Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:59

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
28-01-2020
Zaaknummer
18/02390
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:869
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:1619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Lijkdelen aangetroffen in IJ-meer in Amsterdam in 2009. Medeplegen doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wegmaken van lijk (art. 151 Sr). Veroordeling in h.b. na vrijspraak in e.a.. Gebruik voor bewijs van verklaringen van getuige die rechter in e.a. onbetrouwbaar heeft geacht en waarvan Hof het opnieuw (doen) horen niet noodzakelijk acht, toelaatbaar i.h.l.v. art. 6 EVRM? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1943 m.b.t motiveringsverplichting ingeval rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt en overweegt dat deze uitgangspunten ook gelden in het geval als i.c., waarin betreffende verklaringen deels t.o.v. opsporingsambtenaren en deels in e.a. in aanwezigheid van de verdediging tegenover RC zijn afgelegd. Deze motiveringsverplichting houdt in dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen, maar niet behoeven, te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin verklaring van getuige steun vindt in andere b.m., alsook de door OM tegen vrijspraak aangevoerde bezwaren en procesopstelling van verdachte. Hof heeft geoordeeld dat noodzaak voor opnieuw (doen) horen van de getuige ontbreekt, omdat deze reeds in e.a. in aanwezigheid van de verdediging door RC is gehoord. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de steun die de verklaringen vinden in andere b.m. en mede in aanmerking genomen dat door de verdediging niet concreet is aangegeven waarover de getuige nader zou moeten worden bevraagd. Het niet opnieuw (doen) horen van de getuige staat, ook i.h.l.v. art. 6 EVRM, evenmin in de weg aan gebruik van deze verklaringen voor het bewijs. Met door Hof gegeven motivering dat tegenover politie en RC afgelegde verklaringen van de getuige op belangrijke punten steun vinden in andere b.m. en de verklaringen van verdachte en zijn mededader weerlegging vinden in de overige b.m., heeft Hof immers genoegzaam de redenen opgegeven waarom het, anders dan de Rb, de verklaringen betrouwbaar acht. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02491 en 18/05374.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0021
NJB 2020/364
RvdW 2020/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02390

Datum 28 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 mei 2018, nummer 23/001841-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben N. van Schaik en S.D. Groen, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“Deze strafzaak draait om de dood van [slachtoffer] . Zijn zwaar verminkte lichaam werd op 24 februari 2009 aangetroffen in het IJmeer. Het hoofd en onderlichaam van [slachtoffer] waren van de romp gescheiden. Uit forensisch pathologisch onderzoek bleek dat het overlijden kon worden verklaard door zeker twee bij leven opgelopen steekletsels. Politieonderzoek wees uit dat het slachtoffer een Ierse criminele achtergrond had en in Nederland schuil ging onder de identiteit […] . [slachtoffer] ’ laatste tekenen van leven waren op 17 februari 2009, toen hij zijn vriendin naar Schiphol bracht en om 20.15 uur een sms stuurde naar een Iers telefoonnummer. Het hof is er van uitgegaan dat het slachtoffer later die avond in een woning in Rotterdam om het leven is gebracht. Deze woning werd formeel gehuurd door het slachtoffer, maar werd feitelijk bewoond door medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze [medeverdachte 1] heeft, na aanvankelijk te hebben gezwegen, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] aangewezen als verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer] én het wegmaken van diens lijk. Later heeft [medeverdachte 1] bekend ook zelf een rol gespeeld te hebben bij het wegmaken van het lichaam. In zijn verklaring geeft [medeverdachte 1] aan dat hij op de avond van 17 februari 2009 met [slachtoffer] , [medeverdachte 2] en de verdachte in de betreffende Rotterdamse woning was. Toen [medeverdachte 1] weg was om drank te halen, werd [slachtoffer] door de verdachte en [medeverdachte 2] om het leven gebracht met messteken. Het lichaam is op een later moment met een kettingzaag in stukken gezaagd en in het water in Amsterdam achtergelaten. Na aanvankelijk door de rechtbank te zijn vrijgesproken van doodslag, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld.”

3 Procesgang

3.1

De verdachte is in eerste aanleg door de Rechtbank bij vonnis van 15 mei 2017 vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde (mede)plegen van moord dan wel doodslag op [slachtoffer] en veroordeeld wegens het in zaak B tenlastegelegde “medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen”.

3.2

De Rechtbank heeft met betrekking tot de vrijspraak van het in zaak A tenlastegelegde, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“De verklaring van [medeverdachte 1] laat (...) te veel vragen onbeantwoord om op grond daarvan de feitelijke toedracht rond de dood van [slachtoffer] te kunnen vaststellen. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de reële mogelijkheid dat [medeverdachte 1] zelf (mede) verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] en dat zijn belastende verklaring jegens [medeverdachte 2] en [verdachte] is ingegeven door het belang zichzelf vrij te pleiten. Uiteindelijk moet het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd buiten elke redelijke twijfel verheven zijn. De verklaring van [medeverdachte 1] legt daartoe simpelweg te weinig gewicht in de schaal.

Hoewel het aannemelijk is dat [medeverdachte 2] en [verdachte] meer weten dan dat zij tot nu toe hebben verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zo veel overtuigend bewijs tegen deze twee verdachten dat, bij gebreke van een dat bewijs ontzenuwende verklaring, het niet anders kan zijn dan dat zij de daders zijn van de moord of doodslag op [slachtoffer] .

