Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:587

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
19/00250
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:3707, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1274, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Is sprake van een ontoelaatbare wijziging van partijhoedanigheid indien stichting eerst optreedt als vertegenwoordiger van slachtoffers en na eiswijziging in hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW? Bijzondere omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0267
NJB 2020/971
RvdW 2020/491
JOR 2020/136 met annotatie van Arons, T.M.C.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00250

Datum 3 april 2020

ARREST

In de zaak van

STICHTING UNION DES VICTIMES DE DÉCHETS TOXIQUES D'ABIDJAN ET BANLIEUES,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

hierna: de Stichting,

advocaat: T. van Malssen,

tegen

TRAFIGURA BEHEER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Trafigura,

advocaten: A. Knigge en L.V. van Gardingen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak 13/581973/HA ZA 15-195 van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.211.978/01 van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2017 en 16 oktober 2018.

De Stichting heeft tegen het arrest van het hof van 16 oktober 2018 beroep in cassatie ingesteld.

Trafigura heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor Trafigura toegelicht door haar advocaten en mede door E.J. Teijgeler.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van Trafigura hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 19 augustus 2006 zijn afvalstoffen afkomstig van het zeeschip Probo Koala, dat was gecharterd door Trafigura, illegaal gestort op verschillende locaties in en rondom Abidjan in Ivoorkust.

(ii) De Stichting heeft blijkens haar statuten ten doel de belangen te behartigen van hen die gezondheidsschade hebben geleden en/of zullen lijden en in hun belangen zijn aangetast of dreigen te worden aangetast als gevolg van de storting, en om te verrichten al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.

2.2

In dit geding heeft de Stichting op eigen naam (aangeduid als “de Stichting UVDTAB”) tegen Trafigura een dagvaarding uitgebracht. De vordering in deze dagvaarding luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

“- De Stichting UVDTAB en de slachtoffers die zij vertegenwoordigt en hun eisen ontvankelijk en goed gegrond TE VERKLAREN;

- TE VERKLAREN dat de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de lichamelijke, immateriële en economische schade die zij veroorzaakt heeft voor de eisers en die een gevolg zijn van de onwettige export vanuit Nederland en van het storten in Abidjan van de giftige afvalstoffen vervoerd aan boord van de PROBO KOALA;

- de maatschappij TRAFIGURA BEHEER BV TE VEROORDELEN tot het betalen van de totale som van 277.342.500,00 euro aan de eisers als volledige en definitieve schadeloosstelling, te weten een som van 2.500 euro per slachtoffer;

(…).”

2.3

Vervolgens heeft de advocaat van Trafigura de rechtbank verzocht om een regiezitting, mede in verband met te voeren preliminaire (ontvankelijkheids)verweren. De in dit verband door de advocaat aan de rechtbank gezonden brief luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

“(...)

1. Ontvankelijkheid UVDTAB

1.1.

De dagvaarding geeft aanleiding te concluderen dat UVDTAB niet ontvankelijk is in haar vordering.

1.2.

UVDTAB stelt schadevergoeding te vorderen namens een grote achterban (110.937 personen) zonder dat deze personen zelf partij zijn in de procedure.

UVDTAB beweert volmacht te hebben van deze personen om hen te vertegenwoordigen in het kader van deze procedure. De vordering zoals die door UVDTAB is ingesteld is onverenigbaar met art. 3:305a BW, terwijl ook overigens niet blijkt dat UVDTAB ontvankelijk is in haar vordering.

1.3.

UVDTAB heeft als productie 1 bij de dagvaarding een lijst overgelegd met daarop vermeld de namen van personen die haar beweerdelijk een volmacht hebben gegeven. Uit de genoemde lijst blijkt niet dat de daarin genoemde personen UVDTAB volmacht hebben gegeven om op eigen naam ten behoeve van hen in deze procedure schadevergoeding te vorderen.
(...)
1.6. Dat allesbehalve duidelijk is in hoeverre UVDTAB enig mandaat heeft (en niet blindelings op haar stellingen kan worden vertrouwd), blijkt ook uit de omstandigheid dat UVDTAB in de vorig jaar gevoerde deelgeschilprocedure nog een andere insteek koos ten aanzien van haar (vermeende) achterban.
(...)

1.9.

