Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:572

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/04339
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:38
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:5175, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omkopingsaffaire bij BV, waarbij door toedoen van medeverdachte A en verdachte bij BV netwerk van personen ontstaat die ‘kickbacks’ betalen voor hun aanstelling en deze ook ontvangen als ze andere personen aandragen. Passieve niet-ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd (art. 328ter.1 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). 1. Toelaatbare beperking cassatieberoep? 2. Uitleg bestanddeel ‘lasthebber’ a.b.i. art. 328ter Sr. 3. Zijn in bewezenverklaring van gewoontewitwassen genoemde geldbedragen afkomstig uit niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift?

Ad 1. Volgens daarvan opgemaakte akte is beroep o.m. niet gericht tegen ontslag van alle rechtsvervolging onder 13 gegeven, v.zv. het betrekking heeft op voorhanden hebben en/of verwerven. Aan deze beperking moet echter worden voorbijgegaan. Reden daarvoor is uiteengezet in ECLI:NL:HR:2013:CA1610 (mogelijkheden om cassatieberoep te beperken).

Ad 2. Opvatting dat voor uitleg van begrip ‘lasthebber’ in art. 328ter Sr uitsluitend art. 7:414 tot en met 7:424 Burgerlijk Wetboek bepalend zijn, is onjuist gelet op wetsgeschiedenis bij art. 328ter Sr, waaruit kan worden afgeleid dat wetgever ruime uitleg van dit begrip heeft beoogd. Volgens bewijsvoering heeft hof vastgesteld dat A door BV i.h.k.v. overeenkomst tot opdracht is aangesteld als directieadviseur en dat hij als externe medewerker werkzaam was op afdeling Restructuring & Recovery van BV. Gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat A in zijn relatie tot BV als lasthebber in de zin van art. 328ter Sr kan worden beschouwd, niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk.

Ad 3. Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van art. 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit misdrijf gepleegd voorafgaand aan in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf. Hof heeft vastgesteld dat verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij BV waren aangebracht en dat hij i.v.m. die ‘bemiddelingsfees’ ook zelf betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van verzwegen omkoping en bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. Bewezenverklaring onder 13 houdt daarbij in dat verdachte totaalbedrag van circa € 1.649.089,70 heeft ontvangen van B, C, D, E, F, G en H en dat hij vervolgens van die circa € 1.649.089,70 diverse gepreciseerde bedragen heeft betaald aan D, G, H, I en A, en dat bij ontvangst van geldbedragen en betaling daarvan telkens facturen zijn gebruikt. Hof heeft geoordeeld dat dit totaalbedrag “met behulp van medeplegen van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift” is verkregen. V.zv. hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, (mede) omdat deze zijn verkregen uit medeplegen van niet-ambtelijke omkoping, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk. Verdachte is immers vrijgesproken van onder 9 tenlastegelegde, dat ziet op passieve niet-ambtelijke omkoping van verdachte door B, C, E, F, G en H. Uit ‘s hofs motivering blijkt ook niet dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn van (medeplegen van) niet-ambtelijke omkoping door verdachte of anderen dan verdachte op andere wijze dan tlgd. V.zv. hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat geldbedragen (mede) afkomstig waren van plegen van valsheid in geschrift, geldt het volgende. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat in bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat ontvangst en betaling door verdachte van in bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, van onjuiste rechtsopvatting.

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/03558, 18/04341, 18/04342 P, 18/04344, 18/04345 P, 18/04967, 18/04968, 18/04971 P, 18/04974 en 18/04972.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0143
NJB 2020/1156
RvdW 2020/601
NJ 2020/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04339

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2018, nummer 21/003061-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep onder meer niet gericht tegen de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging onder 13 gegeven, voor zover het betrekking heeft op het voorhanden hebben en/of verwerven. Aan deze beperking moet echter worden voorbijgegaan. De reden daarvoor is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

Namens de verdachte hebben A.E. van der Wal en D. Bektesevic, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 13 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep van de verdachte voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging opgenomen aan artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ontleende bestanddeel ‘lasthebber’, althans dat het oordeel van het hof daarover onbegrijpelijk is.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 en onder 7 bewezenverklaard dat:

“2 (niveau 1):

hij in de periode van 22 februari 2011 tot en met 4 juni 2012 in Nederland telkens aan iemand, te weten [betrokkene 1] , die anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer), naar aanleiding van hetgeen deze [betrokkene 1] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan en/of zou doen, telkens een belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per gewerkt/te declareren uur aan [betrokkene 1] en/diens bedrij(f)(ven) te betalen en giften, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 142.500,- (exclusief btw) heeft gedaan van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [betrokkene 1] deze beloften en giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover diens lastgever;

(...)

