Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:541

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
19/00755
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:116
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr) en mishandeling (art. 300 Sr). Betekening verstekmededeling ex art. 366 Sv en overschrijding redelijke termijn. Middel klaagt dat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden. HR: Op gronden vermeld in de CAG slaagt het middel. CAG: Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM3638 rov. 3.3.1 en 3.3.2 waarin de HR overwoog dat van overschrijding van de redelijke termijn sprake kan zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het OM bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Uit de stukken blijkt niet dat binnen één jaar na het wijzen van het verstekarrest op 26 juli 2013 pogingen zijn ondernomen om de betreffende verstekmededeling op de wijze voorzien in art. 588 Sv te betekenen. Pas op 12 mei 2017 is getracht een verstekmededeling aan verdachte uit te reiken. De verstekmededeling is dus niet met de nodige voortvarendheid a.b.i. 366 lid 1 Sv aan verdachte betekend, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf met 17 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0115
RvdW 2020/521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00755

Datum 31 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juli 2013, nummer 22-000395-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan door de Hoge Raad naar diens gebruikelijke maatstaf.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 180 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2020.