Trafigura ziet het voorafgaande ook als een indicatie voor een gebrekkige governance van UVDTAB, waardoor de belangen van de (vermeend) vertegenwoordigde personen onvoldoende gewaarborgd zijn. Illustratief is dat UVDTAB in vrijwel geen enkel opzicht voldoet aan de Claimcode. Voor zover Trafigura kan nagaan, schendt UVDTAB zelfs (vrijwel) alle principes.
(...)

3. Overige voorvragen

3.1.

Daarnaast spelen nog enkele andere aspecten die behandeling behoeven voordat het dienstig is de complexe feitelijke behandeling ter hand te nemen. Trafigura wijst in dit verband (niet uitputtend) op het volgende:
(...)

b. UVDTAB heeft een vordering ingesteld namens gelijksoortige belangen van andere personen ex. artikel 3:305a BW. Op grond van lid 3 van voornoemd artikel kan UVDTAB geen schadevergoeding te voldoen in geld vorderen van Trafigura. (...).”

2.4

Daarna heeft de Stichting, voorafgaande aan de te houden regiezitting, bij akte haar eis gewijzigd in die zin dat zij, voor zover in cassatie van belang, primair vordert op de voet van art. 3:305a (oud) BW voor recht te verklaren dat Trafigura onrechtmatig handelt en heeft gehandeld jegens slachtoffers van de giframp met de Probo Koala en aansprakelijk is voor hierdoor veroorzaakte schade, en subsidiair vordert op grond van de daartoe aan de Stichting verstrekte volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming, voor recht te verklaren dat Trafigura jegens de huidige en toekomstige deelnemers van de Stichting aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden, met veroordeling van Trafigura deze schade te vergoeden.

2.5

De rechtbank heeft de Stichting niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat ten aanzien van het primair gevorderde niet voldaan is aan het in de slotzin van art. 3:305a lid 2 (oud) BW opgenomen vereiste dat met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld, voldoende zijn gewaarborgd, en dat het subsidiair gevorderde neerkomt op een verkapte collectieve actie.1

2.6

In hoger beroep heeft de Stichting haar subsidiaire vorderingen (zie hiervoor in 2.4) ingetrokken.

Het hof heeft de Stichting niet-ontvankelijk verklaard.2 Het heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

De vraag in welke hoedanigheid een eisende partij optreedt, vergt uitleg van het exploot waarmee de desbetreffende instantie wordt ingeleid. In verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij moeten strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van degene op wiens verzoek het wordt uitgebracht. Een wijziging van eis waarbij een door eiser in een bepaalde hoedanigheid ingestelde vordering een door eiser voor zichzelf ingestelde vordering (of omgekeerd) wordt, is niets anders dan een verandering in de persoon van de formele procespartij, hetgeen ongeoorloofd is. (rov. 3.12)

Het komt er bij de uitleg op aan hoe Trafigura de inleidende dagvaarding heeft opgevat en redelijkerwijs heeft mogen opvatten, voordat zij de akte wijziging van eis kende. Uit de inleidende dagvaarding wordt niet duidelijk dat de Stichting optreedt in de hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a BW. Dat artikel wordt niet genoemd en er zijn duidelijke aanwijzingen dat de Stichting niet als zodanig optreedt. Zij verwijst immers naar volmachten, die voor een claimstichting irrelevant zijn, en zij vordert mede schadevergoeding, hetgeen op basis van de wet voor een claimstichting als bedoeld in art. 3:305a BW niet mogelijk is. Dat het woord volmacht berust op een vertaalfout, zoals de Stichting thans stelt, was voor Trafigura uit de tekst niet kenbaar. Dat betekent dat Trafigura het exploot in redelijkheid zo mocht opvatten dat de Stichting de inleidende dagvaarding in haar hoedanigheid van (directe of indirecte) vertegenwoordiger van de slachtoffers, van wie zij volmachten en/of lastgevingen had gekregen, heeft uitgebracht. (rov. 3.15)

Uit de brief van de advocaat van Trafigura (Hoge Raad: hiervoor in 2.3 weergegeven) volgt weliswaar dat Trafigura er rekening mee hield dat de Stichting beoogde ook als claimstichting in de zin van art. 3:305a BW vorderingen in te stellen, maar niet dat Trafigura uit de dagvaarding had afgeleid dat de Stichting in deze procedure in de hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a BW optrad. (rov. 3.16)

