Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:568

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
18/02521
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1187
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:2756
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dwang (meermalen gepleegd) door zich voor te doen als politieman en groot aantal willekeurige personen telefonisch te confronteren met verzonnen bericht dat familielid is overleden, art. 284.1.1. Sr. Is sprake van “door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen” a.b.i. art. 284 Sr? Van door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden a.b.i. art. 284 Sr kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT5834). Opvatting dat een ‘feitelijkheid’ a.b.i. art. 284 Sr niet uitsluitend kan bestaan uit het uitspreken van woorden, vindt geen steun in het recht. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte onverhoeds telefoongesprekken is aangegaan met aangevers, waarbij hij zich - op beheerste en professionele wijze - voordeed als politieagent of rechercheur. Hij deelde in deze telefoongesprekken mee dat hij slecht nieuws had en/of gaf het advies te gaan zitten. Daarna vertelde hij aan aangevers dat een dierbare plotseling was overleden. In het verdere verloop van zo’n gesprek voegde verdachte aan die boodschap nieuwe (gruwelijke) elementen toe. Deze gesprekken duurden veelal minutenlang. Hof heeft voorts vastgesteld dat aangevers in die gesprekken werden overweldigd door hevige emoties. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat, gelet op de feitelijkheid van de door verdachte voorgewende hoedanigheid van politieagent of rechercheur in samenhang met de boodschap die aan het begin van het gesprek werd aangekondigd, aangevers zich redelijkerwijs niet aan de voortzetting van de gesprekken konden onttrekken en dat verdachte aldus door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangevers tegen hun wil hebben geduld dat verdachte minutenlang een gesprek met hen heeft gevoerd waarin slecht nieuws en huiveringwekkende details daarvan aan bod kwamen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0128
NJB 2020/980
RvdW 2020/508
NJ 2020/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02521

Datum 7 april 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 mei 2018, nummer 20/000449-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat bij de onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 bewezenverklaarde feiten sprake is van “door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen” in de zin van artikel 284 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

2.2.1

Hetgeen overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte is bewezenverklaard alsmede de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt, is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 en 5.
Kort samengevat is steeds bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer door een tegen hem of haar gerichte feitelijkheid wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden. De feitelijkheid bestond – globaal gesproken – uit de telefonische mededeling dat de verdachte van de politie was, slecht nieuws had en dat het slachtoffer beter even kon gaan zitten of elementen daarvan. Het dulden had steeds betrekking op het vervolgens minutenlang luisteren naar het slechte nieuws over het overlijden van een dierbare met gruwelijke details.
Zo luidt bijvoorbeeld de bewezenverklaring van feit 1 dat:

“hij op 2 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop in het Arabisch de tekst “Uw dochters zijn de volgende”, door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de politie was en

- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten.”

2.2.2

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

“Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. De onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag of verdachte door middel van een feitelijkheid de aangevers/aangeefsters wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden.

Feitelijkheid

Het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht omvat in beginsel elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen tot het betreffende gevolg en die niet beantwoordt aan een van de andere in het betreffende artikel genoemde dwangmiddelen. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, is daaronder – onder omstandigheden – ook het uitspreken van woorden begrepen.

In deze zaak bestaat de dwanghandeling primair uit het onverhoeds aangaan en voeren van vaak minutenlange telefoongesprekken met de aangevers/aangeefsters. Het hof stelt vast dat verdachte telkens aan het begin van de verschillende telefoongesprekken de valse hoedanigheid van politieagent of (technisch) rechercheur heeft aangenomen. Gedurende de telefoongesprekken uitte hij zich blijkens meerdere aangiftes op een zeer rustige, beheerste en professionele wijze. Verdachte presenteerde zich dus op een manier die past bij de wijze waarop een echte politieagent of rechercheur zich zou uitdrukken. Vervolgens ontvingen de aangevers en aangeefsters – terwijl zij op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat zij spraken met een politieagent of rechercheur – de mededeling dat verdachte slecht nieuws had en/of kregen zij het advies om even te gaan zitten, welk advies ook kan worden opgevat als de opmaat naar slecht nieuws. Aldus heeft verdachte misbruik gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon dat men (telefonische) mededelingen van hulpverleners, zoals de politie, aanhoort, serieus neemt en in beginsel niet zelf het gesprek afbreekt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte gedragingen heeft verricht die geschikt zijn om iemand te dwingen tot een bepaald gevolg – het dulden van een hierna nader te omschrijven dwanggevolg.

(...)

Wederrechtelijkheid

Het bestanddeel wederrechtelijk wordt in het algemeen uitgelegd als ‘in strijd met het recht’ of ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid’. In het kader van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht heeft het bestanddeel echter een meer specifieke betekenis gekregen, te weten ‘zonder bevoegdheid’. Het hof is van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde telefoongesprekken steeds zonder daartoe strekkende bevoegdheid heeft gevoerd, en beschouwt de telefoongesprekken overigens ook als een aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid.

