Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:571

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/03558
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:41
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:5178, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omkopingsaffaire bij BV, waarbij door toedoen van medeverdachten bij BV netwerk van personen ontstaat die ‘kickbacks’ betalen voor hun aanstelling en deze ook ontvangen als ze andere personen aandragen. Gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). Zijn in bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig uit valsheid in geschrift? Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van art. 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit misdrijf gepleegd voorafgaand aan in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf. Hof heeft vastgesteld dat verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij BV waren aangebracht en dat hij i.v.m. die ‘bemiddelingsfees’ ook zelf betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van verzwegen omkoping en bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. Bewezenverklaring houdt daarbij in dat verdachte totaalbedrag van circa € 324.927,15 heeft ontvangen van A. Blijkens bewijsvoering heeft hof geoordeeld dat in bewezenverklaring vermelde geldbedragen afkomstig waren van valsheid in geschrift. Hierin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat in bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat ontvangst en betaling door verdachte van in bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, van onjuiste rechtsopvatting. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/04339, 18/04341, 18/04342 P, 18/04344, 18/04345 P, 18/04967, 18/04968, 18/04971 P, 18/04974 en 18/04972.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0142
RvdW 2020/625
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03558

Datum 21 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2018, nummer 21/003073-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring van “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” onder 5 genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 5 - verkort weergegeven - bewezenverklaard dat hij in de periode van 22 november 2010 tot en met 30 oktober 2015 in Nederland en/of in Tsjechië, voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa € 324.927,15 bestaande uit twee geldbedragen ontvangen van [medeverdachte 8] , voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en van die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring - deels met overneming van overwegingen van de rechtbank - het volgende overwogen:

“2.2 Samenvatting van het arrest

De zaak tegen verdachte vloeit voort uit een onderzoek naar omkoping bij SNS Property Finance (verder SNSPF). Daarbij is de verdenking gerezen dat verdachte enkele externen via medeverdachte [medeverdachte 8] bij SNSPF aan heeft aangebracht en zich daarvoor door die externen via [medeverdachte 8] heeft laten betalen. Deze externen betaalden per door hen aan SNSPF gefactureerd uur een vergoeding via [medeverdachte 8] aan verdachte. Dit wordt samen met de externen die aan [medeverdachte 8] betaalden in het dossier aangeduid als niveau 2 ter onderscheid van niveau 1 waarin een andere medeverdachte centraal staat. De personen die aan [medeverdachte 8] betaalden worden in het dossier ook wel de “Groningers” worden genoemd.

(...)

6.3.1

Bewijsmiddelen

[medeverdachte 8]

is sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 3] BV, welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [medeverdachte 2] BV, beide gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna respectievelijk: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ).

(...)

[medeverdachte 8] is vanaf maart 2010 werkzaam geweest bij SNSPF.

(...)

[verdachte]

[S] s.r.o. (hierna: [S] ) is het bedrijf van de dochter van [verdachte] , waarvan hij feitelijk leidinggevende en algemeen tekenbevoegd is. [S] is gevestigd te Praag, Tsjechië.

[verdachte] heeft verklaard dat een aantal mensen via hem bij SNSPF is gaan werken. Toen [medeverdachte 8] hem vroeg of hij nog mensen kende, heeft [verdachte] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aanbevolen. [medeverdachte 8] zei dat hij bij de inbreng van deze mensen wilde verdienen en zei dat [verdachte] er ook aan kon verdienen. Via [medeverdachte 4] heeft [verdachte] cv’s doorgestuurd van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Ook [betrokkene 4] heeft hij aanbevolen. [verdachte] stuurde de cv’s door naar [medeverdachte 8] voor een introductie bij SNSPF. [verdachte] kreeg een vergoeding voor het aanbrengen van deze externen, een bedrag per door de jongens gewerkt uur. Bij [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 4] was dat € 25,- per uur, bij [betrokkene 3] en [betrokkene 2] was dat bedrag wat lager. De betalingen liepen via [medeverdachte 8] . De verdeling van de betaling van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] met [medeverdachte 4] heeft hij besproken met [medeverdachte 8] . [verdachte] heeft niet met [medeverdachte 8] besproken of SNS van de afspraken wist. [medeverdachte 8] heeft verklaard dat er personen door bemiddeling van [verdachte] bij SNSPF zijn gekomen. Met deze personen is door [verdachte] een bemiddelingsfee afgesproken, die verdeeld werd onder hem, [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] . [medeverdachte 8] heeft met [verdachte] afspraken gemaakt over het aanbrengen van mensen. [verdachte] zou een deel van het tarief krijgen dat de aangenomen mensen zouden betalen. [medeverdachte 8] gaf aan [verdachte] door wat gefactureerd kon worden. [verdachte] stuurde dan een factuur vanuit [S] s.r.o. in Tsjechië naar [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] . [verdachte] kreeg een deel van de bemiddelingsfee van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , en [betrokkene 4] . [medeverdachte 8] heeft hierover, buiten [betrokkene 1] , niemand binnen SNSPF ingelicht.

