Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:575

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/04344
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:37
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:5373, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omkopingsaffaire bij BV, waarbij door toedoen van medeverdachten bij BV netwerk van personen ontstaat die ‘kickbacks’ betalen voor hun aanstelling en deze ook ontvangen als ze andere personen aandragen. Gewoontewitwassen, begaan door rechtspersoon (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Toelaatbare beperking cassatieberoep? 2. Zijn in bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig uit valsheid in geschrift?

Ad 1. Volgens daarvan opgemaakte akte is beroep niet gericht tegen ontslag van alle rechtsvervolging onder 4 gegeven, v.zv. het betrekking heeft op voorhanden hebben en/of verwerven. Aan deze beperking moet echter worden voorbijgegaan. Reden daarvoor is uiteengezet in ECLI:NL:HR:2013:CA1610 (mogelijkheden om cassatieberoep te beperken).

Ad 2. Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van art. 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit misdrijf gepleegd voorafgaand aan in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf. Hof heeft vastgesteld dat verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij BV waren aangebracht en dat zij i.v.m. die ‘bemiddelingsfees’ ook zelf betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van verzwegen omkoping en bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. Bewezenverklaring houdt daarbij in dat verdachte totaalbedrag van circa € 885.559,86 heeft ontvangen van A, B, C, D, E, F en G en dat hij vervolgens van die circa € 885.559,86 diverse gepreciseerde bedragen heeft betaald aan C, F en G, H en I en dat bij ontvangst van geldbedragen en betaling daarvan telkens facturen zijn gebruikt. Blijkens bewijsvoering heeft hof geoordeeld dat in bewezenverklaring vermelde geldbedragen afkomstig waren van valsheid in geschrift. Hierin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat in bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat ontvangst en betaling door verdachte van in bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, van onjuiste rechtsopvatting

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04342 P, 18/04345 P, 18/04967, 18/04968, 18/04971 P, 18/04972 en 18/04974.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0145
RvdW 2020/626
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04344

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2018, nummer 21/003104-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging onder 4 gegeven, voor zover het betrekking heeft op het voorhanden hebben en/of verwerven. Aan deze beperking moet echter worden voorbijgegaan. De reden daarvoor is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

Namens de verdachte hebben A.E. van der Wal en D. Bektesevic, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring van “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” onder 4 genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 4 - verkort weergegeven - bewezenverklaard dat zij in de periode van 10 november 2010 tot en met 12 maart 2013 in Nederland van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van circa € 885.559,86 bestaande uit diverse gepreciseerde bedragen ontvangen van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en vervolgens van die circa € 885.559,86 diverse gepreciseerde bedragen, betaald aan [betrokkene 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] de werkelijke aard heeft verborgen/verhuld en die geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring - deels met overneming van overwegingen van de rechtbank - onder meer het volgende overwogen:

“6.4 Nadere bewijsoverwegingen

(...)

[medeverdachte 8]

is sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van [verdachte] , welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), beiden gevestigd te [vestigingsplaats] .

(...)

[medeverdachte 8] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF (de Hoge Raad begrijpt: SNS Property Finance) (...). [medeverdachte 8] noemt zichzelf interim-manager.

(...)

Introductie externen niveau 2
Nadat hij [medeverdachte 8] had aangenomen is [betrokkene 6] aangenomen bij SNS via [medeverdachte 8] , aldus [betrokkene 1] . Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . [medeverdachte 8] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd. [betrokkene 6] werd als eerste, medio 2010, aangenomen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat een aantal van deze mensen via hem bij SNSPF is gaan werken.

In het bij [medeverdachte 8] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering” zijn werkbladen opgenomen met de namen: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld:

- hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt;

- hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd;

- hoeveel [medeverdachte 8] bij deze medewerker declareerde en

- hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

Volgens [medeverdachte 8] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij. De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt. De facturen die [medeverdachte 8] voor het verkrijgen van deze vergoedingen stuurde voegde hij ook in de administratie van zijn eigen vennootschappen. Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee. (...). Hij heeft [betrokkene 1] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [betrokkene 1] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [medeverdachte 8] ging. [medeverdachte 8] heeft [betrokkene 1] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [betrokkene 6] , was aangenomen.

(...)

6.5

valsheid in geschrift

(...)

De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

(...)

6.6.

Gewoontewitwassen

(...)

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 8] gedurende de ten laste gelegde periode een geldbedrag van in totaal € 885.559,86 (exclusief btw) heeft ontvangen op de rekening van [verdachte] . Verdachte heeft dit bedrag op grond van valsheid in geschrift verkregen. Het hof is daarbij van oordeel dat het opmaken en versturen van de valse facturen om de geldbedragen te verkrijgen het gronddelict is en die facturen zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen.”

2.3

Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.

2.4

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij SNSPF waren aangebracht en dat zij in verband met die ‘bemiddelingsfees’ ook zelf betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. De bewezenverklaring onder 4 houdt daarbij in dat de verdachte een totaalbedrag van circa € 885.559,86 heeft ontvangen van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en vervolgens van die circa € 885.559,86 diverse gepreciseerde bedragen heeft betaald aan [betrokkene 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] .
Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 4 vermelde geldbedragen afkomstig waren van valsheid in geschrift. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de in de bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat de ontvangst en de betaling door de verdachte van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5

De klacht is gegrond.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van de klachten van het tweede cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.