7 (niveau 2):

hij omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 21 mei 2012 in Nederland, en/of op Curaçao, (telkens) aan iemand, te weten [betrokkene 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer), naar aanleiding van hetgeen deze [betrokkene 1] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan en/of zou doen telkens een belofte, om een vast percentage van de door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [betrokkene 3] en [betrokkene 2] aan hem, verdachte, en/of zijn bedrij(f)(ven) te betalen vaste gedeelten/bedragen per gewerkt/te declareren uur, te betalen aan [betrokkene 1] en/of diens bedrij(f)(ven) en giften, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 374.576,50 (exclusief/zonder btw) heeft gedaan van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [betrokkene 1] deze belofte en giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn lastgever.”

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

“7.4 Nadere bewijsoverwegingen

(...)

Op 25 juni 2009 sluiten SNS Property Finance BV (hierna: SNSPF), [M] en [L] , vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , een overeenkomst tot opdracht waarbij [betrokkene 1] wordt aangesteld als directieadviseur. Bij addendum van 27 oktober 2011 is het contract verlengd en [betrokkene 1] aangesteld als “Lid van de Directie, Chief Restructuring Officer” (CRO).

(...)

[betrokkene 1] was als externe medewerker werkzaam op de afdeling Restructuring & Recovery van SNSPF (...).

(...)

7.6.1

Lasthebber

Door de verdediging wordt betoogd dat geen sprake kan zijn van niet ambtelijke omkoping aangezien [betrokkene 1] werkzaam was op een overeenkomst van opdracht en niet in dienstbetrekking noch als lasthebber (als bedoeld in artikel 7:418 BW).

Het hof overweegt allereerst dat voor interpretatie van begrippen in het Wetboek van Strafrecht niet altijd aansluiting hoeft te worden gezocht bij de definities uit het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient juist zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van het betreffende strafbare feit. Daarbij is van belang dat de wetgever het beschermd belang van deze bepaling niet uitsluitend heeft beperkt tot de relatie tussen werkgever en werknemer, maar ook oog had voor de publieke moraal en de openbare orde. Het vertrouwen dat in de werknemer of lasthebber wordt gesteld krijgt meer inhoud naarmate bevoegdheden worden gedelegeerd en de specialisatie binnen de onderneming voortschrijdt.[167]

In de ten laste gelegde periode(n) (16 augustus 2010 tot en met 1 december 2012) gold de tekst van art. 328ter Sr als gewijzigd per 1 april 2010, inhoudende:

(...)

Met de wetswijziging van 1 januari 2015 is de tekst aangepast [168] en luidt sindsdien:

(...)

Uit de Memorie van toelichting bij deze wetswijziging [169] valt expliciet af te leiden dat een lasthebber degene is die zelfstandig diensten verleent, waaronder dus zzp’ers en freelancers vallen. Ook accountants, advocaten of medici zijn niet uitgesloten.

In de Nota naar aanleiding van het verslag [170] is onder meer opgenomen: “De leden van de SP-fractie vroegen mij om meer voorbeelden te geven van private omkoping die op dit moment niet, maar met de verruimde strafbaarstelling wél strafbaar zijn. Het voorstel behelst een verruiming van de strafbaarstelling van private omkoping door anders dan thans het geval, het handelen in strijd met de plicht door een werknemer of lasthebber centraal te stellen in de delictsomschrijving. Hiermee worden ook andere oneigenlijke gedragingen in de private sector strafbaar naast het in strijd met de goede trouw verzwijgen van een gift, belofte of dienst, waartoe de werkingssfeer van artikel 328ter Sr zich thans beperkt. Door de verbreding van het toepassingsgebied van de delictsomschrijving komen bijvoorbeeld gedragingen als het aannemen van giften om te handelen in strijd met de beroepsregels die van toepassing zijn voor een bepaalde branche onder de reikwijdte van de strafbaarstelling. Te denken valt aan accountants die zich laten betalen om bij hun onderzoek van boeken gebleken onjuistheden door de vingers te zien, advocaten die zich laten betalen om stukken te antedateren of medici die geld aannemen om een bepaald medicijn voor te schrijven.”