Voor het ontvangen van de betalingen maakte [verdachte] maandelijks een factuur op op naam van [S] . [medeverdachte 8] gaf aan hem door hoeveel hij kon factureren. De factuur verzond [verdachte] naar [medeverdachte 8] . [verdachte] heeft alle facturen zelf opgemaakt vanuit huis (de rechtbank begrijpt: te [vestigingsplaats] ). De omschrijving op de facturen heeft hij zelf bedacht. Fysiek heeft hij geen werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 2] . Hij heeft het format van de facturen aangepast zodat deze opgenomen konden worden in de administratie van [S] . De gefactureerde bedragen heeft hij ontvangen, deels op de rekening van [S] en deels op zijn eigen rekening.

In de periode van 3 december 2010 tot en met 9 februari 2013 is door [S] een totaalbedrag van € 324.927,15 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Deze facturen zijn in de periode van 22 november 2010 tot en met 8 februari 2013 voldaan, te weten een bedrag van € 187.429,64 door [medeverdachte 3] en een bedrag van € 137.497,51 door [medeverdachte 2] .

6.3.2

Valsheid in geschrifte

(...)

De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, (door het hof als bijlage 3 bij dit arrest gevoegd) valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen volgens de verdachten betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

(...)

6.3.3

Gewoontewitwassen

(...)

Het hof stelt vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode geldbedragen van circa € 324.927,15 (exclusief btw) heeft ontvangen, waarvan € 244.555,- op de bankrekening van [S] (een Tsjechische vennootschap van zijn dochter) is ontvangen en € 120.372,- op een bankrekening van verdachte is ontvangen. Verdachte heeft deze bedragen door middel van valsheid in geschrift verkregen. Het hof is daarbij van oordeel dat het opmaken en versturen van de valse facturen om de geldbedragen te verkrijgen het gronddelict is en die facturen zijn gebruikt om de geldbedragen te verkrijgen (...).

(...)

Verdachte heeft verklaard dat hij een rekening-courant verhouding heeft met [S] en circa € 70.000,- à 80.000,- in rekening courant heeft opgenomen. De overige geldbedragen die bij [S] zijn binnengekomen zijn grotendeels geïnvesteerd. Ten aanzien van de geldbedragen die verdachte op zijn bankrekening heeft ontvangen, heeft hij verklaard dat een gedeelte van deze geldbedragen is geïnvesteerd in zijn activiteiten als financieel adviseur en dat hij voor het overige van die bedragen leefde.

Naar het oordeel van het hof is het in rekening courant opgenomen bedrag - middellijk - afkomstig van het door verdachte gepleegde valsheid in geschrift. Immers zijn de geldbedragen op de rekening van [S] binnengekomen en daarna overgemaakt op de rekening courant van verdachte. (...)

Verdachte heeft de overige gelden die bij [S] zijn binnengekomen geïnvesteerd. Verder heeft hij de geldbedragen die op zijn bankrekening zijn binnengekomen deels geïnvesteerd in zijn activiteiten als financieel adviseur en voor het overige heeft hij er van geleefd. Het op de rekening van [S] en verdachte binnengekomen geld is zodoende gebruikt en is daarmee in het financiële en economische verkeer gebracht.”

2.3

Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf’ in de zin van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.

2.4

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ‘bemiddelingsfees’ heeft ontvangen van personen die bij SNSPF waren aangebracht. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat bij deze betalingen gebruik is gemaakt van facturen met daarin valse omschrijvingen, waarbij die facturen zijn opgemaakt “ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. De bewezenverklaring onder 5 houdt daarbij in dat de verdachte een totaalbedrag van circa € 324.927,15 heeft ontvangen van [medeverdachte 8] .
Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 5 vermelde geldbedragen afkomstig waren van valsheid in geschrift. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de in de bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat de ontvangst en de betaling door de verdachte van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5

De klacht is gegrond.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van de klachten van het eerste en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het tweede cassatiemiddel en van het vierde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2020.