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, evenals de medeverdachten, dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en doodslag.”

3.3

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

3.4

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van doodslag op [slachtoffer] (zaak A) en het medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen (zaak B).

4 Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Zaak A

hij op 17 februari 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een mes in de romp gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Zaak B

hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededaders,

- het lijk van [slachtoffer] in stukken gedeeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in plastic, een sprei, een hoeslaken, een dekbedovertrek en een handdoek gewikkeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in een koffer, plastic tassen en vuilniszakken gestopt en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] verplaatst en in de achterbak van een motorvoertuig gelegd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] naar Amsterdam vervoerd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] in het water gelaten”.

4.2

Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A

(...)

Verklaringen verdachten

(...)

De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen houden samengevat het volgende in:

‘ [medeverdachte 2] en [verdachte] werden gezocht door de Ierse politie en zijn daarom naar Nederland gekomen. Voordat ze naar Nederland zijn gekomen kende [medeverdachte 1] [verdachte] wel en [medeverdachte 2] niet. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] telefonisch gevraagd of [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 1] kon verblijven. Daarna is [medeverdachte 2] als eerste naar Nederland gekomen. Enkele dagen later arriveerde [verdachte] . Ze verbleven bij [medeverdachte 1] in het appartement in Rotterdam. Dat appartement was eerder door [slachtoffer] bewoond. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] en [medeverdachte 2] één van zijn telefoons in gebruik gegeven. In het begin van de avond van 17 februari 2009 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf het appartement in Rotterdam naar Amsterdam gegaan en hebben daar de oom en tante van [verdachte] ontmoet met wie ze wat hebben gedronken. Ondertussen werd [medeverdachte 1] gebeld door [slachtoffer] met de vraag wat ze aan het doen waren. Vervolgens is afgesproken dat de drie naar Rotterdam zouden komen en ze [slachtoffer] zouden ontmoeten bij het appartement in Rotterdam om daar wat te drinken en computerspelletjes te spelen.

Kort na aankomst in het appartement in Rotterdam is [medeverdachte 1] weggegaan om drank te kopen. Ongeveer twintig à vijfentwintig minuten later kwam hij terug en trof hij [verdachte] huilend aan de keukentafel aan. [verdachte] vertelde [medeverdachte 1] dat er ruzie was ontstaan tussen hem en [slachtoffer] . [slachtoffer] zou hem hebben gepest met zijn vriendin, waarop [verdachte] tegen [slachtoffer] had gezegd dat hij tenminste geen kinderporno keek. Dit was een verwijzing naar de kinderporno die bij een eerdere aanhouding van [slachtoffer] op zijn computer zou zijn aangetroffen.

[verdachte] vertelde [medeverdachte 1] dat [slachtoffer] toen heel boos werd en hij een mes pakte waarmee hij [verdachte] heeft aangevallen.

[medeverdachte 2] vulde dit verhaal van [verdachte] als volgt aan. [medeverdachte 2] zag dat [slachtoffer] stak richting [verdachte] . Om [verdachte] te beschermen heeft [medeverdachte 2] ook een mes gepakt en in de rug van [slachtoffer] gestoken. Vervolgens liet [slachtoffer] zijn mes vallen dat is opgepakt door [verdachte] die daarmee [slachtoffer] in de nek stak. [medeverdachte 1] heeft het lichaam van [slachtoffer] zien liggen in de badkamer en het afgedekt met een laken. [medeverdachte 1] heeft een steekwond aan de hals van [slachtoffer] gezien.

Later die avond zijn de drie mannen naar het appartement van [slachtoffer] in Mijdrecht vertrokken in twee auto's: de Audi van [medeverdachte 1] en de door [slachtoffer] gehuurde en bij hem in gebruik zijnde VW Polo. [verdachte] en [medeverdachte 2] hadden onder meer de nog werkende telefoon van [slachtoffer] meegenomen naar Mijdrecht. [medeverdachte 1] wist dat die telefoon nog werkte omdat hij deze in het appartement in Rotterdam bij het lichaam van [slachtoffer] heeft horen overgaan. De volgende dag heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in Rotterdam kon blijven. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben [medeverdachte 1] verteld dat [verdachte] het lichaam met een kettingzaag heeft gedeeld. Het lichaam is vervolgens in de VW Polo gelegd. Die werd geparkeerd in Mijdrecht.

Op 23 februari 2009 zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het appartement in Rotterdam gegaan. Ze hebben het schoongemaakt en daarna hebben ze enkele spullen van [slachtoffer] meegenomen en verkocht aan een autohandelaar. Vervolgens is het drietal teruggegaan naar Mijdrecht. In de late avond zijn ze met twee auto’s naar Amsterdam gereden. [verdachte] en [medeverdachte 2] reden in de VW Polo en zij hebben het lichaam in het water achtergelaten. [medeverdachte 1] zelf stond op de uitkijk en moest de anderen waarschuwen als er politie aankwam. Daarna is de VW Polo door [medeverdachte 2] en [verdachte] ergens geparkeerd in de buurt van een station, zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] bij [medeverdachte 1] in de Audi gestapt en zijn ze met elkaar naar Calais, Frankrijk gereden.

Daar zijn de drie mannen in de nacht van 23 op 24 februari 2009 op een ferry naar Engeland gestapt.’