Ook het oorspronkelijke wetsvoorstel (dossiernummer 8437-65) maakt - meer impliciet - melding van een van het civiele recht afwijkend begrip lasthebber in het strafrecht: “Vele andere leden verklaarden vervolgens, dat ook zij het in dit wetsontwerp gekozen uitgangspunt, waarbij niet de oneerlijke mededinging doch de schending van de vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en ondergeschikte of lasthebber op de voorgrond is geplaatst, konden aanvaarden.” En “Het al of niet verzwijgen van de gift of van de belofte tegenover de werkgever of de opdrachtgever is, zo meenden zij, voor een omkoper in menig geval van weinig of geen betekenis; het gaat hem er immers in de eerste plaats om, door middel van een schenking iets te bereiken.”[171]

In het verslag van de commissie niet-ambtelijke omkoping (bijlage bij de memorie van toelichting op wetsvoorstel 8437) [172] valt geen aanknopingspunt te vinden dat voldoende grond zou kunnen vormen voor twijfel aan een ruim begrip lasthebber, afwijkend van het civiele recht.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2007 [173] onder 3.6 en 3.8 het volgende overwogen:

“3.6 (...) Ook een tussenpersoon als bedoeld in de art. 7:425-427 die een eigen belang bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft gekregen nadat hij de met zijn opdrachtgever overeengekomen bemiddelingswerkzaamheden heeft verricht, of die nadat hij zelf een zodanig eigen belang heeft gekregen geen bemiddelingswerkzaamheden voor zijn opdrachtgever meer verricht, is ingevolge art. 7:418 lid 1 verplicht de opdrachtgever van dat belang in kennis te stellen, zodat deze kan beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat zijn belangen zou kunnen schaden. Dat geldt ook indien, zoals [....] stelt dat hier het geval was, de afspraak tussen opdrachtgever en tussenpersoon meebrengt dat deze reeds aanspraak op loon heeft voor het enkele in contact brengen van de opdrachtgever en de derde. Het oordeel van het hof dat art. 7:418 in dit geval van toepassing is, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het behoefde ook geen nadere motivering, zodat ook de motiveringsklachten van het onderdeel falen.”

“3.8 (...) Opmerking verdient hierbij nog dat het antwoord op de - veelal niet met een redelijke mate van zekerheid te beantwoorden - vraag hoe groot de kans is dat de lastgever door belangenverstrengeling aan de zijde van de lasthebber wordt benadeeld, bij de toepassing van art. 7:418, anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, geen rol speelt.”

Tot slot onderschrijft het hof de - ruime - opvatting van het begrip lasthebber in het civiele vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017 [174]:

Artikel 7:424 lid 1 BW vereist immers niet dat de bevoegdheid waarvan het artikellid spreekt, een uitsluitende bevoegdheid van de desbetreffende vertegenwoordiger is. Dat zou ook niet stroken met de ratio van dat artikellid en van artikel 7:418 BW, welke ertoe strekt de opdrachtgever op de hoogte te brengen van directe of indirecte eigen belangen van de vertegenwoordiger bij de desbetreffende rechtshandelingen, opdat de opdrachtgever zich zal kunnen beraden omtrent de vraag of zich een belangenconflict voordoet.

Gelet op het bovenstaande en de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] (en zijn vennootschappen) in zijn relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen is. Juist het grote vertrouwen dat in [betrokkene 1] werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan hem en andere externe medewerkers werden toegekend, maken dat zij gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen.

[167] Kamerstukken II 1965/66 8437, nr. 4, p. 7.

[168] Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit), nr 33685. Inwerkingtreding 1 januari 2015, Stb. 2014, 445.

[169]

[170] Kamerstuk Nr. 6 33685, Nota naar aanleiding van het verslag, 2.2, d.d. 13 november 2013.

[171] Voorlopige verslag Eerste Kamer der Staten-Generaal, zitting 1967, nr. 65.

[172] Bijlage bij de memorie van toelichting, Nr. 4

[173] ECLI:NL:HR:2007:AZ5440

[174] ECLI:NL:RBMNE:2017:2252”

2.3.1

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 328ter lid 1 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term ‘lasthebber’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in artikel 328ter Sr.

2.3.2

Artikel 328ter lid 1 Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

2.3.3

De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 328ter Sr houdt onder meer het volgende in:

- de memorie van toelichting:

“Voor de (...) prognose, dat bij het voortschrijden van de maatschappelijke ontwikkeling - waarbij met name te denken is aan de steeds meer noodzakelijke delegatie en specialisatie in het bedrijfsleven - aan het verschijnsel der omkoping bijzondere aandacht moet worden besteed, bestaat ook naar de mening van ondergetekende gerede aanleiding.

