Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:529

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
17/03612
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Herstelarrest. Vervolg op ECLI:NL:HR:2020:77, waarin de HR de uitspraak van het hof wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het w.v.v. vernietigde wegens overschrijding van de redelijke termijn en het te betalen bedrag verminderde. In het eerdere arrest is bij de berekening van de redelijke-termijnkorting uitgegaan van het door het hof geschatte w.v.v. in plaats van de door het hof opgelegde betalingsverplichting. HR herstelt deze misslag en bepaalt dat het arrest aldus moet worden gelezen dat de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v. is vernietigd en het te betalen bedrag is verminderd in die zin dat de hoogte daarvan € 30.580 bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0110
RvdW 2020/512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03612 P

Datum 31 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 29 juni 2017, nummer 22/002426-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de betrokkene.

1 Procesgang in cassatie

1.1

De Hoge Raad heeft in deze zaak bij arrest van 21 januari 2020 de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en het te betalen bedrag verminderd in die zin dat de hoogte daarvan € 33.977 bedraagt, met verwerping van het beroep voor het overige.

1.2

In dat arrest is vermeld dat aan de betrokkene een betalingsverplichting is opgelegd van € 37.753,34 en is overwogen dat als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden die betalingsverplichting moet worden verminderd. De vermelding van het bedrag van € 37.753,34 is een misslag. Aan de betrokkene was door het hof een betalingsverplichting opgelegd van € 33.978. Daarom dient de laatste volzin van rechtsoverweging 3.2 van dat arrest als volgt te worden gelezen:

“Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 33.978.”

1.3

Dit heeft tot gevolg dat in dat arrest de tekst bij het tweede streepje van de beslissing als volgt moet worden gelezen:

“vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 30.580 bedraagt.”

2 Beslissing

De Hoge Raad bepaalt dat het arrest dat in deze zaak op 21 januari 2020 is uitgesproken, moet worden gelezen met inachtneming van de hiervoor vermelde verbeteringen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2020.