[medeverdachte 1] heeft aan de recherche de plek aangewezen waar de lichaamsdelen te water zijn gelaten. Voor de recherche waren deze verklaringen van [medeverdachte 1] aanleiding [medeverdachte 2] en [verdachte] als verdachten aan te merken.

(...)

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]

Doorslaggevend technisch bewijs is in deze zaak niet voorhanden. Het komt voornamelijk aan op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen en de geloofwaardigheid van (de verklaringen van) [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij geldt ten aanzien van de voor [medeverdachte 2] en [verdachte] belastende verklaringen van [medeverdachte 1] , inhoudende dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] , dat hij deze pas heeft afgelegd nadat hij van de tot dan toe bekende bevindingen van de Nederlandse politie op de hoogte was gekomen. Om die reden dient terughoudend te worden omgegaan met die verklaringen en moet worden bezien of deze in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. In dat licht is het volgende van belang.

Gebruik telefoonnummers

Van [medeverdachte 1] kan worden vastgesteld dat hij in de periode waarin hij in Nederland verbleef gebruik maakte van een aantal telefoonnummers. Daarvan waren de nummers [0002] (hierna: [0002] ) en [0001] (hierna: [0001] ) intensief in gebruik in de maand februari 2009. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 2] en [verdachte] een telefoon heeft uitgeleend waarover beide verdachten volledig de beschikking hadden. [medeverdachte 1] kan zich het bijbehorende telefoonnummer niet meer herinneren. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] heeft verklaard dat zij wel eens een telefoon van [medeverdachte 1] hebben gebruikt. Het hof komt met de rechtbank tot de conclusie dat dit moet gaan om het nummer [0002] . De simkaart met dit 06-nummer is van 28 januari 2009 tot en met 24 februari 2009 geplaatst geweest in hetzelfde toestel, met IMEI-nummer […] . Uit de vluchtgegevens van Air Lingus/KLM blijkt dat [medeverdachte 2] op 7 februari 2009 van Dublin naar Schiphol is gevlogen. Daar werd hij opgehaald door [medeverdachte 1] . Diezelfde avond laat (8 februari 2009 om 00.19 uur) belde [0002] uit naar het Ierse nummer [0003] (hierna: [0003] ). Dat nummer is Van [betrokkene 1] , destijds de (ex)vriendin van [medeverdachte 2] . In de periode daarna is tussen beide nummers meer dan 200 maal sms- en belcontact, onder meer in de middag en avond van 17 februari en in de nacht en ochtend van 18 februari 2009. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [0003] destijds waarschijnlijk haar nummer was omdat zij zich de laatste vier cijfers kan herinneren en dat zij in die periode maar met één persoon die in het buitenland verbleef telefonisch contact had, te weten [medeverdachte 2] .

Het hof concludeert dat [medeverdachte 2] vrijwel onmiddellijk na aankomst in Nederland op 7 februari 2009 de beschikking heeft gekregen over de telefoon waarin sinds 28 januari 2009 een simkaart met het telefoonnummer [0002] was geplaatst. Deze gevolgtrekking ondersteunt de verklaringen van [medeverdachte 1] .

Ook [verdachte] heeft van deze telefoon gebruik gemaakt. De tante van [verdachte] , [betrokkene 4] , belde op 17 februari 2009 om 11.39 uur met het Ierse nummer [0004] naar hetzelfde nummer [0002] om met haar neef in Amsterdam af te spreken. Later die dag en de volgende nacht hebben zij met dezelfde nummers vaker contact met elkaar gehad. [verdachte] heeft verklaard dat zijn tante hem gebeld heeft op het nummer waarmee hij, [verdachte] , eerder naar zijn vader had gebeld en dat hij die telefoon van [medeverdachte 1] in gebruik had gekregen.

Hoewel [medeverdachte 2] en [verdachte] stellen zich niet meer te kunnen herinneren dat zij deze verschillende telefoongesprekken of -berichten hebben gevoerd of uitgewisseld, staat dat voor het hof op grond van het voorgaande vast, mede gelet op de momenten dat die contacten werden gelegd en omdat de belcontacten niet zelden meerdere seconden besloegen. De conclusie is dan ook dat deze telefoon in de periode 17 tot 24 februari 2009 door beiden, en met name door [medeverdachte 2] , werd gebruikt. Van het nummer [0001] (hierna: [0001] ) stelt het hof vast dat dit nummer in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Eveneens staat vast dat [slachtoffer] de gebruiker was van telefoonnummer [0005] (hierna: [0005] ). Met dit telefoonnummer, dat zich op dat moment bevindt in de nabijheid van het appartement in Rotterdam, werd op 17 februari 2009 om 20.15 uur een laatste uitgaande beweging gemaakt (sms-bericht). De zendmast die dan aangestraald wordt, staat aan de [b-straat 1] te Rotterdam, op circa 255 meter afstand van het appartement aan de [a-straat 1] in Rotterdam.