(...)

Dit neemt niet weg dat de commissie zich bij het ontwerpen van een strafbepaling terecht heeft laten leiden door de gedachte dat het te beschermen rechtsbelang in de eerste plaats is gelegen in de zuiverheid van de dienstbetrekking.” (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 3, p. 2)

- het voorlopig verslag van de commissie van rapporteurs voor Justitie:

“Vele andere leden verklaarden vervolgens, dat ook zij het in dit wetsontwerp gekozen uitgangspunt, waarbij niet de oneerlijke mededinging doch de schending van de vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en ondergeschikte of lasthebber op de voorgrond is geplaatst, konden aanvaarden.” (Kamerstukken I 1965/66, 8437, nr. 65, p. 1)

2.3.4

Verder houdt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de rijkswet van 22 juni 2001 tot goedkeuring van enkele verdragen inzake de bestrijding van fraude en corruptie II, Stb. 2001, 315, onder meer het volgende in:

“In Nederland is omkoping (zowel actief, als passief) in de particuliere sector strafbaar gesteld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel behoeft in verband met de onderhavige verdragsbepalingen geen aanpassing. Artikel 328ter ziet op elke vorm van niet-ambtelijke omkoping zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naar sectoren in de maatschappij (profit/non profit). Het verdrag staat aan het bestaan van deze ruime reikwijdte niet in de weg (zie hierboven).

Bijzonder aan artikel 328ter is dat de strafbaarheid van het omkopen dan wel het omgekocht worden afhankelijk is gesteld van het verzwijgen van de voordelen in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever (in ruime zin) of lastgever. Wordt tegenover laatstgenoemden open kaart gespeeld, dan is geen sprake van strafbaar handelen.

In artikel 328ter ligt aldus een algemene (wettelijke) plicht besloten om telkens binnen de onderneming of in het kader van de uitvoering van een opdracht openheid te betrachten waar het gaat om gelden of voordelen die worden aangeboden tijdens de uitoefening van een functie. Wanneer nu in strijd met deze openheid wordt gehandeld of wanneer verwacht wordt (door de aanbieder van de gelden) dat deze openheid niet wordt betracht, ontstaat strafbaarheid.”

(Kamerstukken II 2000/01, 27 509 (R 1671), nr. 3, p. 16)

2.4.1

Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat voor de uitleg van het begrip ‘lasthebber’ in artikel 328ter Sr uitsluitend de artikelen 7:414 tot en met 7:424 van het Burgerlijk Wetboek bepalend zijn. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever een ruime uitleg van dit begrip heeft beoogd, is deze opvatting onjuist.

2.4.2

Volgens de bewijsvoering heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 1] door SNS Property Finance BV (hierna: SNSPF) in het kader van een overeenkomst tot opdracht is aangesteld als directieadviseur en dat hij als externe medewerker werkzaam was op de afdeling Restructuring & Recovery van SNSPF. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] in zijn relatie tot SNSPF als lasthebber in de zin van artikel 328ter Sr kan worden beschouwd, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk.

2.4.3

De klacht faalt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring van “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” onder 13 genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 13 - verkort weergegeven - bewezenverklaard dat hij in de periode van 10 november 2010 tot en met 12 maart 2013 in Nederland voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa € 1.649.089,70, bestaande uit diverse gepreciseerde bedragen ontvangen van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en vervolgens van die circa € 1.649.089,70 diverse gepreciseerde bedragen, betaald aan [betrokkene 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] , voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

3.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring - deels met overneming van overwegingen van de rechtbank - onder meer het volgende overwogen:

“2.2 Samenvatting van het arrest

De zaak tegen verdachte vloeit voort uit een onderzoek naar omkoping bij SNS Property Finance (verder SNSPF). Daarbij is de verdenking gerezen dat medeverdachte [betrokkene 1] , die ingehuurd was door SNSPF, zich liet betalen door externen die (mede) door [betrokkene 1] werden ingehuurd, waaronder [verdachte] . Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van valse facturen. Dit wordt in het dossier aangeduid als niveau 1.

Daarnaast is de verdenking gerezen dat via [verdachte] externen bij SNSPF zijn aangebracht. Deze externen betaalden per door hen aan SNSPF gefactureerd uur een vergoeding aan [verdachte] . [verdachte] betaalde deze vergoeding deels door aan [betrokkene 1] en enkele andere voor SNSPF werkzame personen, alsmede aan één buitenstaander. Dit wordt in het dossier aangeduid als niveau 2. Het betreft hier mensen die in het dossier ook de “Groningers” worden genoemd.

