had op een vergoeding van 10%.

VDL heeft in haar memorie van antwoord in reactie daarop betoogd dat de uitleg van [verweerder] onjuist is en dat art. 2.2, onder b, van de vergoedingsovereenkomst ‘redelijkerwijs niet anders kan betekenen’ dan dat de overeengekomen vergoeding van 10% niet meer van toepassing zou zijn zodra de restschuld niet meer zou bestaan en dat de vergoeding dan zou wijzigen naar de staffel [betrokkene 1].

In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat het hof in zijn tussenarrest tot het oordeel is gekomen dat de tekst van de opdrachtovereenkomst, de betalingen die VDL aan [verweerder] heeft gedaan, de gedragingen van partijen en de getuigenverklaringen ten overstaan van de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien voorshands – behoudens tegenbewijs – de conclusie rechtvaardigen dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden in het kader van de ENIAC-subsidies aanspraak kan maken op een vergoeding van 10% van de toegekende subsidiebedragen. Dat oordeel behoefde in het licht van het partijdebat geen nadere motivering.

Daarbij komt dat VDL door het hof in de gelegenheid is gesteld tegenbewijs te leveren. Dat tegenbewijs kon ook betrekking hebben op het (onder 19 van het middel bedoelde) verband tussen de staffel [betrokkene 1] en de in art. 6.4 van de opdrachtovereenkomst neergelegde vergoeding van 10%. VDL bestrijdt in cassatie niet het oordeel van het hof in het eindarrest dat zij in het haar opgedragen tegenbewijs niet is geslaagd.

Op het voorgaande stuit de klacht onder 19 af.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep wordt verworpen. Die voorwaarde is blijkens het voorgaande vervuld, zodat het middel in het incidentele beroep beoordeeld moet worden.

4.2

Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op de vordering in de appeldagvaarding onder 4. Daarin vordert [verweerder] dat het hof VDL veroordeelt om al hetgeen hij ter uitvoering van de bestreden beslissingen van de rechtbank aan VDL heeft voldaan, aan hem terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Die vordering heeft klaarblijkelijk betrekking op de door [verweerder] op grond van het eindvonnis van de rechtbank aan VDL betaalde proceskostenvergoeding.

4.3

De klacht is gegrond. Het hof heeft verzuimd op genoemde vordering te beslissen. Dat wordt niet gerechtvaardigd door de omstandigheid dat in de memorie van grieven van [verweerder] deze vordering niet met zoveel woorden is herhaald.

4.4

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door deze vordering, die gelet op de uitspraak van het hof voor toewijzing gereed ligt, alsnog toe te wijzen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt VDL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.049,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2018, voor zover de hiervoor in 4.2 vermelde vordering van [verweerder] niet is toegewezen;

- veroordeelt VDL om al hetgeen [verweerder] ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2015 aan VDL heeft voldaan, aan [verweerder] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

- veroordeelt VDL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.