Dwingen tot dulden

Het dulden heeft feitelijk bezien eruit bestaan dat de aangevers/aangeefsters hebben moeten aanhoren dat een of meerdere van hun dierbaren waren overleden. Volledig onverwacht werden ze geconfronteerd met dit heftige nieuws en vaak bleef het niet bij deze enkele mededeling. Verdachte heeft soms gesprekken van meer dan vijf minuten gevoerd, waarbij door hem steeds nieuwe – vaak gruwelijke – elementen werden toegevoegd aan de initiële boodschap. Als gevolg hiervan werden de aangevers/aangeefsters overweldigd door hevige emoties waardoor zij begonnen te huilen, trillen en schreeuwen, maar ook ineenzakten en verkrampten. Gelet op de aard en inhoud van de gesprekken, waarin werd gesproken over ernstig leed van naaste familieleden, kan van niemand, dus ook niet van de aangevers en aangeefsters, redelijkerwijs (...) worden verwacht dat de gesprekken werden beëindigd. Het hof kan voorts de beoordeling van het dwanggevolg niet los zien van de inhoud van de telefoongesprekken. Alleen al het bericht van het overlijden van een familielid, in het bijzonder een ouder, partner of kind, maakt doorgaans diepe indruk op de nabestaanden en kan zeker grote verslagenheid teweegbrengen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat verdachte door het voeren van (minutenlange) telefoongesprekken een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer alsook op de autonomie van de aangevers/aangeefsters. Aldus is het door artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed, te weten de vrijheid van personen, door verdachte aangetast.

In het voorgaande ligt als oordeel besloten dat causaal verband bestaat tussen de feitelijkheid en het dulden. Het hof is van oordeel dat verdachte door de feitelijkheden – zich voordoen als politieagent, het voorbereiden op slecht nieuws – een situatie heeft geschapen waarin aangevers/aangeefsters zich niet konden onttrekken aan het gesprek en aldus gedwongen werden voor kortere of langere tijd te blijven luisteren naar het slecht- nieuwbericht en de huiveringwekkende details daarvan.

Opzet

Ten slotte vereist artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht dat sprake is van opzet, gericht op het dwingen en de wederrechtelijkheid van de gedragingen.

De raadsman heeft ten aanzien van het opzet-bestanddeel om verschillende redenen vrijspraak bepleit.
(...)

Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit op de grond dat verdachte met de telefoongesprekken het enkele doel had dat de toehoorders zouden geloven dat zij inderdaad met een politieagent te maken hadden, en dat aldus – zo begrijpt het hof – opzet op het teweegbrengen van een dwanggevolg heeft ontbroken.

Het hof is evenwel van oordeel dat het opzet van verdachte niet beperkt is geweest tot het louter geloofwaardig als politieambtenaar overkomen. Het is immers een algemene ervaringsregel dat personen die met het overlijden van een familielid worden geconfronteerd, daarvan doorgaans heftige emotionele en soms fysieke gevolgen ondervinden, in het bijzonder als gruwelijke details van de wijze van overlijden worden verteld. Het hof gaat ervan uit dat verdachte deze ervaringsregel kende. Door keer op keer nieuwe personen te bellen en in het bijzonder door telkens mededelingen te doen over de precieze wijze van overlijden van hun dierbaren, heeft verdachte daarom het hiervoor uiteengezette gevolg bewust aanvaard.
(...)

Het hof is van oordeel dat verdachte zowel opzettelijk de ten laste gelegde telefoongesprekken heeft gevoerd en aldus gevolgen teweeg heeft gebracht, als opzet heeft gehad op handelen zonder bevoegdheid. Bij dit oordeel betrekt het hof dat verdachte heeft verklaard dat hij meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat hij van de politie was en dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Hierbij heeft verdachte verklaard dat hij zei dat hij van de politie was omdat men hem dan zou geloven en dat hij een aantal keren mensen heeft horen huilen tijdens een telefoongesprek.”

2.3.1

De tenlastelegging is steeds toegesneden op artikel 284, lid 1, onder 1º, Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.

2.3.2

Artikel 284, lid 1, onder 1º, Sr luidt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

hij die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden.”

2.4

Van door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden als bedoeld in artikel 284 Sr kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld. (Vgl. HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5834.)
Anders dan het middel betoogt, vindt de opvatting dat een ‘feitelijkheid’ als bedoeld in artikel 284 Sr niet uitsluitend kan bestaan uit het uitspreken van woorden, geen steun in het recht.

2.5.1

Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte is onverhoeds telefoongesprekken aangegaan met de aangevers, waarbij hij zich – op een beheerste en professionele wijze – voordeed als een politieagent of rechercheur. Hij deelde in deze telefoongesprekken mee dat hij slecht nieuws had en/of gaf het advies te gaan zitten. Daarna vertelde hij aan de aangevers dat een dierbare plotseling was overleden. In het verdere verloop van zo’n gesprek voegde de verdachte aan die boodschap nieuwe (gruwelijke) elementen toe, bijvoorbeeld dat het overlijden was veroorzaakt door geweld of een acute hartstilstand. Deze gesprekken duurden veelal minutenlang. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de aangevers in die gesprekken werden overweldigd door hevige emoties.

2.5.2

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat in het onderhavige geval, gelet op de feitelijkheid van de door de verdachte voorgewende hoedanigheid van politieagent of rechercheur in samenhang met de boodschap die aan het begin van het gesprek werd aangekondigd, de aangevers zich redelijkerwijs niet aan de voortzetting van de gesprekken konden onttrekken en dat de verdachte aldus door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat de aangevers tegen hun wil hebben geduld dat de verdachte minutenlang een gesprek met hen heeft gevoerd waarin slecht nieuws en de huiveringwekkende details daarvan aan bod kwamen, geeft – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.6

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2020.