Aanwezigheid plaats delict

Op basis van de gedetailleerde peilgegevens van de nummers [0002] en [0001] komt het hof tot de conclusie dat de gebruikers daarvan, zijnde respectievelijk [medeverdachte 2] en [verdachte] ( [0002] ) en [medeverdachte 1] ( [0001] ), in de avond van 17 februari 2009 uitpeilen op een zendmast aan de [b-straat 1] in Rotterdam, welke locatie zoals vermeld is gelegen in de omgeving van het appartement aan de [a-straat 1] te Rotterdam waar [slachtoffer] om het leven is gebracht. Deze peilgegevens bevestigen de verklaring van [medeverdachte 1] dat zij na het bezoek aan de tante van [verdachte] in Amsterdam die avond alle drie naar het appartement in Rotterdam zijn gegaan. De peilgegevens bevestigen eveneens dat de drie mannen in de late avond/nacht daarna naar het appartement in Mijdrecht zijn gereden en dat zij onderweg niet bij elkaar in één auto zaten; tussen de beide nummers is onderweg naar Mijdrecht contact geweest, hetgeen bevestigt dat men met twee auto’s (de Audi van [medeverdachte 1] en de VW Polo van [slachtoffer] ) heeft gereden, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, en weerspreekt dat men gedrieën in één auto reed, zoals [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , inhoudende dat beiden, direct na het bezoek aan [verdachte] ’s tante en oom in Amsterdam, door [medeverdachte 1] zijn afgezet bij een stripclub in Rotterdam zijn niet aannemelijk gelet op diezelfde peilgegevens. Daaruit volgt immers dat de telefoon met nummer [0002] , in gebruik bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , wel degelijk vanaf ongeveer 20.30 uur dezelfde zendmast aanstraalt als de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde telefoon, terwijl van laatstgenoemde is vastgesteld dat hij via die zendmast om 20.15 uur een laatste teken van leven (een uitgaande sms) gaf voordat hij in het appartement is gedood. Het door [verdachte] en [medeverdachte 2] genoemde bezoek aan een stripclub is niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat die avond rond 22:07 uur telefooncontacten van respectievelijk 7 en 133 seconden hebben plaatsgevonden tussen het nummer [0002] ( [medeverdachte 2] ) en het nummer van diens ex-vriendin [betrokkene 1] . De peillocatie van de [0002] is dan respectievelijk Rotterdam en Delft. Ook dit weerspreekt een urenlang verblijf in een stripclub die avond.

Om 08.01 uur op 18 februari 2009, toen de drie verdachten de nacht hadden doorgebracht in het appartement in Mijdrecht, is met het telefoonnummer van [slachtoffer] [0005] , dat op dat moment aanstraalde op een zendmast daar in de buurt, ruim zeven minuten gebeld naar het nummer van [betrokkene 1] . Vanaf diezelfde locatie belt [0005] binnen een uur daarna driemaal een tot vijf minuten met het Ierse telefoonnummer eindigend op [0006] en zendt daaraan ook een sms-bericht. Dat Ierse nummer [0006] was toentertijd op naam gesteld van [betrokkene 2] , net als [betrokkene 1] een ex-vriendin van [medeverdachte 2] . Ten slotte belt [0005] op 18 februari 2009 om 08.57 (30 seconden) en 08.58 uur (7 seconden) met twee andere Ierse nummers, toebehorende aan de gebroeders […] . [betrokkene 3] verklaart dat hij een bekende is van [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft voor deze telefonische contacten geen plausibele verklaring gegeven. Het hof stelt dan ook vast dat deze door [medeverdachte 2] zijn verricht.

Zo stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] vóór de dood van [slachtoffer] zeer frequent telefonisch of sms-contact met [betrokkene 1] had, terwijl hij daarbij het nummer [0002] gebruikte. Daags na de dood van [slachtoffer] belde [medeverdachte 2] in korte tijd viermaal minutenlang met zijn ex-vriendinnen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , gebruikmakend van de telefoon van de dan al gedode [slachtoffer] . Deze vaststelling bevestigt voorts de verklaring van [medeverdachte 1] omtrent het meenemen van de nog werkende telefoon van [slachtoffer] naar Mijdrecht door [verdachte] en [medeverdachte 2] .

De nummers [0002] en [0001] peilden op 23 februari 2009, in de late avond, uit nabij de locatie waar het lichaam van [slachtoffer] is achtergelaten. En het nummer [0002] , in gebruik bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , peilde later op diezelfde avond tevens uit in de buurt van de [c-straat] te Amsterdam. In deze straat is de door [slachtoffer] gehuurde VW Polo aangetroffen. De auto heeft vanaf 24 februari 2009 verschillende parkeerboetes gekregen. De verklaring van [verdachte] en [medeverdachte 2] dat zij [medeverdachte 1] die dag ergens in Amsterdam moesten ophalen in zijn Audi, omdat [medeverdachte 1] toen de VW Polo aan iemand moest teruggegeven, acht het hof niet aannemelijk. Deze verklaring hebben zij voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd en is op geen enkele wijze onderbouwd, noch wordt zij ondersteund door resultaten van het opsporingsonderzoek.