(...)

7.5

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

[verdachte]

is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF (...). [verdachte] noemt zichzelf interim‑manager.

Introductie en betalingen externen

Nadat hij [verdachte] had aangenomen is [betrokkene 6] aangenomen bij SNS via [verdachte] , aldus [betrokkene 1] . Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . [verdachte] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd. [betrokkene 6] werd als eerste medio 2010 aangenomen. (...)

In het bij [verdachte] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering” zijn werkbladen opgenomen met de namen: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld:

- hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt;

- hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd;

- hoeveel [verdachte] bij deze medewerker declareerde en

- hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [verdachte] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

Volgens [verdachte] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij. De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt. De facturen die [verdachte] voor het verkrijgen van deze vergoedingen stuurde voegde hij ook in de administratie van zijn eigen vennootschappen. Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee. (...) Hij heeft [betrokkene 1] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [betrokkene 1] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [verdachte] ging. [verdachte] heeft [betrokkene 1] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [betrokkene 6] , was aangenomen.

(...)

7.8

Gewoontewitwassen (niveau 2, feit 13)

(...)

Het hof stelt vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode geldbedragen tot een totaal van € 1.649.191,25 (exclusief btw) in niveau 2 heeft ontvangen. Verdachte heeft dit bedrag met behulp van het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift verkregen.

(...)

Volgens de bankafschriften van rekening 61.70.05.044 van [medeverdachte 3] en rekening 57.52.81.278 van [medeverdachte 2] heeft [verdachte] , in totaal € 908.341,98 (exclusief BTW) aan kickbacks uitbetaald. Daarnaast heeft [verdachte] aan het eind van het boekjaar 2012 van [medeverdachte 3] in rekening-courant een bedrag van € 598.699,- opgenomen. Tevens heeft [verdachte] aan het eind van het boekjaar 2012 van [medeverdachte 2] in rekeningcourant een bedrag van € 43.988 opgenomen. Het (per saldo) ontvangen geld is daardoor -ten minste deels- gebruikt en is daarmee in het financiële en economische verkeer gebracht.

(...)

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen met betrekking tot het gebruik van de door misdrijf verkregen gelden (feit 13).”

3.2.3

Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van valsheid in geschrift onder meer het volgende overwogen:

“7.7. Valsheid in geschrift (feiten 3, 8, 10 en 12)

Valsheid facturen

(...)

Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen (...) geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht (...).

De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.”

3.2.4

Het hof heeft ten aanzien van de vrijspraak van passieve niet-ambtelijke omkoping onder meer het volgende overwogen:

“6.5 Passieve niet ambtelijke omkoping (feit 9)

Aan verdachte is onder feit 9 ten laste gelegd dat hij optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV zich heeft laten omkopen door [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .

Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar werkzaam was voor SNSPF en de in de tenlastelegging genoemde bedragen heeft ontvangen, maar dat hij dat niet deed in de uitvoering van zijn last. (...) Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.”

3.3

Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.

3.4

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij SNSPF waren aangebracht en dat hij in verband met die ‘bemiddelingsfees’ ook zelf betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. De bewezenverklaring onder 13 houdt daarbij in dat de verdachte een totaalbedrag van circa € 1.649.089,70 heeft ontvangen van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , en dat hij vervolgens van die circa € 1.649.089,70 diverse gepreciseerde bedragen heeft betaald aan [betrokkene 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] , en dat bij de ontvangst van de geldbedragen en de betaling daarvan telkens facturen zijn gebruikt. Het hof heeft geoordeeld dat dit totaalbedrag “met behulp van medeplegen van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift” is verkregen.
Voor zover het hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, (mede) omdat deze zijn verkregen uit het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte is immers vrijgesproken van het onder 9 tenlastegelegde, dat ziet op passieve niet-ambtelijke omkoping van de verdachte door [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Uit de motivering van het hof blijkt ook niet dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn van (het medeplegen van) niet-ambtelijke omkoping door de verdachte of anderen dan de verdachte op andere wijze dan tenlastegelegd.
Voor zover het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de geldbedragen (mede) afkomstig waren van het plegen van valsheid in geschrift, geldt het volgende. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in de bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat de ontvangst en de betaling door de verdachte van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat onder 3.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5

De klacht is gegrond.

4 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van de overige klachten van het eerste cassatiemiddel en van de klachten van het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het tweede cassatiemiddel en van het vierde cassatiemiddel niet nodig.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 13 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.