De wijziging van eis is een reactie op (onder meer) die brief. Uit de dagvaarding kan, tegen die achtergrond, in redelijkheid niet anders worden afgeleid dan dat de Stichting de inleidende dagvaarding in haar hoedanigheid van (directe en/of indirecte) vertegenwoordiger van de slachtoffers, van wie zij volmachten en/of lastgevingen had gekregen, heeft uitgebracht en niet als claimstichting in de zin van art. 3:305a BW. (rov. 3.17)

Door middel van wijziging van eis kan de partijhoedanigheid, zoals overwogen in rov. 3.12, niet gewijzigd worden. Het al dan niet schaden van de belangen van Trafigura door deze wijziging is geen factor die daarbij in overweging kan worden genomen. (rov. 3.18)

Uit het voorgaande volgt dat de wijziging van eis door de Stichting, door toevoeging van de primaire vorderingen waarbij de Stichting in een andere hoedanigheid, als claimstichting op grond van art. 3:305a BW, optreedt, niet geoorloofd is en buiten beschouwing gelaten moet worden. (rov. 3.19).

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel I van het middel richt zich tegen de overweging van het hof in rov. 3.12 over de ontoelaatbaarheid van een wijziging van partijhoedanigheid bij wege van eiswijziging en tegen het in rov. 3.15-3.18 besloten liggende oordeel dat in deze zaak sprake is van wijziging van partijhoedanigheid. Een wijziging van “vertegenwoordiger” in claimstichting is een wijziging binnen de gelijkblijvende hoedanigheid van formele procespartij. Er is geen sprake van een partijwisseling maar slechts van een verduidelijking van een reeds genoemde hoedanigheid, althans een verbetering van een kennelijke fout. De toelaatbaarheid daarvan moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf of de wederpartij onredelijk in haar belangen is geschaad, aldus de klacht.

Onderdeel II richt zich tegen de overweging van het hof (in rov. 3.18) dat het al dan niet schaden van de belangen van Trafigura geen factor is die bij de niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking kan worden genomen. Volgens het onderdeel miskent het hof daarmee dat – mede gelet op de deformaliseringstendens – in een geval als dit een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven wanneer de wederpartij door de wijziging van partijhoedanigheid niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Ook rov. 3.12 kan, voor zover daarin de rechtsopvatting besloten ligt dat een verandering in persoon van de formele procespartij per definitie ongeoorloofd is, daarom geen stand houden, aldus de klacht.

3.2

Indien een stichting als vertegenwoordiger van gedupeerden een vordering instelt en vervolgens haar eis aldus wijzigt dat zij een vordering instelt op de voet van art. 3:305a BW, impliceert die eiswijziging – op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.10-4.14 – een wijziging van de hoedanigheid waarin de stichting in het geding optreedt. Dit geldt, op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.15-4.16, ook na de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA).

Het hof heeft dan ook, uitgaande van zijn oordeel dat de Stichting eerst als vertegenwoordiger van slachtoffers is opgetreden en na de wijziging van eis als stichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW, terecht geoordeeld dat sprake is geweest van een wijziging van partijhoedanigheid. In zoverre faalt onderdeel I derhalve.

3.3

Uitgangspunt is dat een partij noch door wijziging van eis, noch anderszins in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld.3 Dit vloeit voort uit de eisen van een goede procesorde.

In dit geval is echter van belang dat de Stichting reeds in een zeer vroeg stadium in de procedure in eerste aanleg haar eis heeft gewijzigd, namelijk nog voordat Trafigura voor antwoord had geconcludeerd en nog voordat een (regie)zitting was gehouden. Verder heeft Trafigura, naar het feitelijke en in cassatie niet bestreden oordeel van het hof, blijkens de brief van haar advocaat (zie hiervoor in 2.3) rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Stichting beoogde ook in de hoedanigheid van claimstichting in de zin van art. 3:305a (oud) BW een vordering in te stellen. Daarnaast moet, nu het hof dat in het midden heeft gelaten, in cassatie veronderstellenderwijs aangenomen worden dat Trafigura door de (door het hof aangenomen) wijziging van partijhoedanigheid van de Stichting niet in haar processuele belangen wordt geschaad.

Indien wordt uitgegaan van de zojuist genoemde bijzondere omstandigheden, is voor toepassing van het hiervoor vermelde uitgangspunt geen plaats. De daarop gerichte klachten van de onderdelen I en II slagen derhalve.

3.4

De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 oktober 2018;

- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Trafigura in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 978,58 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 3 april 2020.

1 Rechtbank Amsterdam 30 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7841.

2 Gerechtshof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3707.

3 Vgl. HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483, rov. 3.13.