Overige onderzoeksresultaten

Niet alleen wordt de verklaring van [medeverdachte 1] betreffende de aanwezigheid van de verdachten op de plaats delict (zowel in Rotterdam als in Amsterdam) bevestigd door de peilgegevens, ook andere onderzoeksbevindingen bevestigen op onderdelen zijn verklaring. Zo worden de reisbewegingen - na de dood van [slachtoffer] - die door [medeverdachte 1] zijn geschetst ondersteund door de telefoonverplaatsingen (van Rotterdam naar Mijdrecht en omgekeerd, van Mijdrecht naar Amsterdam en van Amsterdam naar Frankrijk (Calais), bevestigt getuige [getuige 1] het bezoek van Engelse mannen (in een Audi) aan zijn bedrijf van wie hij elektronische apparatuur heeft gekocht en bevat de stekker van de aangetroffen kettingzaag DNA-materiaal van verdachte. Het verslag van het NFI dat betrekking heeft op deze match met het DNA profiel van verdachte dateert bovendien van 13 mei 2015. Die datum is dus gelegen ver na de eerste voor verdachte en [medeverdachte 2] afgelegde belastende verklaring van [medeverdachte 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij de kettingzaag nooit heeft gezien. Volgens hem kan zijn DNA op de stekker terecht zijn gekomen doordat hij uit dezelfde kast als waarin de kettingzaag lag, een handdoek heeft gepakt, overigens zonder deze kettingzaag te hebben gezien.

Verdachte heeft op 3 oktober 2014 in Ierland verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een kettingzaag in het appartement in Rotterdam heeft gezien. Op dat moment was alleen nog bekend dat er op delen van die zaag bloed en DNA van [slachtoffer] was aangetroffen. Tijdens het politieverhoor in Nederland op 1 december 2015 is hem voorgehouden dat DNA afkomstig van verdachte op de zaag is aangetroffen en is hem gevraagd hoe dat kan. Verdachte heeft op zowel deze vraag als op overige vragen niet willen antwoorden.

Tijdens het politieverhoor van 24 mei 2016 heeft verdachte, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

Vraag verbalisanten: Je hebt meerdere keren gezegd dat je geen zaag hebt gezien of hebt aangeraakt. Hoe komt jouw DNA dan op de zaag?

Antwoord verdachte: In mijn verklaring heb ik gezegd dat het mogelijk is dat er DNA op de zaag terecht is gekomen.

Vraag verbalisanten: Wat heb je precies gezegd?

Antwoord verdachte: Ik heb de zaag nooit gezien, dat heb ik gezegd. Maar als er handdoeken liggen zou ik aan de zaag gezeten kunnen hebben.

Verbalisanten: Pagina 36 van de in Ierland afgelegde verklaring bij de rechtbank, het deel over de zaag, wordt voorgelezen. Je zegt dat je je dat niet kan herinneren. Je hebt de foto van de zaag gezien, zoiets zie je niet over het hoofd. Kennelijk heb je er wel wat mee gedaan want je DNA is niet aan komen waaien.

Antwoord verdachte: Het ligt in de kast.

Verbalisanten: Dat zeg je nu, terwijl je hierover al vaker bent bevraagd en nu opeens ligt hij in de kast.

Antwoord verdachte: In de verklaring wordt voorgehouden dat hij in de kast lag, alleen heb ik die zaag nooit gezien.

Je hoeft niet iets te zien om het aan te raken. Ik kan er gewoon geen antwoord op geven. Ik heb die zaag nooit gezien.

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 6 april 2017 heeft verdachte verklaard:

Misschien is mijn DNA-spoor op die kettingzaag terecht gekomen toen ik een handdoek uit diezelfde kast wilde halen waarbij ik per ongeluk de stekker van de zaag heb aangeraakt. Dat is de enige verklaring die ik daarvoor heb. Ik heb de kettingzaag nooit gezien.

Het rapport van het NFI waarin is opgenomen dat het DNA-profiel van verdachte matcht met het DNA- mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering van de stekker van de kettingzaag dateert van 13 mei 2015. Verdachte heeft daarover tijdens zijn verhoor op 1 december 2015 in Nederland niets willen verklaren. Een jaar later, op 24 mei 2016, heeft hij niet verklaard dat er handdoeken in de kast lagen maar alleen dat als deze er lagen, hij aan de zaag gezeten kan hebben. Op 6 april 2017, bijna 2 jaar later, heeft verdachte verklaard hoe zijn DNA-spoor misschien op de kettingzaag terecht is gekomen. Het hof vindt deze verklaring voor de aanwezigheid van het DNA-materiaal van verdachte volstrekt onaannemelijk, gelet op de omvang van de aangetroffen kettingzaag, de plaats waar deze is aangetroffen en het moment waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd.

Er zijn sporen van [slachtoffer] op de kettingzaag aangetroffen. Ook zijn er op de kettingzaag sporen van textiel aangetroffen die overeenkomen met de stoffen waarin de lichaamsdelen van [slachtoffer] waren gewikkeld. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat de laatste het lichaam van [slachtoffer] met een kettingzaag heeft gedeeld en dat die kettingzaag na de dood van [slachtoffer] met dat doel is aangeschaft. Die verklaring van [medeverdachte 1] wordt (deels) ondersteund door de aangetroffen sporen, alsmede door de vaststelling van de patholoog-anatoom dat het botletsel van [slachtoffer] op de plaatsen waar diens lichaam is gedeeld, past bij zaagsneden.

Gelet op dit alles kan het niet anders dan dat de aangetroffen kettingzaag is gebruikt bij het in stukken delen van het lichaam van [slachtoffer] , bij welke gelegenheid verdachte zijn DNA op de stekker heeft achtergelaten. Bovendien maakt het aantreffen van DNA van zowel [slachtoffer] als verdachte op deze kettingzaag volstrekt onaannemelijk en zelfs ongeloofwaardig dat de laatste, zoals hij steeds heeft verklaard, [slachtoffer] nooit heeft ontmoet noch iets met diens dood, diens stoffelijk overschot of het wegmaken daarvan te maken heeft gehad.

De verklaringen van [medeverdachte 1] dat [verdachte] en [medeverdachte 2] verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] worden, zoals hiervoor uiteengezet, op vele belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] daarentegen, vinden in overige bewijsmiddelen juist weerlegging.

Voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij het appartement in Rotterdam in de avond van 17 februari 2009 ongeveer 20 à 25 minuten heeft verlaten om drank en sigaretten te kopen, om bij terugkomst [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de zieltogende [slachtoffer] aan te treffen is geen objectieve bevestiging gevonden. Van de telefoon die [medeverdachte 1] destijds in gebruik had ( [0001] ) zijn tussen 19.10 uur en 23.40 uur op 17 februari 2009 geen locatiegegevens bekend. Dit zou kunnen betekenen dat [medeverdachte 1] ’s telefoon gedurende deze periode niet ingeschakeld is geweest, maar het kan ook betekenen dat hij toen eenvoudigweg niet gebeld heeft of is. Het ontbreken van peilgegevens levert dan ook noch een ontkrachting noch een ondersteuning op voor de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt. Het hof verbindt aan het gebrek aan steun voor dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 1] dan ook niet de gevolgtrekking dat daarmee de verklaring in haar geheel onbetrouwbaar is.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd, die zoals hiervoor overwogen op belangrijke punten ondersteuning vinden in andere objectieve bewijsmiddelen, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Het hof zal om die reden deze voor de verdachten belastende verklaringen bezigen tot het bewijs.

De door [medeverdachte 2] en [verdachte] afgelegde verklaringen omtrent hun afwezigheid in het appartement in Rotterdam die avond, overtuigen bepaald niet. De telefoon die bij [medeverdachte 2] en [verdachte] in gebruik was ( [0002] ), bevond zich op 17 februari 2009 vanaf ongeveer 20.29 uur tot ongeveer 01.24 uur (op 18 februari 2009), met uitzondering van de tijdsperioden tussen 21.59 en 22.31 (32 minuten), tussen 22.37 en 22.58 (21 minuten) en tussen 23.50 en 00.53 uur (op 18 februari 2009, 63 minuten), steeds in of nabij het appartement in Rotterdam. In die tijdsspannen is via nummer [0002] telefonisch contact geweest met [betrokkene 1] en met [betrokkene 4] , verdachte’s tante. Dit alles maakt volstrekt onaannemelijk dat [verdachte] en [medeverdachte 2] , zoals zij hebben verklaard, niet alleen niet meer bij dat appartement zijn geweest na terugkomst van de ontmoeting met verdachte’s tante in Amsterdam, maar ook dat zij gezamenlijk uren in een stripclub elders in Rotterdam hebben doorgebracht.

Het hof acht op grond van al het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte 2] zich op 17 februari 2009 te Rotterdam samen schuldig hebben gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] . [slachtoffer] is daarbij meermalen met een mes in de rug gestoken en ter hoogte van de hals gestoken en hij heeft (afweer)letsels opgelopen aan de binnenzijde van de linkerhand. Ten aanzien van de steekwond die [medeverdachte 1] stelt te hebben gezien ter hoogte van [slachtoffer] ’ hals merkt het hof nog op dat de sectiebevindingen deze geenszins uitsluiten, gelet op het gegeven dat de romp en het hoofd ten tijde van de sectie van elkaar gescheiden waren en de hals zich in het klievingsvlak bevond.

(...)

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B

Voor het hof staat vast dat verdachte samen met de medeverdachten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met een kettingzaag in stukken heeft gedeeld, het in de auto heeft vervoerd naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam en het daar heeft weggemaakt in het IJ-meer, zodat het in zaak B tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Hiervoor is het volgende van belang.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het lichaam van [slachtoffer] door verdachte met een kettingzaag in stukken is gedeeld en op enig moment daarna naar Mijdrecht en uiteindelijk naar Amsterdam is vervoerd door [medeverdachte 2] en [verdachte] in de VW Polo. [medeverdachte 1] reed achter de beide mannen aan in de Audi. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben het lichaam van [slachtoffer] in het water gelaten. [medeverdachte 1] stond op de uitkijk. Daarna hebben ze de VW Polo geparkeerd en zijn ze met z’n drieën in de Audi naar Frankrijk gereden.

Deze verklaring van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de peilgegevens van de bij de verdachten in gebruik zijnde telefoons en de - op grond daarvan vast te stellen - onderlinge, telefonische contacten en telefoonverplaatsingen. Dat maakt dit onderdeel van zijn verklaring betrouwbaar. Hierbij weegt mee dat [medeverdachte 1] heeft erkend bij dit feit betrokken te zijn geweest.

De nummers [0001] en [0002] peilden op 23 februari 2009 tussen 23:17 uur en 23:46 uur uit in de omgeving van de [d-straat] en de [e-straat] te Amsterdam. Het nummer [0002] belde tussen die tijdstippen drie maal naar het nummer [0001] . Het nummer [0002] peilde vervolgens om 23.52 uur uit in de omgeving waar de VW Polo is achtergelaten. Direct daarna verplaatste het nummer zich in de richting van België/Frankrijk. Daaruit leidt het hof af dat degenen die de telefoons met de nummers [0001] en [0002] in hun bezit hadden op het moment dat ze richting Frankrijk reden, dezelfde personen waren als degenen die de telefoons op de [d-straat] en de [e-straat] in hun bezit hadden, namelijk [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Dat strookt ook met de bewegingen van die telefoons eerder op de avond, te weten van Mijdrecht, waar de verdachten met z’n drieën verbleven, naar Amsterdam.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] alle drie op 23 februari 2009 tussen 23.17 uur en 23.46 uur aanwezig waren op de plaats waar het lichaam van [slachtoffer] is weggemaakt.

Daaraan is, zoals reeds bij de bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A is overwogen, het volgende voorafgegaan. [slachtoffer] is zes dagen eerder, op 17 februari 2009, door [medeverdachte 2] en [verdachte] om het leven gebracht in het appartement in Rotterdam. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in het appartement Rotterdam kon blijven. In de dagen tussen 17 februari 2009 en 24 februari 2009 zijn de verdachten vervolgens vaak bij elkaar geweest. Ze zijn gezamenlijk naar Rotterdam gegaan om het appartement in Rotterdam schoon te maken en om spullen van [slachtoffer] te verkopen en ze hebben met elkaar het lichaam van [slachtoffer] verbórgen gehouden en weggemaakt.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten in de periode van 17 tot en met 23 februari 2009 erop gericht waren gezamenlijk het lichaam van [slachtoffer] te verbergen, weg te voeren en weg te maken, dit alles met het oogmerk om het overlijden van [slachtoffer] en/of de gewelddadige doodsoorzaak te verhelen en om aan strafvervolging te ontkomen. Het hof overweegt daarbij dat alle drie de verdachten bewust niet de autoriteiten hebben ingelicht en daarmee het door artikel 151 Sr beschermde belang hebben geschonden.”

5 Beoordeling van het eerste middel

5.1

Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte de verklaringen van [medeverdachte 1] tot het bewijs heeft gebezigd, nu het Hof in strijd met art. 6 EVRM [medeverdachte 1] niet – naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de verdediging dan wel ambtshalve – ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft gehoord.

5.2.1

De door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 1] houden, kort gezegd, in dat de verdachte en [medeverdachte 2] in een appartement in Rotterdam aanwezig waren op het tijdstip in de avond van 17 februari 2009, dat aldaar [slachtoffer] om het leven is gebracht, en dat zij voor diens dood verantwoordelijk zijn.

5.2.2

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 en 6 april en 7 mei 2018 hebben de raadslieden van de verdachte aldaar, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

- overeenkomstig de aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen:

“19. De verdediging volgt verder ook de lijn van de rechtbank daar waar het gaat om de ontzenuwende verklaring: 'is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zoveel overtuigend bewijs tegen deze twee verdachten dat bij gebreke van een dat bewijs ontzenuwende verklaring het niet anders kan zijn dat...’

20. (...) Volgt u de lijn van de Rechtbank niet, maar de lijn van het OM, dan zal de verdediging U meer subsidiair verzoeken de zaak aan te houden zodat cliënt naar Nederland kan afreizen en Uw Hof vragen aan hem kan stellen. Ook verzoekt de verdediging in dat geval [medeverdachte 2] als getuige te horen. Datzelfde geldt voor [medeverdachte 1] nu het HB is ingetrokken.

(...)

Meer subsidiair; voorwaardelijk verzoek

(...)

161. Als Uw Hof niet de lijn van de rechtbank volgt, dan is dat nieuw voor de verdediging. In dat geval verzoek ik U meer subsidiair dat de zaak wordt aangehouden: om cliënt te horen. Maar medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De situatie van laatstgenoemde is anders nu zijn zaak t.a.v. dit feit onherroepelijk is.

162. We zullen indien uw Hof het voorwaardelijk verzoek zal toewijzen naar alle opties dienen te kijken om het horen van cliënt en medeverdachten mogelijk te maken.”

- in aanvulling op die pleitaantekeningen:

“Ik verzoek ook om de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te horen.

(...)

Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek om medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te horen wijs ik het Hof erop dat de vrijspraak van het in zijn zaak onder A ten laste gelegde inmiddels onherroepelijk is.”

5.2.3

De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

“Voorwaardelijke (getuigen)verzoeken verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de zaak aan te houden om de verdachte te horen en om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige te (doen) horen, indien het hof van oordeel is dat er tegen verdachte bewijs voorligt dat een ontzenuwende verklaring van hem verlangt. Ten aanzien van het verzoek tot het (doen) horen van [medeverdachte 1] heeft de raadsman betoogd dat diens situatie nu anders is, omdat hij onherroepelijk is vrijgesproken voor de moord/doodslag op [slachtoffer] en hem op dat punt geen beroep op zijn verschoningsrecht toekomt.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen ten aanzien van de rol van verdachte hiervoor is overwogen, is aan de voorwaarde van de verzoeken voldaan.

Het hof is van oordeel dat de verzoeken door de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd.

Het moment waarop de raadsman de getuigenverzoeken heeft gedaan maakt bovendien dat het hof deze beoordeelt aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Voor het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige geldt daarbij dat hij reeds door de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging, is gehoord. Het hof acht het niet noodzakelijk dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuige worden gehoord. De onherroepelijkheid in de zaak van [medeverdachte 1] doet daaraan niet af. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.”

5.3

Het middel klaagt allereerst over het oordeel van het Hof dat het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 1] opnieuw te (doen) horen, ontoereikend is onderbouwd. Die klacht behoeft echter geen bespreking, omdat het Hof de afwijzing van het verzoek tot het opnieuw horen van [medeverdachte 1] niet uitsluitend op die grond heeft doen rusten. Het Hof heeft die afwijzing tevens doen steunen op de – in het licht van art. 315, eerste lid, Sv zelfstandig dragende – grond dat het opnieuw (doen) horen van [medeverdachte 1] niet noodzakelijk is. Voor zover het middel zich keert tegen het oordeel van het Hof dat deze noodzaak ontbreekt, leent het zich voor gezamenlijke bespreking met de in het middel aangevoerde klacht over het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs.

5.4.1

In zijn arrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“In een geval (...) dat zich kenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, dient de rechter in hoger beroep, indien hij die verklaring wel voor het bewijs gebruikt, ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. In het bijzonder moet de rechter in hoger beroep vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, alsook de door het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak aangevoerde bezwaren en de procesopstelling van de verdachte.”

5.4.2

Deze uitgangspunten gelden ook in een geval als het onderhavige, waarin de desbetreffende verklaringen – die de Rechtbank niet betrouwbaar heeft geacht – deels ten overstaan van opsporingsambtenaren en deels in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging tegenover de Rechter-Commissaris zijn afgelegd.

5.5.1

Het Hof heeft bij de bewijswaardering tot uitgangspunt genomen dat terughoudend dient te worden omgegaan met de verklaringen van [medeverdachte 1] en dat deze moeten worden bezien in samenhang met andere bewijsmiddelen. Het Hof heeft in dat verband uitvoerig gemotiveerd dat en waarom het de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar acht. Het Hof heeft daarbij acht geslagen op de steun die voor de verklaringen van [medeverdachte 1] kan worden gevonden in objectieve bevindingen die uit andere bewijsmiddelen blijken, in het bijzonder wat betreft de telefoonnummers die bij de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] in gebruik zijn geweest – waaronder ook het telefoonnummer van [slachtoffer] – in de periode van kort voor tot kort na het bewezenverklaarde, de met betrekking tot deze telefoonnummers beschikbare zendmast- en peilgegevens alsmede de sms- en belcontacten die met die telefoonnummers hebben plaatsgevonden. Die bevindingen bevestigen, zo heeft het Hof vastgesteld, de aanwezigheid van de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] op de plaats van het delict alsook de reisbewegingen zoals deze in de verklaringen van [medeverdachte 1] naar voren komen. Voorts heeft het Hof in de bewijsvoering betrokken dat DNA-materiaal van de verdachte is aantroffen op de stekker van de kettingzaag die is gebruikt bij het in stukken delen van het lichaam van [slachtoffer] . Daarbij heeft het Hof overwogen dat de verklaring van de verdachte dat hij de stekker van de kettingzaag per ongeluk heeft aangeraakt en dat hij, anders dan door [medeverdachte 1] is verklaard, niets te maken heeft gehad met (het wegmaken van) het stoffelijke overschot van [slachtoffer] , niet aannemelijk is geworden. Mede aan de hand van de hiervoor genoemde telecommunicatiegegevens heeft het Hof voorts geoordeeld dat de ontkennende verklaringen van de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] – onder meer inhoudende dat zij de desbetreffende avond elders in Rotterdam een stripclub hebben bezocht en gedurende die avond niet in dat appartement zijn geweest – weerlegging vinden in de bewijsmiddelen. Tot slot heeft het Hof vastgesteld dat voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij het appartement in Rotterdam in de avond van 17 februari 2009 ongeveer 20 à 25 minuten heeft verlaten om drank en sigaretten te kopen, geen objectieve bevestiging kan worden gevonden. Het Hof heeft daaromtrent overwogen dat de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt wordt ontkracht noch bevestigd door peilgegevens.

Op grond van al wat hiervoor is weergegeven heeft het Hof, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, geoordeeld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] dat de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] , op belangrijke punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen en dat de verklaringen van de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] in de overige bewijsmiddelen weerlegging vinden.

5.5.2

Het Hof heeft geoordeeld dat de noodzaak voor het opnieuw (doen) horen van [medeverdachte 1] als getuige ontbreekt, omdat [medeverdachte 1] reeds in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging door de Rechter-Commissaris is gehoord. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de steun die de verklaringen van [medeverdachte 1] vinden in andere bewijsmiddelen, mede in aanmerking genomen dat door de verdediging niet concreet is aangegeven waarover [medeverdachte 1] nader zou moeten worden bevraagd. Het niet opnieuw (doen) horen van [medeverdachte 1] als getuige staat, ook in het licht van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, evenmin in de weg aan het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs door het Hof. Met de onder 5.5.1 weergegeven motivering van het Hof dat de tegenover de politie en de Rechter-Commissaris afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] steun vinden in andere bewijsmiddelen en de verklaringen van de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] worden weerlegd in de overige bewijsmiddelen, heeft het Hof immers genoegzaam de redenen als bedoeld onder 5.4.1 opgegeven waarom het, anders dan de Rechtbank, de verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar acht.

5.6

Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

6 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.